Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/4.3.11
4.3.11 Kenmerken van originaire verkrijgingen
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS623501:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 4.3.7.
Uit de opmerking van H. Snijders, in Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 244: 'Slechts bij wijze van uitzondering kan de verkregen zaak nog belast worden met haar juridische voorgeschiedenis of kan de verkrijger van de zaak hiervan profiteren', mag niet worden afgeleid dat de originaire verkrijger in beginsel niets te maken heeft met de juridische voorgeschiedenis van het verkregen goed, aangezien het recht op het goed bij hem ontstaat en dus niet door overgang wordt verkregen. Dat het recht niet aan het recht van een voorganger wordt ontleend en het nemo plus-beginsel hierop niet van toepassing is, betekent niet dat de voorgeschiedenis en de daarbij spelende verhoudingen irrelevant zijn. Deze voorgeschiedenis is in veel bepalingen die onder de noemer originaire verkrijging worden gebracht, van het grootste belang voor het toekennen van het nieuwe recht.
Zie evenzo Wichers 2002, p. 307-308; Pitlo/Reehuis 2006, nr. 94; De Jong 2006, nr. 98. Vgl. Jansen 2005 (2007), p. 49 en Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006 nr. 192: 'Originaire verkrijging doet zich voor wanneer een recht wordt verkregen dat geheel nieuw is en dus niet onderworpen aan beperkingen die daarop door een eerdere rechthebbende zijn aangebracht.'
Zie Wichers 2002, hfd. 6. Zie ook Asser/Mijnssen/Van Velten 3-III 1994, nr. 61; Wammes 1988, p. 33.
Zie par. 4.3.1.
119.
Een vergelijking van de diverse originaire verkrijgingen levert de volgende kenmerken op van deze wijze van rechtsverkrijging. In alle gevallen wordt van rechtswege een nieuw recht toegekend, veelal op grond van een wettelijke bepaling. Wat betreft de aard van de betrokken goederen geldt dat de originaire verkrijgingen in beginsel betrekking hebben op zowel zaken ais vermogensrechten. Weliswaar zien de meeste originaire verkrijgingen op (eigendom van) zaken, maar originaire verkrijgingen zijn hiertoe niet noodzakelijk beperkt. Verjaring is in beginsel op alle goederen van toepassing en ook vruchttrekking is niet voorbehouden aan zaken, al doet de wettelijke regeling in sommige gevallen anders vermoeden.
De aanleiding voor een originaire rechtstoekenning is veelal een wijziging in de omstandigheden of de betrokken zaken die om een passende reactie vraagt. Zo kan een zaak van omvang of vorm veranderen door bijvoorbeeld natrekking, zaaksvorming of vruchttrekking en kan de positie van een bestaande zaak die feitelijk buiten het rechtsverkeer stond, wijzigen doordat deze in bezit wordt genomen of, na lange tijd verborgen te zijn geweest, wordt gevonden. Bij de verkrijgingen uit Boek 5 BW staan daarbij gevallen centraal, waarin het ongewijzigd voortbestaan van (eigendoms)rechten niet mogelijk is. Een zaak gaat teniet of wijzigt dusdanig dat deze ais (een onderdeel van) een nieuwe zaak in het rechtsverkeer gaat functioneren. De regel dat het einde van het bestaan van een zaak het einde van een recht meebrengt, roept onvermijdelijk de vraag op welke gevolgen de feitelijke verandering heeft voor de eigendom. De wettelijke bepalingen zijn nodig om te voorkomen dat de nieuwe zaken res nullii zijn, waaraan zonder het bestaan van toe-eigening als wijze van eigendomsverkrijging, geen eigendomsrechten kunnen worden verbonden en waarbij alleen art. 3:109 jo art. 3:119 BW een oplossing kan bieden. Deze originaire verkrijgingen geven in Boek 5 BW steeds een noodzakelijk antwoord op een zakenrechtelijk veranderde situatie.
