Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.4.5:3.4.5 Afronding
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.4.5
3.4.5 Afronding
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233577:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
U.S. Supreme Court 7 juli 1972, 409 U.S. 1 (O’Brien v. Brown).
Idem, p. 4.
Zie bijv. Jackson 1973, p. 487-488; Meyers 1973, p. 895. Vgl. ook Rotunda en Nowak 2012, p. 480-485.
U.S. Supreme Court 3 januari 1849, 48 U.S. 1 (Luther v. Borden).
U.S. Supreme Court 7 juli 1972, 409 U.S. 1 (O’Brien v. Brown), 11-12 (Marshall, J., dissenting).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het voorgaande blijkt dat het Hooggerechtshof sinds Baker v. Carr slechts in drie zaken de political question-doctrine expliciet heeft toegepast en daarom een inhoudelijke beoordeling achterwege heeft gelaten. Concreet deed het Hof dat in geschillen over de organisatie en inzet van de Nationale Garde, de afzetting van een federale overheidsfunctionaris, en de vaststelling van kiesdistricten in een deelstaat op basis van de politieke voorkeur van kiezers. Dit geringe aantal zaken is opmerkelijk, temeer omdat de Baker-factoren op zichzelf veel ruimte bieden om in een voorliggend geschil een political question aanwezig te achten.
Aangenomen wordt dat het Hof de political question-doctrine na Baker v. Carr ook nog een keer impliciet heeft toegepast, in de zaak O’Brien v. Brown uit 1972.1 Daarin ging het om de weigering van het bestuur van de Democratische Partij om een groep gedelegeerden tot de conventie toe te laten waar de kandidaat voor de presidentsverkiezingen in 1972 zou worden gekozen. Aan deze weigering lag ten grondslag dat de gedelegeerden waren gekozen in strijd met interne partijregels. Het Hof werd gevraagd of het partijbestuur de gedelegeerden terecht de toegang tot de conventie had ontzegd, maar zag van een inhoudelijke beoordeling af:
‘No case is cited to us in which any federal court has undertaken to interject itself into the deliberative processes of a national political convention; no holding of this Court up to now gives support for judicial intervention in the circumstances presented here, involving as they do relationships of great delicacy that are essentially political in nature.’2
Volgens sommige auteurs zou het Hof hiermee duidelijk hebben gemaakt dat de organisatie van politieke partijen ook als een political question heeft te gelden.3 Steun hiervoor biedt een verwijzing naar de in het vorige hoofdstuk besproken zaak Luther v. Borden, waarin het Hof geschillen over de Guarantee Clause als een political question heeft aangemerkt.4
Ook namen twee leden van het Hof in een afzonderlijke opinie uitdrukkelijk stelling tegen de conclusie dat in dit geval een political question aanwezig was, daarmee suggererend dat de meerderheid deze conclusie had getrokken. Daarbij stelden zij voorop dat de political question-doctrine is gebaseerd op de machtenscheiding en is bedoeld als een instrument om te waarborgen dat de rechter de vereiste afstand ten opzichte van de andere staatsmachten bewaart. Omdat de andere staatsmachten op dit gebied echter geen bevoegdheden hebben, was de doctrine volgens deze leden niet relevant:
‘The doctrine of ‘political questions’ was fashioned to deal with a very different problem, which has nothing to do with this case. As the Court said in Baker v. Carr, the basic characteristic of a political question is that its resolution would lead a court into conflict with one or more of the coordinate branches of government; courts decline to decide political questions out of deference to the separation of powers. Neither the Executive nor the Legislative Branch of Government purports to have jurisdiction over the claims asserted in these cases.’5
Toch blijft, ook indien O’Brien v. Brown wordt meegeteld, het aantal zaken waarin het Hof sinds Baker v. Carr onder verwijzing naar de political questiondoctrine een inhoudelijke beoordeling achterwege heeft gelaten beperkt. Het Hof lijkt de ruimte die de Baker-factoren daarvoor bieden in de praktijk niet of nauwelijks te benutten.