De systematiek van de vermogensdelicten
Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/5.3.4.5:5.3.4.5 Intention of permanently depriving the owner
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/5.3.4.5
5.3.4.5 Intention of permanently depriving the owner
Documentgegevens:
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
CLRC 1966, par. 56-58. Dit voorstel is grotendeels overgenomen in s. 12 van de Theft Act 1968. Overigens is ook voor een veroordeling wegens s. 11(1) van de Theft Act 1968, waarin ‘the removal of articles from places open to the public’ is strafbaar gesteld, geen intentie om permanent te ontnemen vereist.
Ormerod & Williams 2007, par. 2.326-2.330 en Horder 2016, p. 398-399.
Ormerod & Williams 2007, par. 2.331-2.334.
Ormerod & Williams 2007, par. 2.335-2.337.
D. Ormerod en D.H. Williams, Smith’s Law of Theft, 2007, par. 2.340.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Larceny Act 1916 eiste in s. 1(1) dat sprake moest zijn van een intentie om de eigenaar zijn goed permanent te ontnemen. Daarom leverde een tijdelijke ontneming van een goed geen stealing op. De CLRC heeft een aanpassing van de wet op dit punt overwogen maar was uiteindelijk tegen een strafbaarstelling van tijdelijke ontneming van een goed omdat zij van mening was dat de intentie om het goed terug te geven, zelfs na lange tijd, de handeling essentieel anders maakt dan stealing. Ook leken tijdelijke ontnemingen van goederen niet echt voor serieuze problemen te zorgen en kon strafbaarstelling volgens de CLRC onwenselijke sociale consequenties hebben. Wel stelde de commissie strafbaarstelling voor van tijdelijke ontneming van voer- en vaartuigen.1 De voorstellen van de CLRC zijn in de Theft Act 1968 overgenomen. S. 1(1) van de Theft Act eist nog steeds een intentie om permanent te ontnemen. Het is niet nodig dat daadwerkelijk sprake is van een permanente ontneming. De intentie daartoe is voldoende, zodat een verdachte die niets van zijn gading aantreft en met lege handen vertrekt, veroordeeld kan worden wegens een poging tot theft.2
Hoewel de CLRC het niet had voorgesteld, heeft de regering in s. 6 het werkingsgebied van de intentie om permanent te ontnemen enigszins opgerekt:
A person appropriating property belonging to another without meaning the other permanently to lose the thing itself is nevertheless to be regarded as having the intention of permanently depriving the other of it if his intention is to treat the thing as his own to dispose of regardless of the other’s rights; and a borrowing or lending of it may amount to so treating it if, but only if, the borrowing or lending is for a period and in circumstances making it equivalent to an outright taking or disposal.
Without prejudice to the generality of subsection (1) above, where a person, having possession or control (lawfully or not) of property belonging to another, parts with the property under a condition as to its return which he may not be able to perform, this (if done for purposes of his own and without the other’s authority) amounts to treating the property as his own to dispose of regardless of the other’s rights.”
Voor s. 6(1) lijkt een intentie om het goed voor zichzelf te houden niet voldoende. Dat zou niets toevoegen aan appropriation. De woorden ‘dispose of’ zijn cruciaal en betekenen iets als beschikken over of ontdoen van. Onder s. 6(1) lijken over het algemeen ook te vallen die gevallen waarin een eigenaar zijn goed niet terugkrijgt, tenzij aan een bepaalde voorwaarde is voldaan.3 Dat is bijvoorbeeld het geval als de verdachte aanbiedt het goed tegen betaling terug te geven. S. 6(1) ziet verder op gevallen waarin een verdachte iets leent van een ander, maar het pas teruggeeft als het goed zijn waarde heeft verloren, bijvoorbeeld een batterij die inmiddels leeg is of een seizoensticket dat na het seizoen wordt teruggegeven. Hetzelfde geldt voor die gevallen waarin een verdachte in het bezit is van het goed van een ander en het uitleent aan een derde. Als de verdachte weet dat het gevolg zal zijn dat de ander het goed nooit meer terug zal krijgen, heeft hij de intentie om permanent te ontnemen.4
S. 6(2) ziet op gevallen waarin een verdachte, in het bezit van een goed van een ander, dit goed verpandt. Ook als de verdachte de intentie heeft om de schuld in te lossen en het goed terug te krijgen, is hij schuldig aan theft als hij weet dat hij mogelijk niet zal kunnen doen.5