Bij verkrijgende verjaring is het beeld enigszins afwijkend. Van een directe wijziging in de omstandigheden is geen sprake. Doordat meer tijd verstrijkt, wordt echter uiteindelijk de wens om bezit van en gerechtigdheid tot een goed met elkaar in overeenstemming te brengen, belangrijker dan het behoud van de bestaande status quo. Deze verandering in de afweging van belangen van betrokkenen en derden is de aanleiding voor het verlies en de verkrijging van rechten. Van een onmogelijke situatie is daarbij geen sprake. In beginsel kan de bezitter de feitelijke heerschappij blijven uitoefenen en een ander eigendom behouden. Op den duur is dit echter niet wenselijk. Een bezitter gedraagt zich ais eigenaar en het komt de rechtszekerheid ten goede ais de bezitter deze pretentie ook met recht heeft. De wet grijpt in een bestaande situatie in en verkrijgende verjaring brengt eigendom en bezit weer samen. Ook het ius tollendi geeft een niet noodzakelijke aanvulling op het overige goederenrecht. Bij afscheiding van een bestanddeel kan, analoog aan vruchttrekking en spiegelbeeldig aan art. 5:14 lid 1 BW, worden gesteld dat de eigenaar van de zaak waarvan het bestanddeel wordt afgescheiden, hiervan de eigendom verkrijgt.1De wetgever intervenieert en biedt door de wegneemrechten een alternatieve oplossing, die beter past bij de verhoudingen tussen betrokkenen.
De noodzaak of wens om te reageren op een gewijzigde omstandigheid geeft daarbij veelal richting aan de rechtstoewijzing die hierop volgt. Afhankelijk van de oorzaak van de wijziging en een afweging van betrokken belangen wordt in de diverse bepalingen een aanknopingspunt benoemd voor de toewijzing van de nieuwe (vervangende) rechten. Uit het hierboven gegeven overzicht blijkt dat bij de meeste originaire verkrijgingen de eigendomsverhoudingen ten aanzien van zaken die tenietgaan of blijven bestaan, beslissend zijn. Dit is het geval bij natrekking, vermenging, zaaksvorming op grond van art. 5:16 lid 1 BW, afscheiding en vruchttrekking zonder gebruiksrechten voor derden. Een tweede, niet geringe, groep bepalingen knoopt voor verkrijging aan bij bezit of feitelijke heerschappij: toe-eigening, vinderschap, schatvinding door de vinder en verkrijgende verjaring. Ten slotte zijn er specifieke aanknopingspunten: arbeid bij zaaksvorming op grond van art. 5:16 lid 2 BW, eigendom van indirect betrokken zaken bij schatvinding, het aan het aanbrengen van een zaak verbonden wegneemrecht bij het ius tollendi en een gebruiksrecht bij vruchttrekking door een ander dan de eigenaar van de hoofdzaak.
De rechten die op deze wijze worden verkregen, zijn steeds nieuw. Daarbij spelen de verhoudingen, zoals die bestonden vóór de originaire verkrijging, in veel gevallen een rol bij de beantwoording van de vraag wie de nieuwe rechthebbende wordt, zonder dat gezegd kan worden dat de verkregen rechten zijn afgeleid van de rechten van een voorganger.2
De omvang van de verkregen rechten verschilt en de stelling dat bij originaire verkrijgingen altijd onbezwaarde rechten worden verkregen, onderschrijf ik niet.3 Veelal leidt een originaire verkrijging tot een volledig, onbezwaard (eigendoms)recht. Door verjaring kunnen echter ook beperkte rechten worden verkregen en het is tevens mogelijk dat een recht ontstaat dat is bezwaard met een beperkt recht. Het bezit is de beslissende factor en de omvang van deze macht en het ontbreken van handhaafbare aanspraken van derden bepalen de omvang van het verkregen recht. In de meeste gevallen betreft dat bezit volledige en onbezwaarde rechten, maar een wet van Meden en Perzen is dit niet. Daarnaast verdedigt Wichers in haar proefschrift dat, bij toepassing van art. 5:14 lid 2 en 5:16 lid 1 BW, beperkte rechten die op een oorspronkelijke zaak rustten en een eigendomsvoorbehoud dat ten aanzien van een dergelijke zaak werd gemaakt, kunnen worden uitgeoefend op het aandeel in het nieuwe eigendomsrecht.4
Ten slotte wordt ook bij verkrijging door toe-eigening geopperd dat hierbij niet steeds volledige, onbezwaarde rechten worden verkregen, maar in plaats daarvan onder omstandigheden een recht dat reeds met een beperkt recht is bezwaard.5 Op originaire wijze kunnen dus zowel onbezwaarde, volledige rechten, beperkte rechten, als met beperkte rechten bezwaarde rechten worden verkregen.