Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/11.2:11.2 Het vertrekpunt: het arrest Lindenbaum/Cohen (1919)
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/11.2
11.2 Het vertrekpunt: het arrest Lindenbaum/Cohen (1919)
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233742:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 31 januari 1919, ECLI:NL:HR:1919:AG1776, NJ 1919, p. 161.
Zie recent Hartlief 2019, p. 18-20.
Zie bijv. recent Hoekzema en Oldenhuis 2019.
Zie bijv. recent Hartlief 2019, p. 21.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het arrest Lindenbaum/Cohen is, samen met het in hoofdstuk 6 van dit onderzoek besproken arrest Guldemond/Noordwijkerhout, een van de belangrijkste arresten in de geschiedenis van de Hoge Raad.1 De aanleiding voor dit arrest was een geschil tussen de heren Lindenbaum en Cohen over het delen van bedrijfsinformatie. Lindenbaum dreef een handelsdrukkerij. Cohen was een concurrent en had een werknemer van Lindenbaum met giften en beloftes ertoe bewogen om vertrouwelijke informatie over Lindenbaums bedrijfsvoering te delen. Daarbij ging het om informatie over offertes en bestellingen van klanten. De vraag was of Cohen, door zijn giften en beloftes aan een werknemer van een concurrent in ruil voor het delen van geheime bedrijfsinformatie, onrechtmatig had gehandeld. Het handelen Cohen was niet wettelijk verboden en maakte geen inbreuk op een recht van een ander. Volgens Cohen was van enig onrechtmatig handelen daarom geen sprake en kon hij niet aansprakelijk worden gesteld voor de door Lindenbaum gestelde schade.2
De Hoge Raad ging hier niet in mee en introduceerde daartoe de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm als derde onrechtmatigheidscategorie. Het handelen van Cohen was weliswaar niet bij wet verboden en maakte geen inbreuk op een recht van een ander, maar was wel in strijd met de zorgvuldigheid die hij in het maatschappelijke verkeer in acht had moeten nemen. Het handelen van Cohen had daarom volgens de Hoge Raad als onrechtmatig te gelden. Concreet betekende dit dat Cohen wel degelijk aansprakelijk kon worden gehouden voor Lindenbaums schade.
Het belang van dit oordeel voor de rechtspraktijk kan moeilijk worden overschat. Sinds Lindenbaum/Cohen staat vast dat een onrechtmatige daad niet alleen kan zijn gelegen in een inbreuk op een recht of een wettelijke plicht, maar ook in een handelen of nalaten in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijke verkeer in acht moet worden genomen. Deze erkenning van een derde onrechtmatigheidscategorie betekende een aanzienlijke uitbreiding van het aansprakelijkheidsrecht en had grote gevolgen voor de wettelijke systematiek.3 Sommige auteurs hebben zich afgevraagd of de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm niet de overheersende maatstaf is ten koste van de twee andere onrechtmatigheidscategorieën.4
Voor dit onderzoek is van belang dat de burgerlijke rechter de zorgvuldigheidsnorm ook is gaan toepassen in geschillen tegen de overheid. Door deze ‘publieke’ toepassing van de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm is het bereik van deze norm nog verder opgerekt.