Einde inhoudsopgave
Re-integratie zieke werknemer (MSR nr. 66) 2014/2.7.1
2.7.1 Loondoorbetaling
mr.dr. G.A. Diebels, datum 24-09-2014
- Datum
24-09-2014
- Auteur
mr.dr. G.A. Diebels
- JCDI
JCDI:ADS582789:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Rechtswetenschap / Algemeen
Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid / Re-integratie
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie uitgebreid B. Hoogendijk, De loondoorbetalingsverplichting gedurende het eerste ziektejaar (diss), Gouda Quint: Rotterdam 1999. Hermans behandelt de verenigbaarheid van dit stelsel met internationale verdragen, K.H. Hermans, De WW en nieuwe sociale risico’s. Internationaalrechtelijke grenzen aan hervormingsvoorstellen, (diss.), Kluwer: Deventer 2014, p.165-176 en 179-180.
Van der Grinten, p.108.
Kamerstukken II 1995/96, 24 439, nr.6, p.74 en Kamerstukken I 1995/96, 24 439, nr.134b, p.48, Hof Den Haag 19 april 2011, JAR 2011/151, Ktr. Leiden 18 augustus 1999, JAR 1999/199.
Ktr. Utrecht 7 juli 2008, LJN BD6492, Ktr. Deventer 8 september 2006, LJN AY9274, Ktr. Heerlen 4 juli 2001, LJN AD8203, Ktr. Tilburg 18 mei 2005, JAR 2006/77, Hof Arnhem 27 juni 2006, LJN AY5993, Ktr. Leiden 18 augustus 1999, JAR 1999/199, Ktr. Maastricht 31 augustus 2005, JAR 2005/ 226 (anders voor plastische chirurgie: Ktr. Middelburg 8 juli 2012, JAR 2012/217, m.nt. C.S. Kehrer- Bot), impliciet in Ktr. Den Bosch 13 maart 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:2417.
Ktr. Amersfoort 12 december 2001, JAR 2002/34, Ktr. Gouda 23 augustus 2007, JAR 2007/237, Ktr. Heerlen 3 januari 2007, JAR 2007/27, Ktr. Middelburg 8 juli 2012, JAR 2012/217, m.nt. C.S. Kehrer- Bot.
Ktr. Sittard-Geleen 20 juli 2009, JAR 2009/211. Kritisch: Loonstra/Zondag, p.578 aangezien het wettelijk criterium opzettelijk veroorzaakte arbeidsongeschiktheid is en niet bewuste roekeloosheid.
De strenge norm betekent dat ook het loon bij arbeidsongeschiktheid, veroorzaakt door gevaarlijke, domme, roekeloze of illegale privégedragingen door de werkgever moet worden doorbetaald. Dit is een uitvloeisel van het zogeheten ‘risque social’.
Resp. HR 14 maart 2008, ECLI:HR:2008:BC6699, Hof Arnhem 27 juni 2006, LJN AY5993 en Ktr. Tilburg 18 mei 2005, JAR 2006/77.
Kamerstukken II 1995/96, 24 439, nr.11. Volgens Sparrius bereikt deze regeling dat doel niet, p.147.
Hof Arnhem 9 november 2004, JAR 2005/81 is een voorbeeld van die ruime uitleg; zie ook J.M. van Slooten, T&C Arbeidsrecht, p.56-57 voor meer jurisprudentie. Volgens HR 20 maart 1981, NJ 1981, 507 en HR 2 november 1984, NJ 1985, 192 kan het verzwijgen van een relevante kwaal onder omstandigheden zelfs reden zijn voor een ontslag op staande voet. Van der Grinten stelt dat verzwijging tot gevolg kan hebben dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de werknemer zich beroept op het recht op loondoorbetaling (p.109).
Art. 64 lid 1 WIA.
