Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/4.3.4
4.3.4 Natrekking
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS624450:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook HR 15 november 1991, NJ 1993, 316 (Dépex/Curatoren Bergel c.s.); HR 31 oktober 1997, NJ 1998, 97 (Portacabin); HR 25 oktober 2002, NJ 2003, 241 (graftekens).
Vgl. voor Belgisch recht art. 551 en 565 e.v. BBW.
Zie Parl. Gesch. Boek 5, p. 106; Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 5*, nr. 69.
Zie Rutgers 1993, p. 256; Zwitser 1996, p. 89. Zie over het eenheidsbeginsel ook Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 60; Struycken 2007, p. 791-792.
Zie Wichers 2002, p. 271, 309-311; Pitlo/Reehuis 2006, nr. 511.
Zie Fikkers 1999, p. 48-49. Zie ook Van der Grinten 1973, p. 515 en Wammes 1988, p. 33.
Zie Wichers 2002, p. 136 en 271-272 en 2008, p. 73. Dit laatste artikel geeft tevens een toepassingsvoorbeeld van deze invulling van art. 5:14 lid 2 BW bij beantwoording van de vraag wie eigenaar is van het bij restauratie weer in de oorspronkelijke, samengevoegde staat teruggebrachte schilderij van Jan Steen, 'De huwelijksnacht van Tobias en Sara'. Andere oplossingen worden bepleit door Van der Ven 2006 en P.A.M. Lokin 2008.
Zie Wichers 2002, p. 311.
Zie Wichers 2002, p. 293-294.
Zie § 949BGB tweede volzin: 'Erwirbt der Eigentümer der belasteten Sache Miteigentum, so bestehen die Rechte an dem Anteil fort, der an die Stelle der Sache tritt.' Zie ook Wichers 2002, p. 303.
Zie Staudinger/Wiegand § 949, nr. 3.
Zie Suijling 1940, p. 243. Wanneer een derde de vereniging bewerkstelligt, is volgens Suijling steeds sprake van zaaksvorming. Dit valt onder de toepassing van art. 661 (oud) BW (zie p. 244).
104.
Wanneer een roerende zaak met een andere zaak wordt samengebracht, kan dit gevolgen hebben voor de eigendomsrechten die ten aanzien van de beide zaken gelden. Om te bepalen of dat in een specifiek geval ook daadwerkelijk gebeurt, moet worden vastgesteld of sprake is van één zaak. Art. 3:4 BW en art. 5:20 BW geven de voor beantwoording van deze vraag noodzakelijke criteria.1 Indien vaststaat dat sprake is van één zaak, dient de vraag zich aan wie hiervan de eigenaar is. Daarbij moet een tweede voorvraag worden gesteld en beantwoord. Is de eenheidszaak gelijk te stellen met een van de oorspronkelijke zaken of is sprake van een nieuwe zaak? Dit onderscheid is van belang voor het eigendomsrecht van met name roerende zaken en komt terug in art. 5:14 BW. 2
In het eerste geval, geregeld in lid 1, bestaat er een hoofdzaak waaraan een andere zaak op dusdanige wijze wordt toegevoegd, dat deze zaak vervolgens als bestanddeel van de hoofdzaak heeft te gelden. Nu de eigenaar van een zaak eigenaar is van al haar bestanddelen, zoals art. 5:3 BW tot uitgangspunt neemt, verliest de eigenaar van het bestanddeel zijn recht.3 Deze regel vloeit voort uit het eenheidsbeginsel en wordt ondersteund door de eisen van rechtszekerheid en rechtseconomie.4 Van een met de natrekking samenhangende rechtsverkrijging is geen sprake. De eigendom van de hoofdzaak blijft voortbestaan en wijzigt niet, maar heeft vanaf de natrekking betrekking op een zaak die in omvang is toegenomen.5 Nu geen rechten worden toegewezen, maar uitsluitend het recht dat rust op de hoofdzaak een vergroting van het object ondergaat, is van een originaire verkrijging eigenlijk geen sprake. Hetzelfde geldt voor natrekking door onroerende zaken. Een onroerende zaak is altijd de hoofdzaak en op grond van art. 5:20 BW moet worden aangenomen, dat de eigendom van het bestanddeel eindigt en dat het object van het eigendomsrecht van de hoofdzaak evenredig toeneemt.
