Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/3.8.2
3.8.2 Het verband tussen onafhankelijkheid en onpartijdigheid
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS501021:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
ECRM 12 december 1983, D&R 38, p. 18-43, § 33.
Vele auteurs zijn deze mening toegedaan, zie ook § 1.4 (hfdst. 1).
Demicoli, ECRM 15 maart 1990, appl. no. 13057/87, § 42.
ECRM 5 september 1995, appl. no. 22107/93, § 93.
Zie ook Veldt 1997, p. 42-45.
Zie in dezelfde zin De Werd 1996, p. 237. Volgens hem is onafhankelijkheid een organisatorisch gegeven (en het ontbreken daarvan per definitie een structurele omissie). Objectieve partijdigheid betreft volgens hem de objectieve schijn dat persoonlijke onpartijdigheid door een gebrek aan institutionele onafhankelijkheid niet aanwezig is (maar is geen structurele omissie volgens het Hof).
Zie ook De Waard 1987, p. 107-112.
Zie in dezelfde zin De Werd 1996, p. 239. Zie verder § 3.8.4.
In Bramelid & Malmström expliciteert de Commissie eenmalig het verband tussen rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid: ‘The Commission observes that there is a functional relationship between independence and impartiality, the former being essentially a precondition to the latter.’1 Dat is een opvallende overweging, niet zozeer vanwege de inhoud,2 maar omdat Commissie, noch Hof dit verband andermaal expliciet op deze wijze heeft omschreven. Toch is het goed mogelijk dat deze gedachte impliciet aan veel oordelen ten grondslag ligt. Immers, als onafhankelijkheid een voorwaarde is voor onpartijdigheid, dan kan een lichaam dat niet onafhankelijk is dus ook niet onpartijdig zijn. Dit kan er op duiden dat men soms van mening is dat puur op grond van het oorzakelijk verband zowel de onafhankelijkheid als de onpartijdigheid in het geding zijn (wat nog niet wil zeggen dat het om hetzelfde gaat) en men daarom geen onderscheid tussen beide maakt. De volgende overweging van de Commissie geeft hiervan blijk:
‘The concept of ‚impartiality‛ is difficult to dissociate from that of independence. Without considering the personal prejudice or subjective aspect, a body which fails to offer the requisite guarantees of independence will often fail at the same time to satisfy the objective test of impartiality, namely, that there are guarantees to exclude any legitimate doubt as to the impartiality of the body. This is so in the present case.’3
De Commissie herhaalt deze redenering in iets andere vorm in Findlay:
‘As to whether these bodies satisfy the objective test of impartiality, the Commission recalls that this concept and that of independence are frequently difficult to dissociate. Furthermore, the Commission also recalls that in certain cases the link between the concepts of independence and objective impartiality are such that if a tribunal fails to offer the requisite guarantees of independence it will not satisfy the test for objective impartiality. The Commission finds that such a link exists in the present case, concerned as it is with the issue of the structure and internal organisation of the court-martial system.’ (niet-curs. PvdE)4
Dus een instantie die niet onafhankelijk is, is in bepaalde gevallen (‘certain cases’) daarom ook niet onpartijdig. Maar men mag niet uit het oog verliezen dat het omgekeerde niet geldt: als een gerecht onafhankelijk is, betekent dat nog niet dat de leden ook onpartijdig zijn. Bovendien hoeft partijdigheid niet per se het gevolg te zijn van afhankelijkheid, maar kan een rechter ook op een andere grond partijdig zijn, bijvoorbeeld omdat hij een eigen belang in de uitkomst van de zaak heeft.5
Het Hof heeft dit oorzakelijk verband daarentegen nimmer geëxpliciteerd. Het volstaat met de opmerking dat de begrippen onafhankelijkheid en objectieve onpartijdigheid nauw verbonden zijn en daarom samen worden beoordeeld. Waarom zij nauw verbonden zijn, blijft in het midden. Gezien het voorgaande ligt het voor de hand dat ook het Hof in die gevallen meent dat zowel de onafhankelijkheid als de onpartijdigheid in het geding zijn op grond van het oorzakelijk verband tussen beide. Dit lijkt het geval te zijn in zaken over diverse militaire gerechten, waar in elk geval de militaire rechters van het tribunaal niet onafhankelijk zijn van de uitvoerende macht (onder meer van de Minister van Defensie) en daarom evenmin objectief onpartijdig zijn (defensie heeft er immers belang bij dat de militairen en burgers die berecht worden ter zake van overtreding van het krijgsrecht worden veroordeeld). In alle zaken waarin de rechterlijke instantie afhankelijk is van (een orgaan van) de uitvoerende macht en de uitvoerende macht tevens partij is in de zaak (zoals bij administratieve rechtspraak) vallen de afhankelijkheid en partijdigheid van het gerecht samen.
De termen structural/objective impartiality en structural independence verraden waar de samenhang tussen de onafhankelijkheid en onpartijdigheid volgens het Hof uit bestaat. Het gaat om een structureel probleem in de samenstelling van de rechterlijke instantie, dat zowel een schijn van afhankelijkheid als van partijdigheid kan opleveren. De objectieve onpartijdigheid betreft in de kern de schijn dat persoonlijke onpartijdigheid van de rechter (‘absence of prejudice or bias’), wegens een objectief gerechtvaardigde reden, niet aanwezig kan zijn. Uit de jurisprudentie blijkt dat die schijn van partijdigheid niet alleen het gevolg kan zijn van het uitoefenen van onverenigbare of opeenvolgende functies door de betreffende rechter (ambtsdrager), maar ook van een gebrek aan institutionele onafhankelijkheid van de rechterlijke instantie (ambt).6 Gebrek aan onafhankelijkheid is zo bezien een species van schijn van partijdigheid.7 Deze twee categorieën van oorzaken die kunnen leiden tot een gebrek aan objectieve onpartijdigheid, zouden mijns inziens duidelijker kunnen worden onderscheiden door het Hof. Daarmee zou dan ook de scheiding tussen de begrippen onafhankelijkheid en onpartijdigheid zuiverder zijn. Volgens mij ziet de jurisprudentie inzake objectieve onpartijdigheid voor een deel op zaken die feitelijk de onafhankelijkheid betreffen en voor een ander deel op zaken die inderdaad een situatie betreffen welke in de doctrine onder onpartijdigheid wordt gebracht.8