De formulering van art. 7:629 lid 3 aanhef en sub f BW is niet helemaal precies. De werknemer moet de WIA-aanvraag uiterlijk na 91 weken indienen. Als hij te laat is zou het recht op loon al meteen vervallen, hoewel de wachttijd nog niet volledig is afgerond en ongeacht of de werknemer schuld heeft aan het te laat indienen. Het verval van het recht op loon moet echter in samenhang worden gezien met art. 7:629 lid 11 onder a BW, zie ook Van der Grinten, p.112.
Art. 7:629 lid 7 BW. Loonstra/Zondag (p.569-570) menen dat kan worden verdedigd dat lid 7 ook toepassing heeft buiten gevallen van ziekte, zoals bijvoorbeeld als vast komt te staan dat de werknemer niet ziek is. Het ontvallen van het recht op loon op basis van art. 7:627 BW zou dus ook onverwijld moeten worden gemeld.
HR 22 februari 2002, LJN AD9430. Overigens is niet van belang welke woorden de werkgever precies gebruikt, HR 15 november 2002 LJN AE7349.
Art. 7:629 lid 2 jo. lid 13 BW.
Art. 23 lid 6 WIA.
Art. 7:629 lid 9 BW. Letterlijk is alleen de mogelijkheid opengelaten twee wachtdagen overeen te komen. Onder het mom van ‘wie het meerdere mag, mag ook het mindere’ is één wachtdag eveneens toegestaan. Een werknemer die zich gedurende de werkdag ziek meldt heeft -weer naar de letter- over die hele dag geen recht op loon, ook al heeft hij wel een aantal uren gewerkt.
Van der Grinten, p.115.
Art. 7:629 lid 11 BW.
Art. 7:629 lid 1 BW, dat verwijst naar art. 17 lid 1 Wet Financiering Sociale Verzekering (Wfsv).
Art. 7:629 lid 8 BW jo. art. 7:628 lid 3 BW.
Ongeveer 98% van alle werknemers krijgt in de eerste twee jaar van ziekte in totaal 170% doorbetaald, CBP 2014, p.6, noot 3.
Art. 7:629 lid 5 BW, zie bijv. Ktr. Tilburg 21 december 2011, JAR 2012/60, kritisch besproken door E.H. van Stigt Thans, ‘Verrekening ex artikel 7:629 lid 5 BW’, ArbeidsRecht 2013/17.
Art. 7:629 lid 5 BW, zie bijv. Ktr. Amersfoort 22 maart 2000, JAR 2000/90.
Hermans, p.167. Kok/Heyma/Lammers hanteren ook 80%, p.14.
Als een CAO dwingt tot betaling van een aanvulling boven 70% lijkt mij het niet toegestaan de verzekeringspremie voor het bovenwettelijke deel bij de werknemer te leggen. Dat is alleen anders als de werkgever onverplicht kiest voor een aanvulling.
De werknemer die de bedongen arbeid niet verricht omdat hij arbeidsongeschikt is wegens ziekte of gebrek houdt niettemin 104 weken lang recht op een deel van het loon.1 De aard en oorzaak van de arbeidsongeschiktheid doen er niet toe. Of de werknemer lichamelijke of psychische klachten heeft en of die werkgerelateerd zijn, privé of multicausaal: er bestaat in beginsel jegens de werkgever aanspraak op loondoorbetaling bij ziekte. Aanspraak op een betaling ongeacht de oorzaak wordt ‘risque social’ genoemd. Het recht op loondoorbetaling bestaat alleen als de werknemer ook recht op loon zou hebben als hij niet arbeidsongeschikt zou zijn geweest. Als een werknemer op een andere grond geen loon toekomt, bijvoorbeeld een werknemer die in voorlopige hechtenis is genomen (geen arbeid, geen loon) en hij wordt nadien arbeidsongeschikt, dan ontstaat daarmee niet alsnog recht op loon.2
Het wettelijke recht op loondoorbetaling bij ongeschiktheid wegens ziekte bestaat niet in een aantal gevallen:3
Als de ziekte door de opzet van de werknemer is veroorzaakt of het gevolg is van een gebrek waarover hij bij een aanstellingskeuring valse informatie heeft verstrekt, waardoor de toetsing aan belastbaarheidseisen niet juist kon worden uitgevoerd.
