Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.4.2:3.4.2 Organisatie van de Nationale Garde: Gilligan v. Morgan (1973)
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.4.2
3.4.2 Organisatie van de Nationale Garde: Gilligan v. Morgan (1973)
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233753:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
U.S. Supreme Court 21 juni 1973, 413 U.S. 1 (Gilligan v. Morgan).
Idem, p. 5.
Zie 32 U.S.C. § 110: ‘The President shall prescribe regulations, and issue orders, necessary to organize, discipline, and govern the National Guard.’
U.S. Supreme Court 21 juni 1973, 413 U.S. 1 (Gilligan v. Morgan), 11.
Idem, p. 9.
Idem, p. 8. Zie ook Jackson 1973, p. 486.
Idem, p. 11-12. Zie in dezelfde zin U.S. Supreme Court 17 april 1974, 416 U.S. 232 (Scheuer v. Rhodes).
Zie in dezelfde zin Fallon 2006a, p. 663.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Gilligan v. Morgan is de eerste zaak na Baker v. Carr waarin het Hooggerechtshof de political question-doctrine uitdrukkelijk heeft toegepast.1 Daarin staat het optreden van de Nationale Garde op een universiteit in Ohio centraal. De aanleiding hiervoor waren studentenprotesten begin mei 1970 tegen het besluit van toenmalig President Nixon om de Vietnamoorlog uit te breiden naar Cambodja. In een poging om deze protesten neer te slaan, opende de National Garde het vuur op de studenten. Daarbij vonden enkele studenten de dood en raakten diverse andere studenten gewond.
Na dit optreden van de Nationale Garde daagden studentenbewegingen de gouverneur van de staat Ohio, die om de inzet van de Nationale Garde had verzocht, voor de rechter. Daarbij vroegen zij niet om de rechtmatigheid van het optreden van de Nationale Garde te beoordelen of om toekenning van een schadevergoeding. In plaats daarvan vroegen zij om vaststelling van regels over de inzet, bewapening en training van de Nationale Garde waarmee een vergelijkbaar optreden in de toekomst zou worden voorkomen.2
Het Hof ging hier niet in mee en oordeelde dat het vaststellen van regels over de inzet, bewapening en training van de Nationale Garde een political question betreft. Daarbij stelde het voorop dat artikel I, § 8, van de Amerikaanse Grondwet aan het Congres de bevoegdheid toekent om regels vast te stellen over de organisatie van de Nationale Garde:
‘The Congress shall have Power […] to provide for organizing, arming, and disciplining, the Militia and for governing such Part of them as may be employed in the Service of the United States […].’
Het Congres heeft wetgeving vastgesteld waarin het de bevoegdheid om regels vast te stellen over de organisatie van de Nationale Garde deels aan de President heeft gedelegeerd.3 Het vaststellen van regels over de organisatie en inzet van de Nationale Garde valt daarmee niet alleen onder de bevoegdheden van het Congres, maar ook onder die van de President. Tegen deze achtergrond overwoog het Hof:
‘It would be difficult to think of a clearer example of the type of governmental action that was intended by the Constitution to be left to the political branches directly responsible […] to the electoral process. Moreover, it is difficult to conceive of an area of governmental activity in which the courts have less competence. The complex, subtle, and professional decisions as to the composition, training, equipping, and control of a military force are essentially professional military judgments, subject always to civilian control of the Legislative and Executive Branches. The ultimate responsibility for these decisions is appropriately vested in branches of the government which are periodically subject to electoral accountability. It is this power of oversight and control of military force by elected representatives and officials which underlies our entire constitutional system […].’4
Opvallend is dat het Hof, hoewel het Baker v. Carr als zodanig wel noemde, niet uitdrukkelijk aan de Baker-factoren toetste.5 Dit roept de vraag op welke van deze factoren bepalend was. De verwijzing naar artikel I, § 8, van de Amerikaanse Grondwet impliceert dat het ging om een geschil dat raakte aan een onderwerp dat grondwettelijk gezien aan de andere staatsmachten is opgedragen. Dat betekent dat in ieder geval de eerste factor van toepassing was.6
Het bereik van dit oordeel moet echter niet worden overschat. Het Hof benadrukte dat dit oordeel niet betekende dat geschillen over de Nationale Garde altijd als een political question hebben te gelden. De doctrine staat er volgens het Hof niet aan in de weg dat de rechter het optreden van de Nationale Garde aan een rechtmatigheidstoets onderwerpt en zich uitlaat over de eventuele aansprakelijkheid voor dat optreden:
‘In concluding that no justiciable controversy is presented, it should be clear that we neither hold nor imply that the conduct of the National Guard is always beyond judicial review or that there may not be accountability in a judicial forum for violations of law or for specific unlawful conduct by military personnel, whether by way of damages or injunctive relief.’7
Het oordeel van het Hof in Gilligan v. Morgan lijkt hiermee duidelijk beperkt tot het vaststellen van regels over de organisatie van de Nationale Garde.8