Einde inhoudsopgave
Beleidsbepaling en aansprakelijkheid (VDHI nr. 170) 2021/4.2.1
4.2.1 De parlementaire achtergrond van het begrip ‘(mede)beleidsbepaler’
mr. J.E. van Nuland, datum 21-09-2020
- Datum
21-09-2020
- Auteur
mr. J.E. van Nuland
- JCDI
JCDI:ADS254427:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Daarvoor was reeds de Wet ketenaansprakelijkheid van 4 juni 1981, Stb. 370, in werking getreden, waarmee werd beoogd de aansprakelijkheid te regelen van de aannemer voor schulden van de onderaannemer ter zake van premies voor sociale verzekeringen en enige belastingen (de ‘Eerste Misbruikwet’).
Stb. 2011, 194. De regeling voor het preventief toezicht kwam onder meer te vervallen, omdat deze niet goed opgewassen bleek tegen het inzetten van stromannen zonder negatieve antecedenten. Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 948, nr. 3, p. 2 (MvT).
Zie over deze verklaring van geen bezwaar Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/52.
Stb. 1971, 288.
Kamerstukken II 1970/71, 10 651, nr. 6, p. 3. Als voorbeeld wordt genoemd het geval dat twee, net meerderjarig geworden kinderen van een ‘ongewenst’ persoon, een vennootschap willen oprichten met de bedoeling hun vader de feitelijke leiding van het bedrijf over te laten. De rol van de kinderen die niet in de vennootschap werkzaam zijn, doch in loondienst bij derden blijven, beperkt zich dat tot het formeel optreden als bestuurder, hetgeen in feite neerkomt op optreden als stroman.
Kamerstukken II 1980/81, 16 530, nr. 3, p. 1 (MvT).
Stb. 2005, 717.
Kamerstukken II 1980/81, 16 631, nr. 3, p. 1 (MvT).
De toevoeging ‘ten aanzien van wie aannemelijk is’ zoals die blijkt uit de Tweede Misbruikwet, ontbreekt in artikel 2:248 (138) lid 7 BW. De wetgever heeft evenwel niet beoogd een onderscheid te maken. Zie Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 6, p. 23 (MvA).
Zie art. 2:50a, 53a en 300a BW, waarover Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 7 (NvW); Hof Arnhem-Leeuwarden 31 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9958, waarin de bestuurder ten onrechte betoogde dat de wetgever heeft beoogd alleen commerciële stichtingen onder het bereik van de WBF te doen vallen; in het Wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen werd aanvankelijk voorzien in een verplaatsing van de WBF bepalingen naar Titel 1 Boek 2 BW (Algemene bepalingen), waarin een nieuw art. 2:9c de aansprakelijkheid van bestuurders in faillissement van iedere rechtspersoon zal beheersen (art. 2:11c BW verklaart deze bepaling van overeenkomstige toepassing op commissarissen), zie Kamerstukken II 2015/16, 34 491, nr. 2 (Voorstel van wet) en nr. 3 (MvT).
Stb. 2012, 301.
Zie daarover paragraaf 3.4.
In artikel 2:207 BW gaat het om een bestuursbesluit; in de artikelen 2:208 en 2:216 BW gaat het om een besluit van de aandeelhoudersvergadering, waaraan het bestuur zijn goedkeuring moet verlenen.
Art. 106d Fw voorziet erin dat de bepalingen omtrent de oplegging van een bestuursverbod (art. 106a tot en met 106c Fw) ook op de (mede)beleidsbepaler van toepassing zijn.
