Einde inhoudsopgave
Zoeken naar zekerheid (SteR nr. 46) 2019/6.1
6.1 Innerlijke processen en overtuigingen
R.W.J. Severijns, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
R.W.J. Severijns
- JCDI
JCDI:ADS180358:1
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: ACVZ 2016/1, p. 17.
IND-werkinstructie 2015/9. Deze werkinstructie is inmiddels vervangen door IND-werkinstructie 2018/9. In de nieuwe werkinstructie is de nadruk van beoordeling verschoven van het bewustwordingsproces naar het ‘authentieke’ verhaal van de asielzoeker. Het is volgens de instructie aan de hoormedewerker om hierop door te vragen door de asielzoeker uit te nodigen om zijn verklaringen nader te onderbouwen en ‘persoonlijker’ te maken.
LHBT staat voor lesbische vrouwen, homoseksuelen, biseksuelen en transgenders. Tegenwoordig spreekt men vaker van LHBTI, waarbij de ‘I’ staat voor intersekse personen. In de IND-werkinstructie 2018/9 wordt uitsluitend gerefereerd aan LHBT’s.
In deze paragraaf beantwoord ik de vraag hoe medewerkers van de IND feiten vaststellen die niet of nauwelijks met informatie uit een objectief geachte bron kunnen worden onderbouwd, en dus bijna uitsluitend op basis van verklaringen moeten worden vastgesteld. Ik concentreer me hierbij op de vaststelling van de geloofwaardigheid van verklaringen over innerlijke processen en overtuigingen van asielzoekers. Meer in het bijzonder kijk ik naar de vaststelling van een bekering of seksuele gerichtheid. Veel medewerkers van de IND zeggen de meeste moeite te hebben met de vaststelling van dit soort feiten. Vooral als de asielzoeker na vertrek uit het land van herkomst in Nederland is bekeerd, of in Nederland zijn seksuele gerichtheid kenbaar heeft gemaakt. De asielzoeker heeft in het geval van dergelijke sur place aanvragen, in zijn land van herkomst nog geen problematische gebeurtenissen ervaren die met deze feiten verband houden en eventueel een aanwijzing kunnen vormen voor een risico op ernstige mensenrechtenschending bij terugkeer. Medewerkers van de IND zeggen zich bij vaststelling van dergelijke feiten genoodzaakt te voelen een oordeel te vormen over de oprechtheid van die geloofsovertuiging of over de vraag of een asielzoeker daadwerkelijk homoseksueel is. De mate van onzekerheid die zij bij dit type beslissingen ervaren is groot.
Voor het onderzoek naar de geloofwaardigheid van verklaringen over bekeringen bestaat een vaste gedragslijn. Deze gedragslijn is na afronding van mijn onderzoek ook neergelegd in de openbare werkinstructie 2018/10. De vaste gedragslijn houdt in dat hoormedewerkers van de IND de asielzoeker vragen stelt die grofweg worden onderverdeeld in vragen over de geloofsleer en –praktijk, de motieven voor bekering en het proces van bekering, waaronder de betekenis en praktische uitvoering van een eventuele doop en doopplechtigheid. Ook stellen zij de asielzoeker vragen over de persoonlijke betekenis van de bekering of de geloofsovertuiging.1 Ten slotte verwacht de IND dat een asielzoeker in staat is te vertellen over praktische zaken die verband houden met eventuele kerkgang. Daarbij moet worden gedacht aan zaken zoals het tijdstip van gebedsdiensten en de locatie van het gebedshuis.
Ten behoeve van het onderzoek naar de geloofwaardigheid van verklaringen over een gestelde seksuele gerichtheid heeft de IND reeds in 2015 een openbare werkinstructie opgesteld.2 Deze werkinstructie is verschenen nadat ik een groot deel van mijn interviews had afgenomen, maar de praktijk was hiermee destijds al grotendeels in overeenstemming. In deze werkinstructie staat dat bij de beoordeling rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat het voor een asielzoeker niet mogelijk is om met sluitend bewijs aannemelijk te maken dat hij LHBT3 is. Dit terwijl de loutere stelling van de asielzoeker dat hij LHBT is, ook niet voldoende is. De beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid ligt volgens de werkinstructie tussen deze twee uitersten. Het onderzoek naar de seksuele gerichtheid van een vreemdeling bestaat vooral uit het stellen van vragen door een hoormedewerker tijdens het nader gehoor. Bij het onderzoek naar de seksuele gerichtheid gelden volgens de werkinstructie de volgende uitgangspunten:
De IND voert geen medische testen uit ter vaststelling van de seksuele gerichtheid;
de IND verzoekt niet om documentair bewijs in de vorm van bijvoorbeeld foto’s of video’s;
de IND stelt geen expliciete vragen over seksuele handelingen of activiteiten;
het geloofwaardigheidsonderzoek mag niet bestaan uit het nagaan of iemand voldoet aan het stereotiepe beeld van LHBT.
De vragen die de hoormedewerker kan stellen kunnen volgens de werkinstructie gaan over:
Het privéleven van de asielzoeker en met name de eigen ervaring van de asielzoeker met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid en hoe zijn omgeving daarop reageerde;
huidige en voorgaande relaties, waarmee homoseksuele contacten worden bedoeld en contacten met of kennis van homoseksuele groepen in land van herkomst;
contact met homoseksuelen in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie;
discriminatie, repressie en vervolging in land van herkomst; en
het toekomstbeeld van de asielzoeker, indien hij zou moeten terugkeren naar zijn land van herkomst.
Welk gewicht de medewerker aan de beantwoording toedicht hangt volgens de werkinstructie sterk af van de individuele zaak. In de werkinstructie is vermeld dat dit niet is te vatten in objectief meetbare criteria. Daarbij wordt in de werkinstructie opgemerkt dat niet van iedere asielzoeker wordt vereist dat hij heeft geworsteld met de bewustwording van zijn seksuele gerichtheid, maar wel dat hem zal worden gevraagd wat het voor hem betekent anders te zijn dan de maatschappij verwacht of verlangt.
In deze paragraaf beschrijf ik eerst uitgebreider waarom medewerkers vaststelling van innerlijke overtuigingen en processen moeilijk vinden. Vervolgens wordt beschreven hoe medewerkers te werk gaan om dit type feit toch vast te stellen en welke informatiebronnen ze hierbij gebruiken. Zoals gezegd vormen de verklaringen van de asielzoeker de belangrijkste informatiebron op basis waarvan deze feiten moeten worden vastgesteld. Daarnaast kunnen documenten zoals doopakten en ondersteunende brieven, sociale media en deskundigenadvies een rol spelen.
6.1.1 Wat vinden medewerkers van de IND van het vaststellen van innerlijke processen en overtuigingen van de asielzoeker?6.1.2 Hoe worden innerlijke processen en overtuigingen vastgesteld?6.1.3 De motivering van de vaststelling van innerlijke processen en overtuigingen6.1.4 Tussenconclusie