Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/5.3.4.4
5.3.4.4 Belonging to another
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ormerod & Williams 2007, par. 2.186 en Blackstone 2013, par. B4.25.
Ormerod & Williams 2007, par. 2.187-2.188.
D Ormerod & Williams 2007, par. 2.189 en Blackstone 2013, par. B4.19.
Ormerod & Williams 2007, par. 2.195.
S. 22(1) van de Theft Act luidt:“A person handles stolen goods if (otherwise than in the course of the stealing) knowing or believing them to be stolen goods he dishonestly receives the goods, or dishonestly undertakes or assists in their retention, removal, disposal or realisation by or for the benefit of another person, or if he arranges to do so.”
Blackstone 2013, par. B4.33.
Griew 1995, par. 1.11.
In Nederland zou dit waarschijnlijk onder verduistering vallen, vgl. HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4638, NJ 2011/175.
Ormerod & Williams 2007, par. 2.228-2.240.
Ormerod & Williams 2007, par. 2.221-2.223.
(1885), 16 Q.B.D. 190.
[1956] 1 Q.B. 439; 40 Cr. App. R. 20.
Ormerod & Williams 2007, par. 2.251-2.260.
De law of larceny beschermde vooral het bezit en niet zozeer de eigendom. De law of theft heeft een veel grotere reikwijdte. In s. 5 van de Theft Act 1968 is de reikwijdte van het begrip belonging to another weergegeven:
Property shall be regarded as belonging to any person having possession or control of it, or having in it any proprietary right or interest (not being an equitable interest arising only from an agreement to transfer or grant an interest).
Where property is subject to a trust, the persons to whom it belongs shall be regarded as including any person having a right to enforce the trust, and an intention to defeat the trust shall be regarded accordingly as an intention to deprive of the property any person having that right.
Where a person receives property from or on account of another, and is under an obligation to the other to retain and deal with that property or its proceeds in a particular way, the property or proceeds shall be regarded (as against him) as belonging to the other.
Where a person gets property by another’s mistake, and is under an obligation to make restoration (in whole or in part) of the property or its proceeds or of the value thereof, then to the extent of that obligation the property or proceeds shall be regarded (as against him) as belonging to the person entitled to restoration, and an intention not to make restoration shall be regarded accordingly as an intention to deprive that person of the property or proceeds.
Property of a corporation sole shall be regarded as belonging to the corporation notwithstanding a vacancy in the corporation.”
Het goed moet aan iemand toebehoren in de zin van s. 5 Theft Act 1968 wil sprake kunnen zijn van theft. Theft van goederen waarvan afstand is gedaan, is niet mogelijk.1 De identiteit van de eigenaar is over het algemeen irrelevant. Het gaat erom dat iemand anders dan de verdachte een eigendomsrecht of eigendomsbelang heeft.2 Het slachtoffer van theft zal vaak de eigenaar van het goed zijn, maar dat hoeft niet. De eigenaar kan ook dader zijn als hij steelt van iemand die een eigendomsrecht of eigendomsbelang heeft. Dat is bijvoorbeeld het geval als een verdachte zijn horloge in onderpand geeft en dit terugneemt zonder zijn schuld aan de pandnemer te betalen.3 Voor toebehoren in de zin van s. 5 van de Theft Act 1968 maakt het niet uit dat een ander wellicht een sterker recht op het goed heeft. Op grond van die redenering kan een dief van een dief stelen. Het maakt daarbij niet uit dat de eerste dief zijn eigendomsrecht niet hard kan maken tegenover de civiele rechter.4 Ook kan een verdachte die zich in eerste instantie schuldig maakte aan handling stolen goods (s. 22 van de Theft Act)5, en de goederen dus anders dan door stealing onder zich heeft gekregen, zich vervolgens schuldig maken aan theft door het uitoefenen van een recht van de eigenaar door zich als eigenaar te gedragen.6 De oorspronkelijke eigenaar heeft immers nog steeds rechten op het goed. Daardoor zal in de meeste gevallen van handling stolen goods ook sprake zijn van theft.7
In s. 5(3) Theft Act is vastgelegd dat, wanneer A een goed ontvangt van B of dat goed namens B in ontvangst neemt en op een bepaalde manier met dat goed of de opbrengsten daarvan moet omgaan, aangenomen wordt dat het goed of de opbrengst daarvan aan B toebehoort. Iedere bailment zal hieronder vallen. S. 5(3) Theft Act zal bijvoorbeeld toepassing kunnen vinden wanneer een collectant het geld dat hij bij een collecte heeft opgehaald niet afdraagt, maar in eigen zak steekt. Een ander voorbeeld is de minnares die van haar minnaar geld krijgt om boodschappen te doen en het aan iets anders besteedt. Ook in dat geval zou betoogd kunnen worden dat sprake was van een overeenkomst om het geld aan boodschappen te besteden.8 Als geen sprake is van een verplichting om op een bepaalde manier te handelen kan een verdachte echter met het goed doen wat hij wil. Dit doet zich bijvoorbeeld voor als A geld leent van B. Als A op het moment dat hij het geld leent eerlijk is en de bedoeling heeft het terug te betalen, maakt – ervan uitgaande dat B geen eigendomsbelang- of recht op het geld heeft – een later opkomende beslissing om het geld uit te geven en niet terug te betalen, niet dat A zich schuldig maakt aan theft.9 Tussen s. 5(1) en s. 5(3) Theft Act lijkt veel overlap te bestaan. Toch is s. 5(3) Theft Act nuttig voor die gevallen waarin niet kan worden bewezen dat degene die het goed heeft verloren een eigendomsrecht of -belang heeft.10 De termobligation in s. 5(3) van de Theft Act ziet slechts op juridische verplichtingen en niet op morele of sociale. Dit kan complexe civielrechtelijke problemen opleveren. S. 5(4) van de Theft Act is van toepassing op gevallen die zich voordeden in de eerder genoemde zaken Ashwell11 en Moynes v Coopper12 (zie paragraaf 5.3.3). Kort gezegd komt het er op neer dat wanneer een verdachte een goed heeft verkregen als gevolg van een fout van een ander, hij verplicht is dit terug te geven. Doet hij dit niet en houdt hij het goed voor zichzelf, dan maakt hij zich schuldig aan theft. Dit geldt ook als de fout is gemaakt doordat de verdachte de ander misleid heeft. Vereist is wel dat de verdachte op de hoogte is van de fout.13