Hoewel de wetgever hier de term ‘ziekte’ gebruikt, zal ‘arbeidsongeschiktheid’ zijn bedoeld. Als een werknemer opzettelijk ziekte veroorzaakt, maar daardoor toch niet arbeidsongeschikt is, komt artikel 7:629 BW namelijk helemaal niet in beeld. Van opzettelijk veroorzaakte ziekte zal niet vaak sprake zijn. Het gaat namelijk niet om ziekte die is ontstaan door schuld of riskant (of zelfs opzettelijk risicovol) gedrag: de opzet van de werknemer moet er op gericht zijn geweest om zijn ziekte te veroorzaken.4 Zo is geen opzettelijk veroorzaakte ziekte aangenomen bij een cocaïneverslaving, het opzettelijk door de werknemer manipuleren van veiligheidsvoorzieningen waarna een arbeidsongeval plaatsvond noch een daaropvolgende zelfmoordpoging, meerijden met een dronken automobilist zonder rijbewijs waarna een ongeval plaatsvond, zelf dronken rijden, ondanks herhaalde blessures blijven zaalvoetballen, sterilisatie, plastische chirurgie en een geslachtsveranderende operatie.5 Sommige Kantonrechters hebben opzet aangenomen bij arbeidsongeschiktheid als gevolg van dronken rijden, alcohol- en drugverslaving, een arbeidsconflict rond nevenwerkzaamheden of een cosmetische ingreep.6 Volgens Kantonrechter Sittard-Geleen kwam een werknemer geen loon toe nadat hij in woede met zijn vuist tegen een muur sloeg, waardoor hij een middenhandsbeentje brak. Dat was volgens de rechter bewust roekeloos.7 Het wettelijke criterium is echter strenger: het moet gaan om gedragingen, met het oogmerk ziek te worden. Alleen als daar sprake van is, vervalt het recht op loon tijdens ziekte.8 Schuld of risicovol gedrag kunnen wel leiden tot verval van het recht op bovenwettelijk loon, bijvoorbeeld omdat dat is overeengekomen of omdat een bovenwettelijke aanspraak vanwege de schuld van de werknemer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.9
Het verstrekken van valse informatie bij een aanstellingskeuring leidt niet vaak tot het weigeren van loondoorbetaling. In de wetsgeschiedenis is uitgemaakt dat de werknemer mag zwijgen over medische aspecten die niet relevant zijn voor de functie, om op die manier risicoselectie te voorkomen.10 Een ruime uitleg van deze wetsbepaling kan inhouden dat een werknemer die een relevante kwaal verzwijgt waardoor hij ongeschikt is voor zijn functie, geen recht heeft op loon vanwege arbeidsongeschiktheid ten gevolge van die kwaal.11 De Wet op de Medische Keuringen regelt in welke gevallen een aanstellingskeuring is toegestaan en hoe die verloopt. Daarin staat dat onder meer dat alleen de aspirant-werknemer, dus de laatste overgebleven sollicitant, mag worden gekeurd, maar alleen voor bijzondere medische eisen die de functie stelt.
Geen recht op loondoorbetaling bij ziekte bestaat voor de tijd dat de genezing van de werknemer door zijn toedoen wordt belemmerd of vertraagd.
De arbeidsongeschikte werknemer verliest zijn recht op loon als hij bijvoorbeeld geen medische behandeling ondergaat en de genezing daardoor wordt belemmerd of vertraagd. In § 6.4 bespreek ik dit genezingsvoorschrift uitgebreider. Ook hier lijkt namelijk de terminologie (met gebruik van het woord ‘genezing’) niet zorgvuldig.
Het zonder deugdelijke grond niet verrichten van passende arbeid bij de werkgever of een derde, hoewel hij daartoe in staat is; het niet meewerken aan redelijke voorschriften van of namens de werkgever; het weigeren mee te werken aan maatregelen die hem in staat stellen om passende arbeid te verrichten en het weigeren mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak, leiden tot verval van het recht op loon.
