Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/6.4.2:6.4.2 Minderjarige delinquenten
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/6.4.2
6.4.2 Minderjarige delinquenten
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200803:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De rechter kan ervoor kiezen om voor jongeren van 16 en 17 jaar niet het jeugdstrafrecht, maar het commune strafrecht toe te passen. De grens tussen beide typen strafrecht is door de invoering van het adolescentenstrafrecht (art. 77c Sr) flexibeler geworden. Voor jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar kan de rechter ervoor kiezen om het jeugdstrafrecht toe te passen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een deel van de geïnterviewde rechters heeft problemen met de straffen die worden opgelegd aan sommige minderjarige delinquenten. De geïnterviewde kinderrechters zijn tevreden over de straffen die aan deze groep worden opgelegd; oud-kinderrechters zijn wel kritisch.
Onder meer op basis van de justitiële documentatie die ze zien, waarin vaak veroordelingen door kinderrechters zijn opgenomen, krijgen commune strafrechters een beeld van het werk van de kinderrechters. Sommigen van hen hebben net als officieren van justitie en politiemensen het beeld dat minderjarige recidivisten soms onvoldoende worden gestraft door de kinderrechter en menen dat minderjarige delinquenten die in hun ogen al ‘ontspoord’ zijn of ‘voor de criminaliteit gekozen’ lijken te hebben, als meerderjarige gestraft moeten worden.
‘Het uitgangspunt in het jeugdrecht is: opvoeden, iemand terugbrengen naar de samenleving en voorkomen dat hij verder ontspoort. Maar je komt vaak jongeren tegen die zijn al ontspoord en daar past een agressietraining niet meer of een andere gedragstherapie. Daar zijn ze niet meer vatbaar voor. Ze zijn als minderjarige klaar en moeten als meerderjarige gestraft worden.’
Evenals politiemensen en officieren van justitie menen ook sommige commune strafrechters dat minderjarige delinquenten soms meer ‘doorgewinterd’ of ‘berekenend’ zijn in hun gedrag, dan veel kinderrechters zouden veronderstellen. Zowel commune strafrechters, als geïnterviewde kinderrechters kunnen zich vinden in de breder levende kritiek dat de justitiële aanpak van minderjarige delinquenten vaak onvoldoende functioneert, vanwege onder meer de lage pakkans, lange doorlooptijden (welke met name bij deze doelgroep als een belemmering worden ervaren), slecht uitgevoerde taakstraffen en reclasseringswerkers die (door beperkte mogelijkheden en hoge werkdruk) niet lijken opgewassen tegen hun taak (zie ook: Bervoets, 2012; Werdmölder, 2015). Een deel van de geïnterviewde commune strafrechters is het er bovendien mee eens dat de strafrechtspleging aan minderjarige delinquenten onvoldoende duidelijk maakt dat ze op de verkeerde weg zijn. Zij hebben het beeld dat de straffen die worden opgelegd hen te weinig afschrikken. Een rechter:
‘Ik hoor er niet van op dat politiemensen en officieren van justitie de straffen [voor minderjarigen] lachwekkend vinden. Je ziet dat in bepaalde groepen door minderjarigen wordt verklaard: “Je kunt me toch niks maken, want ik ben nog minderjarig.” Zij worden [door criminele groepen] bewust ingezet, omdat ze pas later echt op hun tellen hoeven te passen. Ik denk dat het in sommige groepen klopt: het strafrecht stelt daar onvoldoende grenzen. Maar er is wel aan gesleuteld de afgelopen jaren, in die zin dat de strafmaxima zijn opgerekt door de politiek.’
Minderjarige delinquenten zou door middel van straf vaker duidelijk moeten worden gemaakt dat ze op de verkeerde weg zijn of dat misdaad niet loont. Sommige rechters menen dat de in het jeugdrecht gehanteerde terughoudendheid met het opleggen van jeugddetentie en de geldende strafmaxima te weinig bij deze behoefte aansluiten. In sommige gevallen gaan zij ervan uit dat jongeren bewust kiezen voor de criminaliteit. Het door deze rechters gehanteerde beeld van de jeugddelinquent veronderstelt nog wel problemen (zoals psychische aandoeningen, een gebrek aan opvoeding en onvoldoende ondersteuning vanuit de thuissituatie), maar bijvoorbeeld ook dat deze zich ‘niet laat helpen’ of de verkeerde vrienden kiest. Door geïnterviewde kinderrechters worden jeugddelinquenten niet als berekenende daders beschouwd. Eerder zien zij hen als afhankelijk en achtergesteld, waardoor straffen of ‘tuchtigen’ in hun ogen niet snel aan de orde is. Een oud-kinderrechter heeft kritiek op het functioneren van kinderrechters, aangezien zij in zijn ogen soms te lang op ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ zijn gericht (in de woorden van de rechters zelf: op een ‘pedagogische benadering’).
