Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.C.4.d
d. Gemeenschap
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS471278:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Aldus M.J.A. van Mourik, Gemeenschap, p. 5 e.v. Zie tevens M.J.A. van Mourik, Verdeling in de notariële praktijk, p. 32 e.v., S. Perrick, Gemeenschap, schuldeisers en verdeling (diss. 1986), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1986, p. 8, alsmede C.J. van Zeben en J.W. du Pon, m.m.v. M.M. Olthof, Parlementaire geschiedenis van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek, Boek 3, Vermogensrecht in het algemeen, p. 577.
Zie M.J.A. van Mourik, Gemeenschap, p. 1.
Zie Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, Aantekening 5.2 Verdeling nalatenschap bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, Artikel 3. Zie tevens M.J.A. van Mourik, Verdeling in de notariële praktijk, p. 21, alsmede M.J.A. van Mourik, Gemeenschap, p. 1. Zie ten slotte W.l. de Vries, ‘Goederenrechtelijke hulpinstrumenten: contractuele mandeligheid bij kleinschalige gebiedsontwikkeling?’.
Zie grenspost 2, hfdst. II, onderdeel C.7.d.
P. de Haan, ‘Toedeling van beklemrechten bij ruil- en herverkaveling’, in: WPNR (2004) 6571, p. 234, door mij op onderdelen geconverteerd naar het WILG-regime.
O.a. I. Boer Hzn. Zie tevens grenspost 1, hfdst. I, onderdeel C.4, nt. 183.
A. de Leeuw, De agrarische ruilverkaveling, p. 261-262.
Zie tevens Grenzübergangsstelle 3A, onderdelen B en C.2.
Zie in dit verband uitgebreid A.I.M.J. van Wijnbergen, Onze marken onder de werking der Wet van 10 mei 1886, p. 2 e.v.
A.I.M.J. van Wijnbergen, Onze marken onder de werking der Wet van 10 mei 1886, p. 4.
M.J.A. van Mourik, Verdeling in de notariële praktijk, p. 17.
De definitie van de verdeling brengt voorts met zich dat sprake moet zijn van een gemeenschap. De wettelijke systematiek van titel 3.7 BW gaat daarbij uit van het bestaan van twee soorten gemeenschappen: de gemeenschap van een of meer goederen (de ‘eenvoudige gemeenschap’) en de gemeenschap van bepaalde algemeenheden van goederen (de ‘bijzondere gemeenschap’).1
De juridische basis voor de beide soorten gemeenschappen wordt gevonden in artikel 3:166 BW:
“Gemeenschap is aanwezig, wanneer een of meer goederen toebehoren aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk."2
Er dient volgens dit artikel derhalve sprake te zijn van mede-eigendom.3
In de zoektocht naar gelijkenissen tussen de kavelruil en de rechtsfiguur verdeling vormt het bovenstaande een tamelijk essentieel punt: wil men de kavelruil op gedegen wijze gelijk kunnen schakelen met verdeling, dan vormt de aanwezigheid van enige vorm van gemeenschap en daarmee mede-eigendom, in mijn opinie bijna een basisvoorwaarde.
Vertaald naar de kavelruil ontstaat, naar de mening van Preller, door de samenvoeging ex artikel 85, lid 1 WILG geen (eenvoudige of bijzondere) gemeenschap. Een nadere toelichting op deze stelling wordt echter niet gegeven. Een onderbouwing voor het standpunt van Preller zou echter gevonden kunnen worden in het feit dat de wettekst (door de jaren heen) uitsluitend spreekt van ‘samenvoegen en in de massa (in)brengen’ van onroerende zaken, privé-eigendommen, door eigenaren. Van twee of meer deelgenoten die gezamenlijk samenvoegen is doorgaans geen sprake; door het ‘samenvoegen’ door de individuele eigenaren wordt men derhalve geen deelgenoot en ontstaat er geen gemeenschap. Daarbij zij overigens gewezen op de onder het regime van de Landinrichtingswet bestaande onmogelijkheid tot het opheffen van een bestaande onverdeeldheid via kavelruil. Mijns inziens is een dergelijke werkwijze onder het regime van de WILG echter wel mogelijk.
4
Volgens De Haan is er bij herverkaveling wel degelijk sprake van een soort ‘publiek- rechtelijke gemeenschap’, aangezien de overheid door middel van een publiekrechtelijk besluit de onroerende zaken in een blok in een gemeenschap brengt en vervolgens verdeelt volgens de wettelijke spelregels en via het ruilplan en de akte van herverkaveling.5 Mutatis mutandis kan worden gesteld dat bij kavelruil, waar het initiatief door de (private) partijen zelf genomen wordt, (ook) een soort ‘privaatrechtelijke gemeenschap’ ontstaat: de te verkavelen ‘massa’ wordt immers samengevoegd door de inbrengende partijen.