Het tweede geval, geregeld in het tweede lid van art. 5:14 BW, betreft situaties waarin geen hoofdzaak aanwijsbaar is. De reikwijdte van deze bepaling staat ter discussie, waarbij het meningsverschil zich concentreert op de invulling van de in het onderhavige lid gebezigde woorden 'nieuwe zaak'. Fikkers geeft deze woorden dezelfde invulling als bij art. 5:16 BW, dat van toepassing is op zaaksvorming. Nu het samenbrengen van bestanddelen vrijwel altijd enige vormende arbeid vereist, concludeert zij dat dit lid, anders dan in verband met vermenging van art. 5:15 BW, nauwelijks een functie heeft.6 Wichers daarentegen geeft het begrip nieuwe zaak van 5:14 BW een andere invulling dan bij zaaksvorming en ziet voor het tweede lid een zelfstandige rol weggelegd in gevallen, waarin de nieuwe zaak niet haar identiteit ontleent aan een oorspronkelijke zaak die als hoofdzaak is aan te merken, maar aan de oorspronkelijke zaken tezamen. Dit is anders bij zaaksvorming, waar de nieuwe zaak haar identiteit ontleent aan de vormende arbeid.7
Deze discussie is echter niet relevant voor beantwoording van de vraag naar de wijze waarop eigendomsverkrijging in het onderhavige artikel plaatsvindt. Het ontbreken van een hoofdzaak heeft tot gevolg dat een uitbreiding van een bestaand recht niet voor de hand ligt. In de te beoordelen gevallen zijn de oorspronkelijke zaken in de nieuwe zaak opgegaan en is het eigendomsrecht dat op de 'bestanddelen' zag, tenietgegaan. De wet kent een nieuw eigendomsrecht toe en knoopt daarbij aan bij de voormalige eigendomsverhoudingen.8 De eigendomsverhoudingen ten aanzien van de tot bestanddeel geworden zaken vertalen zich in aandelen in de gemeenschappelijke eigendom van de nieuwe zaak. Deze invulling doet recht aan de verhoudingen zoals die golden ten opzichte van de oorspronkelijke zaken, althans ten aanzien van de eigenaren. Het is de vraag of hetzelfde geldt voor de overige, ten aanzien van de oorspronkelijke zaken goederenrechtelijk gerechtigden. Gezien de tekst van de wet en het ontbreken van referenties naar beperkt gerechtigde in de parlementaire geschiedenis, lijkt de wetgever hier een nieuw, onbezwaard eigendomsrecht op het oog te hebben. De voormalige gerechtigden die geen eigenaar zijn, zien hun recht tenietgaan. Met Wichers ben ik van mening dat verkrijging op grond van art. 5:14 lid 2 BW niet principieel of systematisch uitsluit dat beperkte rechten die op een van de oorspronkelijke zaken rustten, komen te rusten op het aandeel in de nieuwe zaak die op grond van dit artikel is verkregen.9 Aanknoping bij de toewijzing van eigendom bij de oude eigendomsverhoudingen laat ruimte om rekening te houden met andere goederenrechtelijke aanspraken ten aanzien van de oorspronkelijke zaken. Als de eigendom van een oorspronkelijke zaak plaatsmaakt voor een aandeel in een gemeenschappelijke nieuwe zaak, is het niet ondenkbaar dat beperkte rechten die op de grondstoffen zagen, uit te oefenen zijn op deze aandelen.
Een regeling van die strekking is te vinden in § 949 BGB.10 In de Duitse rechtsliteratuur wordt deze regel (terecht) gezien als een voorbeeld van zaaksvervanging. Aangenomen wordt dat beperkte rechten op nagetrokken bestanddelen het lot delen dat de eigendom van deze bestanddelen toevalt: zij gaan teniet. Indien echter de oorspronkelijke eigendom leidt tot mede-eigendom van de nieuwe zaak, worden de rechten van derden geacht zich op dit aandeel voort te zetten door middel van zaaksvervanging. Zij behouden daarbij hun eigen rang.11
Voor het oude recht lijkt Suijling ook de mogelijkheid open te laten dat beperkte rechten op de nieuwe zaak kunnen worden uitgeoefend en wel door niet in alle gevallen aan te nemen dat sprake is van een nieuw recht. Hiertoe maakt hij onderscheid tussen toevallige en bewuste vereniging:
'In den eigendom van de door de vereeniging ontstane zaak worden de eigendomsrechten van de afzonderlijke zaken geacht voort te bestaan, wanneer de eigenaar van de nieuwe zaak vroeger reeds eigenaar van de onderscheiden vereenigde zaken was. Om tot rechtsverlies en rechtsverkrijging te leiden moet de vereeniging met een verandering in de personen van de gerechtigden gepaard gaan. Slechts indien de persoon wien de eigendom van de nieuwe zaak toevalt, niet tot alle vereenigde zaken gerechtigd was, brengt de vereeniging den ondergang van de eigendomsrechten van de afzonderlijke zaken en de geboorte van een nieuw oorspronkelijk eigendomsrecht teweeg.'12
105.
Resumerend geldt dat natrekking door een hoofdzaak niet leidt tot een originaire verkrijging. Natrekking zonder hoofdzaak gaat wel gepaard met verkrijging van een nieuw recht. Dit recht is naar de heersende leer steeds onbezwaard. Het voortbestaan van aanspraken van de beperkt gerechtigden tot de oorspronkelijke zaken op de nieuwe zaak kan echter niet volledig worden uitgesloten.