Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/6.11.2
6.11.2 'Kwijtschelding' in het fiscale recht
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS447326:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De Wet Inkomstenbelasting 1964 is in 2001 herzien. Het voormalige art. 8 lid 1 onder c Wet IB 1964 is thans art. 3.13 lid 1 onder a Wet IB 2001. Afgezien van een gewijzigde nummering heeft het artikel geen inhoudelijke wijzigingen ondergaan.
Hierna ook: art. 3.13 Wet IB.
Indien een faillissement eindigt door een akkoord, kan de schuldeiser de omzetbelasting terugvorderen die valt onder het 'prijsgegeven' deel van de vordering. De schuldenaar diende tot 2003 de door hem reeds in vooraftrek gebrachte omzetbelasting over de niet-voldane gedeelten van de vorderingen op grond van art. 29 Wet OB integraal aan de fiscus terug te betalen. In de rechtspraktijk belemmerde deze voorwaarde de totstandkoming van akkoorden. Per 1 januari 2003 is art. 22 Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 aangepast (Stcrt. 2002, 216, p. 11) en hierdoor kan bij een akkoord ook gedeeltelijke kwijtschelding van de correctie vooraftrek omzetbelasting plaatsvinden. Zie hierover o.m. Van Oers, Wijziging uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 per 1 januari 2003, Tvl 2003/1, p. 13 e.v en Van Oers, De doorstart van een NV/BV bij insolventie, Fiscale monografieën, 2007, p. 53 e.v.
Een ondernemer die zich niet van een rechtspersoon bedient.
De fiscale consequenties van omzetting van vorderingen in aandelen of converteerbare obligaties zullen niet nader worden besproken. Verwezen wordt o.m. naar Bobeldijk, Fiscale aspecten van de omzetting van afgewaardeerde vorderingen, O&F 2006, nr. 72, p. 8 e.v en Van Oers, De doorstart van een NV/BV bij insolventie, Fiscale monografieën, 2007, hoofdstukken 3 en 5.
Hierbij dient te worden opgemerkt dat het verkregen voordeel slechts beperkt van belasting is vrijgesteld. Op grond van art. 3.13 lid 1 onder a Wet IB dienen eerst de aanwezige compensabele verliezen met het voordeel te worden verrekend. Het bedrag dat hierna resteert, is van de winst vrijgesteld.
Art. 3.13 lid 1 onder a Wet IB 20011 luidt als volgt:
"Tot de winst behoren niet:
a. voordelen verkregen door het prijsgeven van niet voor verwezenlijking vatbare rechten door schuldeisers, voorzover de voordelen de som van het verlies uit werk en woning dat overigens mocht zijn geleden en de volgens afdeling 3.13 te verrekenen verliezen uit het verleden overtreffen;"
In art. 3.13 lid 1 onder a Wet IB 2001 wordt de zogenaamde kwijtscheldingswinstregeling verwoord.2Art. 3.13 Wet IB dient te worden gelezen in samenhang met art. 3.8 Wet IB.3 Art. 3.8 Wet IB bepaalt immers dat winst het bedrag is van de gezamenlijke voordelen die onder welke naam en in welke vorm ook worden verkregen uit onderneming. Indien een ondernemer wordt 'vrijgesteld' van een verplichting, dan is dit een voordeel dat in beginsel fiscaalrechtelijk bezien tot de winst behoort.4 Deze winst is in beginsel belast, tenzij het verkregen voordeel uit onderneming valt onder één van de uitzonderingen gegeven in art. 3.13 Wet IB. Indien in een akkoord is bepaald dat schuldeisers slechts een gedeelte van hun vorderingen voldaan krijgen, is in fiscaal opzicht sprake van een voordeel in de zin van art. 3.8 Wet IB en derhalve sprake van winst.5 De ondernemer/ schuldenaar is immers niet langer gehouden zijn volledige verplichtingen jegens zijn schuldeisers na te komen. Het voordeel dat de ondernemer/ schuldenaar verkrijgt, omdat hij op grond van het akkoord slechts een gedeelte van de vorderingen behoeft te voldoen, kan onder bepaalde voorwaarden van de winst in de zin van art. 3.8 Wet IB zijn vrijgesteld. Aan welke voorwaarden dient dan te zijn voldaan? Art. 3.13 lid 1 onder a Wet IB eist dat de vordering door de schuldeiser is prijsgegeven en dat de prijsgegeven vordering niet langer voor verwezenlijking vatbaar is.6 Op deze twee voorwaarden wordt in de hierna volgende paragrafen nader ingegaan. Allereerst zal het prijsgevingselement worden besproken, vervolgens wordt de voorwaarde dat de vordering niet langer voor verwezenlijking vatbaar is aan de orde gesteld.