Twee enigszins conflicterende visies derhalve, al moet worden gezegd dat De Haan zich bedient van de nodige voorzichtigheid. Het verdelingsvraagstuk houdt de kavelruildeskundigen verdeeld, zo zou men kunnen stellen.
Waar de Nederlandse deskundigen een enigszins onduidelijk beeld schetsen, komt er redding uit internationale hoek: de Belgen schieten ons te hulp. De Leeuw bespreekt namelijk in zijn boek de gemeenschapstheorie, een in het verleden door sommige juristen6 aangehangen visie op het rechtskarakter van de ruilverkaveling, waarbij de (kortstondig) tot een massa samengevoegde percelen als een gemeenschappelijke eigendom werden beschouwd, die vervolgens verdeeld werd.7 De massa werd daarbij, analoog aan hetgeen bij het hiervoor in onderdeel B.l.c besproken Duitse verkavelingsinstrument Umlegung8 het geval was, gezien als een verzameling van percelen waarin eenieder gerechtigd was tot een bepaald aandeel. Een soort ‘agrarisch communisme’ derhalve. De Leeuw wijst deze visie expliciet af, op grond van (onder meer) de redenering dat, om van een dergelijke gemeenschappelijke massa te kunnen spreken, benodigd is dat de individuele rechten op de percelen op enig moment verdwijnen en plaats maken voor rechten op een onverdeelde massa. De percelen zouden daardoor gedurende de ruilverkavelingsprocedure aan het normale rechtsverkeer onttrokken moeten zijn, aangezien de individuele eigendomsaanspraken immers door het vormen van de massa zijn opgehouden te bestaan. Een dergelijke gevolgtrekking is, zo ben ik met De Leeuw van mening, juridisch niet voorstelbaar en evenmin verklaarbaar. Op grond van het vorenstaande heeft Preller derhalve in technische zin gelijk.
Toch is de gemeenschapstheorie naar mijn mening een in de basis op de ruilverkaveling zeer wel toepasbare theorie, wanneer de historische ontwikkeling van het instrument in ogenschouw genomen wordt. Zoals hiervoor in grenspost 1, hoofdstuk I, onderdeel C.2 uitgebreid beschreven, is de Nederlandse ruilverkaveling voortgekomen uit de Markenwet 1886, die de verdeling van de marken, (woeste) gronden in collectief eigendom van een aantal hoeve-eigenaren, regelde. Als oer-ruilverkaveling bevatte de markeverdeling derhalve wel degelijk een gemeenschap: het collectieve eigendom van de markegronden.9 Of, om Van Wijnbergen te citeren:
“En ziedaar dan de mark in haar eenvoudigsten toestand: Een stuks grond, opzettelijk in gemeenschap gelaten, met eene bepaalde bestemming n.l. dienstbaar te zijn aan de uitoefening van het bedrijf der bewoners eener bepaalde streek, allen met gelijke rechten, allen markgenooten. (onderstreping door mij, JR)."10
Dezelfde redenatie kan worden toegepast op de hierna in Grenzübergangsstelle 3A, onderdeel B te behandelen Gemeinheitsteilungsordnung, als Duitse oervorm van de Flurbereinigung. Ook binnen deze vorm van landinrichting vond verdeling van gemene gronden plaats. De gemeenschap was hier derhalve ook aanwezig.
De gemeenschap heeft derhalve, rechtshistorisch bezien, van origine onderdeel uitgemaakt van de ruilverkaveling. Nadat het proces van verdeling van de gemeenschappelijke gronden in de diverse landen voltooid was, nam het individuele grondbezit de positie van het (verdeelde) gemeenschappelijke grondbezit over en kon van de aanwezigheid van een gemeenschap binnen de kaders van de ruilverkavelingswetgeving niet meer worden gesproken. Deze ontwikkelingsrichting bepaalt en karakteriseert tot op heden de inhoud van het landinrichtingsinstrumentarium in Nederland, zodat voor de gemeenschapstheorie inderdaad geen plaats is. Individuele eigendomsaanspraken vormen al geruime tijd de basis van de (agrarische) rechtstoestand in het algemeen en de landinrichtingswetgeving in het bijzonder.
De vergelijking van de kavelruil en de herverkaveling met de verdeling lijkt, door de afwezigheid van het essentiële ingrediënt ‘gemeenschap’, definitief stuk te lopen. Of, om de in onderdeel a geciteerde woorden van Van Mourik te parafraseren: ‘Waar geen gemeenschap bestaat, is de verdeling ver weg.’11
Het verdelingsonderzoek is, ondanks deze constatering, echter nog niet ten einde. Wellicht zijn er nog (onontdekte) parallellen en dwarsverbanden tussen beide rechtsfiguren aanwezig die, ondanks de aanwezigheid van een gemeenschap, toch leiden tot de conclusie dat kavelruil (met enige abstractie) kan worden gezien als vorm van verdeling, waardoor alsnog (verder) aansluiting kan worden gezocht bij het BW?