Het begrip ‘(mede)beleidsbepaler’ deed zijn wettelijke intrede op 1 januari 1987 met de invoering van een tweetal wetten, waarmee werd beoogd het misbruik van rechtspersonen tegen te gaan.1 Ik doel hier op de Tweede (WBA) en Derde (WBF) Misbruikwet.2 Vóór die tijd was de (mede)beleidsbepaler al bekend uit de regeling omtrent het preventief toezicht bij oprichting en wijziging van statuten van de kapitaalvennootschappen die tot 1 juli 2011 kon worden gevonden in artikel 2:179 (68) BW.3 Voor de oprichting van een kapitaalvennootschap was in het verleden een ‘verklaring van geen bezwaar’ vereist.4 Op grond van artikel 2:179 (68) lid 2 BW kon deze verklaring onder andere worden geweigerd, wanneer gelet op de voornemens en antecedenten van de personen die het beleid van de vennootschap zullen bepalen of medebepalen, het gevaar bestond dat de vennootschap zou worden gebruikt voor ongeoorloofde doeleinden. Deze weigeringsgrond werd ingevoerd per 3 mei 1971.5 Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 2:179 (68) BW blijkt dat met deze (mede)beleidsbepaler werd gedoeld op iedere persoon die, zonder orgaan van de vennootschap te zijn, toch in feite aan de vennootschap leiding zou geven.6
Met de WBA werd beoogd om het misbruik van rechtspersonen te bestrijden door onder bepaalde voorwaarden de bestuurders van rechtspersonen persoonlijk aansprakelijk te stellen voor de door de rechtspersoon verschuldigde, maar niet betaalde premies en bijdragen ter zake van verplichte deelneming in bedrijfspensioenfondsen en loon- en omzetbelasting.7 Aanvankelijk kon de (mede)beleidsbepaler worden aangetroffen in artikel 16d lid 5 onder b van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV). Deze wet is echter per 1 januari 2006 komen te vervallen.8 Tegenwoordig is de figuur te vinden in artikel 36 lid 5 onder b IW 1990 en artikel 23 lid 6 onder b Wet Bpf 2000. Op grond van deze bepalingen wordt voor de toepassing ervan onder bestuurder mede verstaan: ‘de persoon ten aanzien van wie aannemelijk is dat hij het beleid van het lichaam heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder, met uitzondering van de door de rechter benoemde bewindvoerder.’
De WBF had niet specifiek betrekking op belasting- en premieschulden, maar bevatte wijzigingen van het vennootschapsrecht die in het algemeen de aansprakelijkheid van bestuurders van naamloze en besloten vennootschappen, zowel in als buiten faillissement, betroffen en tevens enkele andere regelingen die met de problematiek van het misbruik van deze rechtsvormen verband hielden.9 Een belangrijk onderdeel van de WBF was de wijziging van artikel 2:248 (138) BW, betreffende de aansprakelijkheid van bestuurders in faillissement. Aan dit artikel werd onder meer een zevende lid toegevoegd, waarin werd bepaald dat voor de toepassing van de bepaling met een bestuurder wordt gelijkgesteld: ‘degene die het beleid van de vennootschap heeft bepaald of mede heeft bepaald, als ware hij bestuurder’.10 Het artikellid is sinds de invoering in 1987 niet meer gewijzigd. Overigens is artikel 2:138 BW – en daarmee ook lid 7 – ook van toepassing op (mede)beleidsbepalers van coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, alsook verenigingen en stichtingen voor zover deze zijn onderworpen aan vennootschapsbelasting.11
Van meer recente datum is de introductie van de (mede)beleidsbepaler in de artikelen 2:207 lid 3, 2:208 lid 6 (jo.) en 2:216 lid 4 BW, namelijk in het kader van de invoering van de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (Flex-BV) per 1 oktober 2012.12Artikel 2:207 BW betreffende de inkoop van eigen aandelen en artikel 2:216 BW betreffende winstuitkering, kennen beide een regeling voor de aansprakelijkheid van bestuurders.13 Voor de toepassing van deze regelingen wordt met een bestuurder gelijkgesteld ‘degene die het beleid van de vennootschap heeft bepaald of mede heeft bepaald, als ware hij bestuurder’. Artikel 2:208 lid 6 BW verklaart de leden 2 tot en met 4 van artikel 2:216 BW van overeenkomstige toepassing, zodat de (mede)beleidsbepaler ook aansprakelijk kan zijn voor het goedkeuren van aandeelhoudersbesluiten tot kapitaalvermindering op dezelfde wijze als voor besluiten tot winstuitkeringen.14
Hierna bespreek ik eerst de parlementaire geschiedenis van de beide misbruikwetten. Daarbij beperk ik mij niet tot een bespreking van de passages die betrekking hebben op de (mede)beleidsbepaler, maar tracht ik juist ook een beeld te schetsen van de bedoeling die de wetgever met de invoering van deze wetten heeft gehad. Vervolgens ga ik in op de overwegingen die in de parlementaire geschiedenis van de artikelen 2:207, 208 en 216 BW aan de (mede)beleidsbepaler zijn gewijd. Ten slotte stel ik ook de parlementaire geschiedenis van artikel 10615 en 106d16 Fw aan de orde. In deze bepalingen is eveneens in een gelijkstelling voorzien. Weliswaar gaat het daar niet om aansprakelijkheid, maar valt de daarin bedoelde figuur wel onder de noemer van eigenlijk (mede)beleidsbepaler te scharen.
4.2.1.1 De feitelijk beleidsbepaler in de misbruikwetgeving4.2.1.2 Tweede Misbruikwet (WBA)4.2.1.3 Derde Misbruikwet (WBF)4.2.1.4 Wet Flex-BV4.2.1.5 Faillissementswet