Deze bepaling is bedoeld om de werknemer te prikkelen mee te werken aan re-integratie. Het weigeren wordt bestraft met het verval van het recht op loon. In § 6.9 en 6.13 wordt dieper op dit re-integratievoorschrift ingegaan.
Als de werknemer zijn aanvraag voor een WIA-uitkering zonder deugdelijke grond later indient dan wettelijk voorgeschreven.
Hiermee wordt bedoeld dat de WIA-aanvraag niet uiterlijk 13 weken voor afloop van de wachttijd van 104 weken is ingediend.12 De aanvraag is dan te laat, zodat de werkgever ook na 104 weken moet doorbetalen. Die verlengde loondoorbetalingsverplichting geldt echter niet als het te laat aanvragen is veroorzaakt door de werknemer. Het verval van zijn recht op loon heeft daarmee betrekking op de verlengde loondoorbetalingsperiode.13
Procedureel geldt dat een werkgever alleen een beroep kan doen op een van deze gronden om geen loon te betalen als hij de werknemer daarvan onverwijld in kennis heeft gesteld, nadat bij hem het vermoeden van het bestaan van die reden is gerezen of redelijkerwijs had behoren te rijzen (onverwijldheidseis).14 De gedachte daarachter is dat de redelijkheid met zich meebrengt dat een werkgever zo snel mogelijk duidelijkheid geeft of hij een weigeringsgrond voor de loondoorbetaling bij ziekte ziet. De werknemer kan zich dan op dat standpunt voorbereiden en desgewenst maatregelen treffen. De Hoge Raad is strikt in de toepassing van die regel: wordt niet onverwijld meegedeeld dan kan de werkgever geen beroep meer doen op die grond.15
Uitgangspunt voor de duur van de loondoorbetaling bij ziekte is een periode van 104 weken. In een aantal gevallen is die periode korter, in een aantal gevallen langer. Zo geldt voor werknemers die doorgaans op minder dan vier dagen per week uitsluitend of nagenoeg uitsluitend diensten verrichten in de huishouding van een natuurlijk persoon (waaronder ook wordt verstaan het verlenen van zorg aan de leden van dat huishouden) maar een doorbetalingsperiode van zes weken.16 Als een werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is dan bestaat voor hem de mogelijkheid een aanvraag in te dienen om al na 13 weken loondoorbetaling in aanmerking te komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering.17Werknemers die in zó’n mate arbeidsongeschikt zijn dat geen herstel meer te verwachten is, hoeven ook niet meer te worden gere-integreerd. Het door laten lopen van de loondoorbetalingsverplichting is dan geen prikkel meer voor de werkgever zodat het redelijk is de werknemer onder een sociaal vangnet te laten vallen. De loondoorbetalingsverplichting voor de werkgever eindigt in dat geval, met uitzondering van bovenwettelijke aanspraken. Als op basis van cao of arbeidsovereenkomst meer wordt betaald dan de minimale wettelijke loondoorbetaling, blijft de werkgever namelijk verplicht tot het einde van de wachttijd het meerdere te betalen. De periode van 104 weken kan ten slotte nog worden bekort door in de arbeidsovereenkomst of een cao op te nemen dat per ziekteperiode de eerste dag of de eerste twee dagen geen recht op loon bestaat.18 Het betreft hier de zogenaamde wachtdagen. Voor het begrip ziekteperiode geldt dat ziektes die elkaar binnen vierweken opvolgen, moeten worden samengeteld. Dat houdt in dat dan niet opnieuw wachtdagen mogen worden ingehouden én dat moet worden doorgeteld naar 104 weken. Het maakt daarbij niet uit of de nieuwe ziekteperiode voortvloeit uit dezelfde oorzaak of uit een andere. Is de onderbreking vierweken of langer dan gaat een nieuwe ziekteperiode lopen: opnieuw zijn wachtdagen mogelijk en opnieuw bestaat de loondoorbetalingsverplichting gedurende 104 weken.19
De loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte is soms langer dan 104 weken.20 Ik noemde eerder al het te laat indienen van de aanvraag voor een WIA-uitkering door de werknemer. Een andere situatie is als het UWV bij een tijdige aanvraag van de WIA-uitkering de conclusie trekt dat de werkgever te weinig aan re-integratieactiviteiten heeft verricht. De loondoorbetaling kan dan met maximaal 52 weken worden verlengd. Ten slotte bestaat nog de mogelijkheid dat werkgever en werknemer gezamenlijk besluiten de periode van loondoorbetaling te verlengen. Daartoe kunnen zij een verzoek indienen bij het UWV.21
De hoogte van de loondoorbetaling tijdens ziekte is beperkt. De werknemer behoudt het recht op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon, maar tijdens het eerste jaar ten minste op het voor hem geldende wettelijk minimumloon. Als 70% van het toekomende loon onder het minimum loon zou komen, dan heeft de zieke werknemer in het eerste ziektejaar toch recht op ten minste het minimumloon. De aanspraak in het tweede ziektejaar kan minder zijn dan het minimumloon, met als ondergrens 70% daarvan. Een andere beperking is dat het recht op 70% van het loon behouden blijft voor zover dat niet meer bedraagt dan het maximum dagloon, dat in het kader van de sociale verzekeringen wordt vastgesteld.22 Niet alleen naar tijdruimte vastgesteld loon moet worden doorbetaald, maar ook variabel loon. De hoogte daarvan wordt gesteld op het gemiddelde loon dat de werknemer gedurende zijn ziekteperiode had kunnen verdienen, als hij niet ziek zou zijn geweest.23 Het is niet ongebruikelijk de aanspraken in de arbeidsovereenkomst of in een toepasselijke cao te verruimen door aan te sluiten bij het daadwerkelijke loon (dus los van het maximum dagloon) én door loondoorbetaling toe te kennen naar een hoger percentage dan 70%. Vrij gebruikelijk is het om aan een werknemer in het eerste ziektejaar 100% door te betalen en in het tweede ziektejaar 70%.24
Op de loondoorbetaling komt in mindering het bedrag van uitkeringen dat aan de werknemer toekomt en inkomsten die de werknemer heeft ontvangen voor verrichtte werkzaamheden, gedurende de tijd dat hij, als hij niet arbeidsongeschikt zou zijn geweest, de bedongen arbeid had kunnen verrichten.25 Een voorbeeld hiervan is dat een werknemer arbeidsongeschikt is vanwege orgaandonatie. In die situatie ontvangt hij een Ziektewetuitkering van 100% van het maximum dagloon. Verdient hij meer dan het maximum dagloon, dan hoeft de werkgever slechts het meerdere loon door te betalen. Als de werknemer tijdens ziekte niet de bedongen arbeid kan verrichten maar in het kader van re-integratie wel ander werk bij een andere werkgever, dan komt het loon dat daarvoor door die derde wordt betaald in mindering op de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever.26
Ten slotte heeft het financiële risico dat de loondoorbetalingsplicht bij ziekte met zich meebrengt ervoor gezorgd dat een groot deel van de werkgevers daarvoor een private verzuimverzekering heeft afgesloten. Ongeveer 80% van de werkgevers heeft zich herverzekerd, waardoor de loondoorbetaling van ongeveer 50% van de werkende bevolking wordt gedekt.27 Verschillende varianten worden aangeboden, bijvoorbeeld volledige dekking van de kosten van elk ziektegeval, dekking van het loondoorbetalingsrisico per ziektegeval dat langer dan bijvoorbeeld zes weken duurt (eigenrisicoperiode) of de stop loss-verzekering, waarbij de verzekeraar alle loonkosten bij ziekte boven een bepaalde grens betaalt (eigenrisicobedrag). De werkgever kan de premie voor de verzekering niet verhalen op de werknemer aangezien hij dan zou betalen voor een risico dat de werkgever wettelijk moet dragen. Alleen de premie voor verzekering van het bovenwettelijk deel zou in sommige gevallen bij de werknemer te leggen zijn.28