Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/4.4.2.2
4.4.2.2 Argumenten voor en tegen een klachtplicht bij prestaties trekkende tot betaling van een geldsom
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973629:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van Cassel-van Zeeland 2019, p. 285.
Van Cassel-van Zeeland verwijst naar Hof Arnhem-Leeuwarden 9 december 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:9604, zie Van Cassel-van Zeeland 2019, p. 285.
Van Cassel-van Zeeland 2019, p. 285.
Idem, p. 286.
Idem, p. 287; zie verder Schild 2016, p. 64; T.S. Jansen 2013, p. 169-170; Katan 2007, p. 47.
J.J. Valk 2020.
Conclusie A-G Wissink 5 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:381, par. 2.35.3; conclusie A-G Wissink 19 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:436, par. 2.35.3.
Conclusie A-G Wissink bij HR 2 september 2011, NJ 2012/75 (Dierenartspraktijk/Fuchs c.s.), ECLI:NL:PHR:2011:BQ3876, par. 2.50.7.
Conclusie A-G Wissink 5 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:381; conclusie A-G Wissink 19 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:436, par. 2.35.3, par. 2.36.
Asser/Hijma 7-I 2019/848; Tjittes & Boom, Rechtsverwerking en klachtplichten (Mon. BW nr. A6b) 2020/30.
Voorstanders van een klachtplicht bij de gebrekkige nakoming van een verbintenis tot betaling van een geldsom wijzen in de eerste plaats op de summiere wetsgeschiedenis. Zo betoogt Van Cassel-van Zeeland dat uit de wetsgeschiedenis is af te leiden dat met art. 6:89 BW een ruimer toepassingsbereik is beoogd, waaruit in zijn ogen voorzichtig de conclusie kan worden getrokken dat de klachtplicht breed moet worden toegepast.1 Verder betoogt Van Cassel-van Zeeland dat niet relevant zou zijn dat de schuldenaar in de regel op basis van zijn eigen gegevens kan nagaan of hij wel of niet heeft voldaan aan zijn betalingsverplichting, zodat om die reden in de regel geen behoefte bestaat aan het aannemen van een klachtplicht.2Art. 6:89 BW kijkt naar de schuldeiser, aldus Van Cassel-van Zeeland. De omstandigheid dat de schuldenaar zelf eenvoudig kan nagaan of aan de betalingsverplichting is voldaan, kan volgens hem wel meewegen bij de lengte van de klachttermijn.3 Hij wijst er daarnaast op dat een gebrekkige betaling van geld in de regel zal neerkomen op een gebrek in kwantiteit, namelijk een te hoog of een te laag betaald bedrag ten opzichte van de prestatie die de betreffende verbintenis voorschrijft. Een dergelijk gebrek in kwantiteit kan echter als een gebrek in de zin van art. 6:89 BW worden beschouwd. Van Cassel-van Zeeland wijst in dat verband op art. 7:17 lid 3 BW. Bovendien kan een gebrek in een geldbetaling er ook in bestaan dat bijvoorbeeld met verkeerde valuta wordt betaald, of met te beschadigd of oud geld.4 Tot slot benadrukt hij dat niet goed valt in te zien waarom een betalingsverplichting niet als verbintenis tot het verrichten van een prestatie kan worden gezien.5 J.J. Valk wijst vooral op de opmerking van de Hoge Raad in Van de Steeg/Rabobank en de logica van de toepasselijkheid van art. 6:89 BW op alle verbintenissen vanuit rechtssystematisch perspectief. Dit terwijl de ratio van de klachtplicht in zijn ogen onvoldoende onderscheidingsvermogen heeft om voor bepaalde typen verbintenissen een uitzondering te maken.6
Tegenstemmen zijn er ook. Met name Wissink is kritisch over het aannemen van een klachtplicht bij betaling van geld. Een analogie met art. 7:17 lid 3 BW gaat volgens hem niet op, omdat art. 7:23 lid 1 BW bepaalt dat de klachtplicht in geval van non-conformiteit, in de zin van art. 7:17 lid 3 BW met betrekking tot een afwijking in maat, getal en gewicht, alleen geldt voor de prestatie van de verkoper en niet voor de prestatie van de koper tot betaling van de prijs.7 Vanwege de samenhang tussen art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW betoogt Wissink dat ook 6:89 BW niet van toepassing is bij prestaties tot betaling van een geldsom die de wederprestatie vormen voor een andere prestatie. Wissink zoekt voor deze stelling steun in het arrest Luttikhuis/Ridgefield, waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat de klachtplicht niet van toepassing is op het opmaken en toezenden van een factuur.8 In een recente conclusie pleit A-G Wissink ervoor om de gedeeltelijke betaling van een geldsom te zien als een algeheel niet-presteren met betrekking tot het niet-nagekomen gedeelte.9 Hijma en Tjittes hebben betoogd dat een gebrek in de betaling van geld vrijwel altijd ziet op een gebrek in kwantiteit, niet in kwaliteit. Art. 6:89 BW zou om die reden toepassing moeten missen.10