Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.C.4.j
j. Conclusie
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS474948:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Een tot op heden onbenoemd gebleven dwarsverband is het feit dat de zaaksvervangingsgedachte zowel binnen de kaders van de ruilverkaveling (zie onderdeel 5.c hierna) als bij de gemeenschap (in art. 3:167 BW) aanwezig is. Zie C.J. van Zeben en J.W. du Pon, m.m.v. M.M. Olthof, Parlementaire geschiedenis van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek, Boek 3, Vermogensrecht in het algemeen, p. 580, M.J.A. van Mourik, Gemeenschap, p. 14-17, alsmede (uitgebreid) J.B. Spath, Zaaksvervanging (diss. 2010), Deventer: Kluwer 2010, p. 62 e.v. Zie tevens grenspost 2, hfdst. II, onderdeel C.3.C hierna.
Deze conclusie heeft tevens een uitstralend effect richting de fiscale grenspost van dit onderzoek: door dat de kavelruil geen (zuivere) verdeling in civielrechtelijke zin is, behoeft de ‘verdelingsregeling’ uit art. 12 WBR niet nader te worden besproken in het fiscale onderdeel.
P. de Haan, ‘Toedeling van beklemrechten bij ruil- en herverkaveling’, p. 233.
Zie onderdeel h hiervoor.
Zie H. Hofmann, Verfassungsgeschichte als Phänomenologie des Rechts, München: Verlag C.H. Beek 2007.
Ontleend aan: W. Burgerhart, Als je begrijpt wat ik bedoel, p. 8.
De conclusie van het onderzoek naar het ‘verdelingskarakter’ van de kavelruil moge, gezien het vorenstaande, niet verbazen: er bestaan diverse, vooral historisch gezien interessante raakvlakken en parallellen tussen de verdeling en de kavelruil, 1 maar van een ‘echte’ directe juridisch-technische gelijkschakeling tussen beide rechtsfiguren kan niet worden gesproken. De belangrijkste argumenten voor dit standpunt zijn gelegen in het verschil tussen de declaratoire verdeling en de translatieve kavelruil (waarbij, zoals gezien, dient te worden opgemerkt dat de meningen verdeeld zijn over het exacte rechtskarakter van de verdeling, zowel onder oud als onder nieuw recht) en de afwezigheid van een gemeenschap als gevolg van de individualisering van het eigendomsrecht.
Preller had dus, in de basis althans, (technisch) gelijk: de kavelruil is geen 100%- verdeling in civielrechtelijke zin.2 De ‘eigen rechtssfeer’ van de kavelruil, als gevolg van de historische ontwikkeling van het instrument en de (agrarische) samenleving in het algemeen staan hieraan in de weg. De juiste, maar weinig gemotiveerde stellingname van Preller vormden voor uw gids aanleiding om de dwarsverbanden tussen beide rechtsfenomenen aan een nader onderzoek te onderwerpen. Een onderzoek dat enkele interessante vondsten opleverde en dat een bijdrage leverde aan de plaatsbepaling van de kavelruil binnen het civielrechtelijke spectrum.
Ondanks de duidelijke eindconclusie ‘kavelruil is geen verdeling’, zou ik de verdelingsdeur toch op een kier willen houden. De vele gevonden en historisch verklaarbare parallellen tussen kavelruil en verdeling rechtvaardigen mijns inziens deze ‘open houding’. Het verdelingsglas is in mijn ogen dan ook halfvol en niet, zoals bij Preller kennelijk het geval is, halfleeg. De woorden van De Haan verwoorden mijn gevoel in deze op treffende wijze:
“Hoogstens is (ten aanzien van de ruil- en herverkaveling, JR) een vergelijking mogelijk met de privaatrechtelijke toedeling uit hoofde van de verdeling van een gemeenschap, hoewel men ook daar nog voorzichtig mee moet zijn.”3
Voorzichtigheid, maar wel enige ruimte voor enige (algemene) rechtsvergelijkende exercities tussen beide rechtsfiguren derhalve, waarbij uiteraard gewaakt dient te worden voor ‘wishful thinking’, het creëren van niet-bestaande dwarsverbanden. Mijns inziens past de door Hof Den Bosch ontwikkelde species-genus gedachte4 goed binnen deze genuanceerde benaderingswijze. Een dergelijke visie op de relatie tussen ruilverkaveling/kavelruil en verdeling doet voldoende recht aan de wel degelijk bestaande rechtshistorische band. Zoals gezien hebben ruilverkaveling en verdeling lange tijd eikaars complement gevormd. De verdeling vormde daarbij het startpunt, de ruggengraat van de oer-ruilverkaveling. De samenvoeging en verkaveling waren daar het logische vervolg op. De tot op heden bestaande terminologische overeenkomsten tussen ruilverkaveling/kavelruil en verdeling zijn hierdoor (mede) te verklaren. Historisch gezien bestaan er dus voldoende aanknopingspunten voor een inbedding van de ruilverkaveling/kavelruil in de verdelingsgedachte, waarbij ten aanzien van de kavelruil het voorbehoud dient te worden gemaakt dat deze landinrichtingsvorm als ‘jongere broer’ is voortgesproten uit de ruilverkaveling en derhalve niet kan bogen op een directe historische verwevenheid. Er is eerder sprake van een afgeleide historische band.
Ruil en verdeling/verkaveling vormen dus de kernelementen van de kavelruil, waarbij het begrip verdeling vrijwel geheel is ‘losgeweekt’ van titel 3.7 BW. In dit verband verdient het mijns inziens, ter voorkoming van (mogelijke) juridische misverstanden, aanbeveling om de woorden ‘akte van verdeling’ uit artikel 85, lid 1 WILG te schrappen en te vervangen voor de aanduiding ‘akte van kavelruil’. Een andere mogelijkheid is om in de wettekst expliciet te bepalen dat het begrip ‘verdeling’ geen verdeling in de zin van titel 3, 7 BW inhoudt. Artikel 1 van de WILG zou een logische plaats zijn voor een dergelijke begripsbepaling, die dient ter afbakening van de beide civielrechtelijke rechtsfiguren,
De vergelijkingsoefening is hiermee afgerond. Het onderzoek heeft een interessante inkijk in de beide ‘rechtsfenomenen’ en daarmee in de wondere wereld van de ‘Phänomenologie des Rechts’5 opgeleverd. Daarnaast heeft het mij (opnieuw) bewust gemaakt van het bestaan van divergentie, het verschijnsel waarbij eenzelfde begrip, in dit geval de verdeling, in verschillende rechtsgebieden een verschillende betekenis krijgt.6 Maar, zoals gezegd, de deur staat op een kier.