Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/9.3.1
9.3.1 Het financieringssysteem van de rechtspraak
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174086:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Zie het Besluit financiering rechtspraak 2005. De tot dusver in deze paragraaf vermelde informatie is tevens afkomstig uit: Sterk & Van Dijk 2016; Kuhry & De Kam 2012, p. 155, 160, 162; Eshuis, De Heer-De Lange & Diephuis 2011, p. 177; Rechtspraak.nl: ‘Financieel akkoord met kabinet garandeert kwaliteit rechtspraak’ en ‘Financiering rechtspraak: acht vragen en antwoorden’, 14 maart 2013. Zie over financieel belang van rechtszaken: Van der Ploeg, Rohlfs & Van der Ham 2016. Overigens is vanwege de complexiteit van het bekostigingssysteem in 2015 een proef gestart met een eenvoudiger manier van financiering die het aantal zaakscategorieën terugbrengt tot acht. Deze bestaan uit administratieve zaken, vijf soorten zaken voor de enkelvoudige kamer (eenvoudige, lichte, standaard, complexe en bijzondere) en twee soorten voor de meervoudige kamer (een voor de rechtbank, een voor het hof) (Frissen e.a. 2014, p. 24).
Gegevens verstrekt door de Raad voor de rechtspraak.
Kuhry & De Kam 2012, p. 159, 160, 162.
Algemene Rekenkamer 2016, p. 9, 40.
Zie bijvoorbeeld de ervaringen van voormalig vicepresident Oskam in: Kas 2013. Zie ook paragraaf 2.4.
Brief Raad voor de rechtspraak aan medewerkers rechtspraak, 21 februari 2013 (gepubliceerd onder nieuwsbericht ‘Kwaliteit rechtspraak mag niet in het gedrang komen’).
Zie over de toekomstige financiering: Meerjarenplan van de Rechtspraak 2015-2020. In 2016 was de begrote bijdrage aan de rechtspraak van het ministerie van Veiligheid en Justitie circa 1072 miljoen, in 2017 circa 944 miljoen en in 2018 circa 923 miljoen euro (Kamerstukken II 2017-2018, 34 775 VI, nr. 2, p. 42).
De rechterlijke macht wordt bekostigd op basis van productie (output). Dat betekent dat de individuele gerechten per uitgebracht vonnis, arrest, uitspraak of beschikking betaald krijgen. Ook een tot stand gebrachte schikking tussen partijen leidt tot uitbetaling. Als partijen een zaak terugtrekken voor er uitspraak is gedaan, wordt er niet uitgekeerd.
Dit systeem heeft niet altijd bestaan: in het bekostigingsstelsel dat tot 2002 werd gehanteerd, was er geen directe relatie tussen het toegekende budget en het aantal behandelde zaken. In het stelsel van de daaropvolgende jaren was het verband tussen budget en productie beperkt. Sinds 2005 bepaalt de productie bijna volledig hoeveel een gerecht per uitspraak of schikking betaald krijgt. In het Besluit financiering rechtspraak 2005 is dit systeem uitgewerkt. De verdiensten voor een zaak hangen af van het soort gerecht dat uitspraak doet en het rechtsgebied van de zaak. Zo zijn er in totaal tien soorten zaken, productgroepen genoemd. De prijzen per productgroep zijn gemiddelden en komen tot stand door driejaarlijkse onderhandelingen tussen de Raad voor de rechtspraak en de minister van Veiligheid en Justitie op basis van, onder andere, de verwachte afdoening van zaken en ‘overwegingen van kwaliteit en doelmatigheid’ (artikel 12 Besluit). De Raad voor de rechtspraak ontvangt hiervoor van de wetgever jaarlijks een budget van bijna een miljard euro. De Raad verdeelt dit budget op zijn beurt onder de gerechten. Deze verdeling gebeurt in grote lijnen volgens de hierboven beschreven uitkering, alleen fijnmaziger, omdat er nu ruim 70 soorten typen zaken met bijbehorende prijzen worden vastgesteld, die zaakscategorieën worden genoemd.