‘Ik moet zeggen dat ik kinderrechters ook weleens te mild vind uitpakken. Nu weet ik heel goed dat zij dat doen vanuit een soort pedagogische benadering en een minder strafrechtelijke. We kunnen ze opsluiten maar daarvan weten we zeker dat het niet beter wordt. Dat is ook zo. Er is onderzoek genoeg dat laat zien dat jongens alleen maar verharden en contacten opdoen in gevangenschap. Daarom blijf je proberen als kinderrechter naar een alternatief te zoeken. Dat dit in de ogen van politie en OM weleens een lachertje wordt (...) daarvan denk ik ook, kinderrechter word eens wakker. Dan gaan ze maar verharden. Uiteindelijk is het hun eigen keuze. Je hebt ze al tien kansen gegeven. Voordat we kinderen langdurig opsluiten is er al heel wat gebeurd. (...) Op een gegeven moment is het klaar. Veel collega’s gaan dan nog even door, dan gaan we nog een keer de gedragsbeïnvloedende maatregel of het hele arsenaal aan hulpverlening proberen; een school trachten te realiseren. Ook al komt de verdachte nooit en wil hij niks.’
In de ogen van sommige commune strafrechters wordt door kinderrechters het adolescentenstrafrecht1 niet altijd toegepast waar het in hun ogen wel zou moeten: ‘Laatst een groepje overvallers. Een jongetje van 19 krijgt gewoon negen jaar voor een overval, een jongen van 17 kreeg veel minder. Het stond niet in verhouding. Maar de maxima lopen ook enorm uiteen.’ Van de andere kant constateert één van de geïnterviewde kinderrechters dat jongvolwassen verdachten zelden volgens het adolescentenstrafrecht berecht worden. Ook niet als daar volgens haar wel aanleiding toe zou zijn. Al met al lijkt het uitgangspunt in het jeugdstrafrecht niet vanzelfsprekend dat de jonge leeftijd en daarmee de ontwikkelingsfase waarin een delinquent zich bevindt, een rol moet spelen bij de beoordeling van strafbare feiten die hij pleegde. Een kinderrechter zegt hierover: ‘Ik merk dat bijvoorbeeld een 19-jarige, zelfs als zo’n jongen heel erg dom en beïnvloedbaar is, niet volgens het jeugdstrafrecht wordt beoordeeld als er geen speciaal rapport is gemaakt.’
Overigens wijst één van de commune strafrechters erop dat in het jeugdstrafrecht lagere strafmaxima van toepassing zijn en dat strafrechtstoepassing volgens internationaal verdragsrecht ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ als uitgangspunt moet hanteren. Een collega meent dat de invulling van bijzondere voorwaarden vaak zo ingrijpend is voor een minderjarige, dat hierdoor een onvoorwaardelijk strafdeel overbodig is.
‘Rechters weten van sommige jeugdigen wel dat het doorgewinterde criminelen zijn, maar proberen toch nog te kijken of er nog iets aan te versleutelen valt. Als het gaat om de minderjarigen is de insteek van het strafproces een wat andere dan bij volwassenen. De pedagogische aanpak staat voorop. Ik denk dat, ook al heb je het idee dat iemand doorgewinterd is, ze zijn nog wel in ontwikkeling en dan moet je toch kijken wat er nog te proberen en te sleutelen valt.’
Een kinderrechter stoort zich aan de kritiek dat zij en haar collega’s jeugddelinquenten nogal eens te lage straffen zouden opleggen:
‘Ze zijn nog niet uitgerijpt. Als ze dan wat impulsief reageren, dat geldt voor een groot deel van de jongens die ik voor me krijg, daar geldt dan dat ze nog een stuk ontwikkeling moeten doormaken voordat ze tegen bepaalde impulsen “nee” kunnen zeggen. Ervan uitgaan dat als je een keer een jongere hebt gezegd dat iets niet mag [er geen recidive meer plaatsvindt], is niet realistisch. Je moet incalculeren dat het bij een jongere weer mis kan gaan. Ze moeten gewoon volwassen kunnen worden en onbegrijpelijk vind ik recidive daardoor niet. Dan kan je verongelijkt zeggen: “We zijn toch duidelijk geweest en hebben alle hulp gegeven die nodig was, waarom doe je het dan weer?” Het betekent alleen dat je de hulp erop moet afstemmen.’
