Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/5.3.4.2
5.3.4.2 Dishonesty
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Omwille van de leesbaarheid wordt in deze tekst vaak gesproken van oneerlijk of oneerlijkheid in plaats van dishonest of dishonestly.
In de Theft Act 1968 is deze regel in tweeën gesplitst, zie s. 2(1)(a) en (b).
CLRC 1966, par. 39.
Vgl. Theft Act 1968 s. 2(1)(c).
Bijvoorbeeld als een verdachte geld van een derde afneemt omdat hij gelooft dat die derde hem dat schuldig is, vgl. Horder 2016, p. 402.
Blackstone 2013, par. B4.50.
Ormerod & Williams 2007, par. 2.291-2.292 en Horder 2016, p. 403.
Ghosh [1982], Q.B. 1053.
Blackstone 2013, par. B4.53.
Horder 2016, p. 403-404.
Ormerod & Williams 2007, par. 2.292.
Ormerod & Williams 2007, par. 2.301-2.302 en Horder 2016, p. 405.
Ormerod & Williams 2007, par. 2.305 en Horder 2016, p. 405.
Horder 2016, p. 402. Zie ook Ormerod & Williams 2007, par. 2.275.
Het woord dishonestly1 in de definitie in s. 1 van de Draft Theft Bill was in de ogen van de CLRC een vitaal element van het delict. Het kwam in de plaats van het vereiste in s. 1(1) van de Larceny Act 1916 dat de verdachte het desbetreffende goed “fraudulently and without a claim of right made in good faith” neemt. De vraag of iets dishonest is, leek de CLRC makkelijker te beantwoorden door juryleden dan de vraag of iets fraudulent is. Het woord dishonestly kon waarschijnlijk zonder definitie, maar er werd toch gekozen voor een definitie om twee oude regels te bewaren. De eerste was dat een “claim of right made in good faith” geen oneerlijkheid als vereist voor theft oplevert. Deze regel werd in andere woorden vastgelegd in s. 2(1) (a) van de Draft Bill.2 De tweede was de regel van s. 1(2)(d) van de Larceny Act 1916, inhoudende dat een vinder van een goed niet schuldig kon zijn aan stealing, tenzij hij gelooft dat de eigenaar op redelijke wijze kan worden gevonden. Deze regel werd opgenomen in s. (2)(1)(b) van de Draft Bill.34
S. 2 van de Theft Act 1968 is uiteindelijk als volgt komen te luiden:
A person’s appropriation of property belonging to another is not to be regarded as dishonest
if he appropriates the property in the belief that he has in law the right to deprive the other of it, on behalf of himself or of a third person;5 or.
if he appropriates the property in the belief that he would have the other’s consent if the other knew of the appropriation and the circumstances of it; or.
(except where the property came to him as trustee or personal representative) if he appropriates the property in the belief that the person to whom the property belongs cannot be discovered by taking reasonable steps.
A person’s appropriation of property belonging to another may be dishonest notwithstanding that he is willing to pay for the property.”
Een echte definitie is dit niet. Wanneer één van de hierboven in s. 2(1) genoemde situaties zich voordoet, is geen sprake van oneerlijkheid, maar het omgekeerde is niet noodzakelijk het geval. Met andere woorden: het handelen van een verdachte moet niet als oneerlijk worden beschouwd om de enkele reden dat geen van de in het artikel genoemde situaties zich voordoet.6
De vraag of sprake is van oneerlijkheid is er een voor de jury.7 Wel heeft het Court of Appeal daarvoor wat handvatten gegeven. De standaardzaak wat betreft dishonesty is de zaak Ghosh.8 De zogenoemde Ghosh-test geldt voor zowel theft als andere delicten waarbij dishonesty een rol speelt en is ondergeschikt aan s. 2(1), dat wil zeggen dat de test pas hoeft te worden gedaan als s. 2(1) niet van toepassing is.9 De maatstaf bestaat uit twee delen. De jury moet eerst geïnstrueerd worden te beslissen:
“whether according to the ordinary standards of reasonable and honest people what was done was dishonest. If it was not dishonest by those standards, that is the end of the matter and the prosecution fails.”
Als het handelen van de verdachte oneerlijk was volgens de normen van redelijke en eerlijke mensen, komt de jury toe aan de vraag:
“whether the defendant himself must have realised that what he was doing was by those standards dishonest.”
De voornaamste kritiek op het concept van dishonesty – dat een rol speelt bij verschillende delicten uit de Theft Act, zoals theft en fraud – en deze test is de rechtsonzekerheid die zij met zich brengen. De CLRC nam aan dat dishonesty makkelijk herkend zou worden, maar dat lijkt niet het geval, met name niet in zaken waarmee rechters en jury’s minder bekend zijn, zoals fraudezaken.10 Daarbij lijken rechters en jury’s de neiging te hebben verschillend te oordelen in zaken die weinig van elkaar verschillen.11 In de literatuur wordt daarom wel de stelling ingenomen dat de begrippen dishonesty en “de normen van redelijke en eerlijke mensen” niet lijken te voldoen aan de eisen van art. 7 EVRM, inhoudende dat het recht toegankelijk en voorzienbaar moet zijn.12 Desalniettemin wordt aangenomen dat de andere elementen van theft (appropriation of property belonging to another), zelfs na de extensieve interpretatie van het bestanddeel appropriation in de zaken Gomez en Hinks, voldoende worden geacht om zeker te stellen dat het delict theft op zichzelf niet in strijd is met art. 7 EVRM.13 Wat daar ook van zij, door de reikwijdte die het begrip appropriation heeft gekregen in de jurisprudentie van het House of Lords, is het bestanddeel dishonestly misschien wel het kernbegrip van s. 1(1) geworden. Het antwoord op de vraag of sprake is van dishonesty zal vaak het verschil maken tussen een vrijspraak en een veroordeling.14
Op de betekenis van dishonesty zal later, in het kader van deception en fraud, nog uitgebreid worden teruggekomen.