Zaakscategorieën onderscheiden zich naar het soort gerecht dat de zaak behandelt (rechtbank, gerechtshof, Hoge Raad), naar rechtsgebied (handel, familie, bestuur, belasting, straf, kanton), naar ‘aard’ van de zaak (waaronder complexiteit), naar wijze van afdoening (meervoudig dan wel enkelvoudig; zie echter paragraaf 9.3.2) en naar verwachte tijdsduur van de afdoening. De vastgestelde kostprijs per zaakscategorie is het resultaat van een weging, gebaseerd op schattingen van de gemiddelde bewerkingstijd van zaken. Deze schattingen worden gemaakt op basis van onder meer tijdbestedingsonderzoek op de werkvloer en opinies van deskundigen. Gerechten die meer zaken afdoen maken hogere kosten, maar worden daar dus ook voor gecompenseerd. Meervoudige zaken zijn relatief duur, net als (andere) zaken die veel tijd kosten, zoals zaken met een enquête of descente.1
In bijlage D van deze studie zijn de gerealiseerde kostprijzen per zaakscategorie in de jaren 2015 en 2016 te vinden.2 Een regulier kantonvonnis in een arbeidszaak op tegenspraak kostte in 2016 bijvoorbeeld 1628 euro. De kostprijs van een enkelvoudig vonnis in een handelszaak op tegenspraak in de civiele afdeling bedroeg dat jaar 5241 euro; die van een arrest van het hof 6648 euro. De kosten voor een uitspraak in een strafzaak bedroegen bij de rechtbank in enkelvoudige kamer 679 euro en in de meervoudige kamer 8181 euro (en in het hof opvallend 3808 euro). Bestuursrechtelijke uitspraken bij de rechtbank kostten zo’n 2400 euro in een enkelvoudige zaak en 5899 euro in een meervoudige (alle in bodemzaken).3
De verschillen in kostprijs zijn dus aanzienlijk. De Algemene Rekenkamer stelde vast dat de prijsverschillen tussen vergelijkbare soorten zaken bij verschillende rechtsgebieden historisch zo zijn gegroeid en niet het resultaat zijn van een afweging tussen prijs en kwaliteit. Volgens de Rekenkamer staat gebrek aan goede informatie over de ontwikkeling van de kwaliteit van uitspraken en over de mogelijkheden voor doelmatigheidsverbetering deze afweging in de weg. Deze afweging is nodig, omdat een te lage prijs risico’s met zich mee kan brengen voor de zorgvuldige afhandeling van zaken. De vastgestelde prijzen beogen weliswaar geen normerende werking te hebben voor de afhandeling van individuele zaken, maar de hoogte van vergoedingen speelt in de praktijk soms een rol bij de beslissing om een zaak meervoudig of enkelvoudig te behandelen, zo stelt de Rekenkamer.4
Al geruime tijd wijzen rechters op de schadelijke gevolgen van de ‘productierace’ op de juridische kwaliteit van het rechterlijk werk, waarvan het frequenter enkelvoudig behandelen een symptoom is.5 Eind 2012 kwam het ongenoegen daarover tot uitbarsting, toen bijna dertig procent van de rechters en raadsheren hun handtekening zette onder een manifest met kritiek op de ervaren productiedruk en bevoogding door de Raad voor de rechtspraak en gerechtsbesturen. In dit Leeuwarder Manifest schreven zij dat de focus op kwantiteit ertoe heeft geleid ‘dat de kwaliteit zodanig onder druk is komen te staan dat veel zaken niet de aandacht kunnen krijgen die ze verdienen, en dat onverantwoorde keuzes worden gemaakt om aan de productie-eisen tegemoet te komen.’ De Raad voor de rechtspraak heeft hierna toegezegd te aanvaarden dat gerechten in de rode cijfers belanden, als blijkt dat zij ‘na alle mogelijke maatregelen te hebben genomen’ alleen zo in staat zijn de kwaliteit te handhaven.6 Dat de begroting tekorten gaat vertonen is niet helemaal denkbeeldig, aangezien de rechterlijke macht sinds 2016 structureel moet besparen en daarnaast de kosten zullen stijgen ten gevolge van investeringen in digitalisering en vereenvoudiging van rechtspraak.7