Ook al ervaren kinderrechters zelf wel tekortkomingen in de strafrechtelijke aanpak van minderjarige delinquenten, ze pleiten niet voor hogere straffen en meer detentie. In hun ogen moet strafrechtelijk optreden vooral op ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ gericht zijn en niet zozeer op afschrikking. Daarbij wordt onder meer gedacht aan het verhogen van de pakkans, snellere opsporing en vervolging, en aan versterking van het reclasseringswerk. Een kinderrechter:
‘Mijn eigen waarneming is dat het niet zit in de straffen (…). Als een jongere bijvoorbeeld wordt geschorst uit de voorlopige hechtenis en aan de reclassering wordt overgelaten, dan moet die laatste niet een beetje waterig omgaan met de voorwaarden. Dan gaat het mis en denkt een jongere: het maakt niet zoveel uit. Maar dat staat los van de straf. Ik vind dat in die fase, civiel of strafrechtelijk, dat je daar doelgericht en consequent moet optreden. Als schorsingsvoorwaarden worden overtreden, laat hem maar komen voor opheffing van de schorsing. Daar zit het ‘m in wat mij betreft. Dit gebeurt te weinig. Ik weet van een reclasseringswerkster die bij een jongere een dubbele maatregel uitvoert: een onder toezicht stelling en de reclassering. Die heeft te weinig vat op zo’n jongen. We kunnen het daar op zitting wel over hebben: “Mevrouw, denk er wel om dat u hem stevig aanpakt.” Maar ja, wat kun je daar verder aan doen als rechter?’
Idealiter zou de rechtszitting al na een paar dagen moeten plaatsvinden, zodat door de kinderrechter meteen reclasseringstoezicht kan worden ingesteld en een plan voor de jeugddelinquent kan worden gemaakt, dat kan helpen een gedragsverandering in te zetten.
‘Ik ben het ermee eens dat jongeren die in de fout gaan adequaat aangepakt moeten worden: je moet grip krijgen. Meer adequaat aanpakken is voor mij niet hetzelfde als zwaar straffen. Het zit in verhogen van de pakkans en het opleggen van sancties die baat hebben. Het kan zijn dat je het hele gezin aanpakt met trajecten. Het kan ook zijn dat je jongeren in een civiele gesloten setting plaatst. Dat zien we regelmatig, dat het daardoor beter gaat. Er is een categorie die behoefte heeft aan die structuur. Maar het Verdrag inzake de Rechten van het Kind gaat ervan uit dat straffen niet voorop staan en ik denk ook dat het zo goed werkt.’
Meer dan commune strafrechters lijken kinderrechters te denken in termen van specifieke kenmerken, problemen en behoeften van de minderjarige. Vanuit deze oriëntatie bekritiseert een kinderrechter de ‘gedragsbeïnvloedende maatregel’:
‘Onderzoek laat een enorm teleurstellend effect zien van de gedragsbeïnvloedende maatregel. Hoe komt dat? Met name doordat de invulling te complex en veeleisend is. [In plaats daarvan] hoop ik van harte dat ergens een aansprekende hulpverlener is waardoor ze geïnspireerd raken: dit wil ik niet langer. Vaak zijn voorbeeldfiguren juist de slimme jongens, die hen inzetten: “Weet je wat jij krijgt? Een mooie merkjas met een bontkraag. Een dik horloge.” (...) Het pleidooi is gevangenisstraf. Tja, soms werkt dat en vaak verharden ze ervan. Er zijn veel jongeren zonder thuisfront, of zonder thuisfront van betekenis.’
Meerdere commune strafrechters zeggen bewust afscheid te hebben genomen van het vak van kinderrechter. Zij merkten aan zichzelf steeds minder nadruk te willen leggen op speciale preventie en vaker jeugddetentie op te willen leggen dan veel andere kinderrechters.
‘Eerst hulp, dan pas straffen. Maar dat [uitgangspunt] kent zijn grenzen en de ene kinderrechter is er wat sneller klaar mee dan de ander. Daar heb je echt wel hardliners en softeriken. Dat heb ik wel gezien als kinderrechter [in het verleden], daar zitten grote verschillen en dat is niet goed. Bij de ene rechter kan Mohammed voor de tiende keer komen en gaat hij weer naar buiten met een paar uurtjes schoffelen en bij de ander was hij al lang naar de jeugdgevangenis gestuurd.’