Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.4.3
3.4.3 Impeachment: Walter Nixon v. United States (1993)
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233630:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
U.S. Supreme Court 13 januari 1993, 506 U.S. 224 (Walter Nixon v. United States).
Zie voor een beschrijving van deze procedure in de Nederlandse literatuur Janse de Jonge 2012a, p. 153-155.
U.S. Supreme Court 13 januari 1993, 506 U.S. 224 (Walter Nixon v. United States), 226.
Idem, p. 228.
Idem, p. 228-229.
Idem, p. 229.
Idem, p. 230.
Idem, p. 236: ‘We agree […] that opening the door of judicial review to the procedures used by the Senate in trying impeachments would expose the political life of the country to months, or perhaps years, of chaos. This lack of finality would manifest itself most dramatically if the President were impeached. The legitimacy of any successor, and hence his effectiveness, would be impaired severely […].’
De tweede zaak waarin het Hof na Baker v. Carr de political question-doctrine uitdrukkelijk heeft toegepast en een inhoudelijke beoordeling van het geschil achterwege heeft gelaten, is Walter Nixon v. United States.1 Deze zaak raakt aan de bevoegdheid van het Congres om federale overheidsfunctionarissen, onder wie de President, maar ook andere functionarissen zoals federale rechters, uit hun ambt te zetten. Dit wordt ook wel ‘impeachment’ genoemd. Omdat dit een van de meest vergaande parlementaire controlemiddelen is, is de bevoegdheid hiertoe beperkt tot enkele zware misdrijven, zoals landverraad en omkoping. Het initiatief ligt bij het Huis van Afgevaardigden. Nadat het Huis een functionaris in staat van beschuldiging heeft gesteld, verschuift de procedure naar de Senaat. Uiteindelijk is het de Senaat die over de afzetting van de functionaris beslist. Daarvoor is een tweederdemeerderheid vereist.2
In Walter Nixon v. United States diende het Hof zich uit te spreken over de afzetting van een federale rechter in de staat Mississippi genaamd Nixon. De aanleiding hiervoor was diens veroordeling voor het aannemen van een gift van een zakenrelatie in ruil voor het stopzetten van de strafvervolging van zijn zoon. Daarmee had Nixon misbruik gemaakt van zijn positie. Ook had hij tijdens zijn strafproces een valse verklaring afgelegd. Volgens Nixon was zijn afzetting onrechtmatig omdat het bewijs dat tot zijn veroordeling had geleid uitsluitend aan een Senaatscommissie en niet aan de voltallige Senaat was voorgelegd.3
In navolging van lagere rechters toonde het Hof zich niet gevoelig voor dit betoog. Volgens het Hof was hier sprake van een political question en behoorde de rechter zich daarom niet uit te spreken over de vraag of de Senaat op goede gronden had besloten om Nixon uit zijn ambt te zetten. Opvallend is dat het Hof hierbij uitsluitend refereerde aan de eerste twee Baker-factoren.4 Het geschil spitste zich daardoor toe op de vraag of sprake was van een geschil dat grondwettelijk gezien moet worden geacht aan de andere staatsmachten te zijn opgedragen en op de vraag of er concrete en bruikbare rechtsnormen voorhanden zijn om het geschil te beslissen. Het Hof stelde hierbij voorop:
‘[T]he concept of a textual commitment to a coordinate political department is not completely separate from the concept of a lack of judicially discoverable and manageable standards for resolving it; the lack of judicially manageable standards may strengthen the conclusion that there is a textually demonstrable commitment to a coordinate branch.’5
Hiermee bevestigde het Hof dat er geen strikt, maar een vloeiend onderscheid bestaat tussen de Baker-factoren. Het ontbreken van concrete en bruikbare rechtsnormen kan bijdragen aan het oordeel dat sprake is van een geschil dat moet worden geacht grondwettelijk gezien aan de andere staatsmachten te zijn opgedragen. De tweede Baker-factor kan in zoverre de eerste factor versterken.
Het Hof ging vervolgens in op de tekst van de relevante bepaling uit de Amerikaanse Grondwet. De bevoegdheid voor de Senaat om overheidsfunctionarissen uit hun ambt te zetten, is neergelegd in de Impeachment Trial Clause van artikel I, § 3, van de Amerikaanse Grondwet. Deze bepaling luidt:
‘The Senate shall have the sole Power to try all Impeachments. When sitting for that Purpose, they shall be on Oath or Affirmation. When the President of the United States is tried, the Chief Justice shall preside: And no Person shall be convicted without the Concurrence of two thirds of the Members present.’
Volgens het Hof springen de woorden ‘sole’ en ‘try’ in deze bepaling in het oog. Het eerste woord duidt erop dat de Senaat bij uitsluiting van de andere staatsmachten bevoegd is om federale functionarissen uit hun ambt te zetten:
‘The language and structure of this Clause are revealing. The first sentence is a grant of authority to the Senate, and the word ‘sole’ indicates that this authority is reposed in the Senate and nowhere else.’6
Het woord ‘try’ in deze bepaling biedt volgens het Hof onvoldoende aanknopingspunten voor een inhoudelijke beoordeling. Deze bepaling bevat uitsluitend formele en geen inhoudelijke voorwaarden waaronder de Senaat tot impeachment mag besluiten:
‘The conclusion that the use of the word ‘try’ in the first sentence of the Impeachment Trial Clause lacks sufficient precision to afford any judicially manageable standard of review of the Senate's actions is fortified by the existence of the three very specific requirements that the Constitution does impose on the Senate when trying impeachments: the members must be under oath, a two-thirds vote is required to convict, and the Chief Justice presides when the President is tried. These limitations are quite precise, and their nature suggests that the Framers did not intend to impose additional limitations on the form of the Senate proceedings by the use of the word ‘try’ in the first sentence.’7
De eerste twee Baker-factoren waren volgens het Hof dan ook van toepassing.
Ten overvloede overwoog het Hof dat een rechterlijke procedure over de afzetting van een overheidsfunctionaris lange tijd in beslag zou kunnen nemen. Zeker wanneer het gaat om de President, zou deze procedure het land voor een lange tijd in zijn greep kunnen houden. De discussie zou zich daarbij mede kunnen toespitsen op de legitimiteit van zijn opvolger. Volgens het Hof is dit alles onwenselijk. Opvallend is dat het Hof dit aanvullende argument echter niet uitdrukkelijk koppelde aan een van de overige Baker-factoren, maar uitsluitend de eerste twee factoren benoemde.8