Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.C.4.b
b. Begrip ‘verdeling’ en vormvoorschriften
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS474946:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Zie tevens M.J.A. van Mourik e.a., Handboek Erfrecht, Deventer: Kluwer 2011, p. 619, M.J.A. van Mourik, Gemeenschap, Mon. BW B-9, Deventer: Kluwer 2011, p. 53 Asser-Perrick, 3-V*, Gemeenschap, Deventer: Kluwer 2011, nr. 118, C.J. van Zeben en J.W. du Pon, m.m.v. M.M. Olthof, Parlementaire geschiedenis van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek, Boek 3, Vermogensrecht in het algemeen, p. 611, Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, Aantekening 5.2 Verdeling nalatenschap bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, Artikel 3, alsmede S. Perrick, ‘Enkele opmerkingen over de verdeling van een registergoed en de vernietiging daarvan’, p. 192 en B.M.E.M. Schols, ‘Verdeel en beheers de schenk-, erf- en overdrachtsbelasting’, p. 85. Zie ten slotte HR 20 juni 1951, NJ 1952, 559.
M.J.A. van Mourik, Verdeling in de notariële praktijk, p. 17.
Aldus S. Perrick, ‘Enkele opmerkingen over de verdeling van een registergoed en de vernietiging daarvan’, p. 192.
Aldus M.J.A. van Mourik, Verdeling in de notariële praktijk, p. 39. Zie tevens J. G. Klaassen, J. Eggens, E.A.A. Luijten, Huwelijksgoederen- en erfrecht, tweede gedeelte: erfrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1989, p. 316.
Aldus Asser-Perrick, 3-V*, Gemeenschap, nr. 116. Zie tevens Asser-Mijnssen, De Haan & Van Dam, 3-1 Algemeen goederenrecht, nr. 300. Zie over de toedeling tevens onderdeel 7 hierna.
Zie tevens onderdeel B.l.e van dit hoofdstuk.
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nr. 21, besproken in o.m. de onderdelen A.2.C, B.l, B.3 en E.l.c van dit hoofdstuk.
M.J.A. van Mourik, Verdeling in de notariële praktijk, p. 38.
Zie J.G. Klaassen, J. Eggens, E.A.A. Luijten, Huwelijksgoederen- en erfrecht, tweede gedeelte: erfrecht, p. 314. Zie tevens Asser-Meijers, vierde deel, Erfrecht, Zwolle: N.V. Uitgevers-maatschappij W.E.J. Tjeenk Willink 1941, p. 305 en 326 e.v. Zie over de boedelscheiding uitgebreid W.M. Kleijn, De Boedelscheiding, Arnhem: Uitgeversmaatschappij S. Gouda Quint - D. Brouwer en Zoon 1969.
Zie voor een uitgebreide beschrijving van de terugwerkende kracht J.G. Klaassen, J. Eggens, E.A.A. Luijten, Huwelijksgoederen- en erfrecht, tweede gedeelte: erfrecht, p. 317 e.v. Zie tevens Asser- Scholten, tweede deel, Zakenrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1913, p. 95.
Zie hierover meer in het navolgende onderdeel.
M.J.A. van Mourik, Verdeling in de notariële praktijk, p. 38.
Aldus M.J.A. van Mourik, Verdeling in de notariële praktijk, p. 41.
Zie art. 1117 lid 1 Oud BW, waarover uitgebreid J.G. Klaassen, J. Eggens, E.A.A. Luijten, Huwelijksgoederen- en erfrecht, tweede gedeelte: erfrecht, p. 342. Zodra niet voldaan was aan beide genoemde voorwaarden, diende de boedelscheiding plaats te vinden volgens de voorschriften van art. 1118 Oud BW, hetgeen een verplichte boedelscheiding d.m.v. een notariële akte inhield.
Zie HR 9 december 1921, NJ 1922, 219 en Hof Amsterdam 18 april 1935, NJ 1936, 362. Zie tevens Asser-Meijers, vierde deel, Erfrecht, p. 315, alsmede C.J. van Zeben en J.W. du Pon, m.m.v. M.M. Olthof, Parlementaire geschiedenis van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek, Boek 3, Vermogensrecht in het algemeen, p. 614. Zie ten slotte J. G. Klaassen, J. Eggens, E.A.A. Luijten, Huwelijksgoederen- en erfrecht, tweede gedeelte: erfrecht, p. 341 e.v.
Zie J.G. Klaassen, J. Eggens, E.A.A. Luijten, Huwelijksgoederen- en erfrecht, tweede gedeelte: erfrecht, p. 315 en 337 e.v.
Zie grenspost 1, hfdst. I, onderdeel E.2.
Zie tevens M.J.A. van Mourik, Verdeling in de notariële praktijk, p. 41, waarbij tevens gewezen dient te worden op art. 3:183 BW, een bepaling vergelijkbaar met art. 1115 oud BW.
Zie onderdelen B.4 en C.3 hiervoor.
Een eerste stap in het vergelijkingsproces is het definiëren van het begrip verdeling. Artikel 3:182, eerste zin BW helpt ons op weg en vermeldt het volgende:
“Als een verdeling wordt aangemerkt iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten, hetzij in persoon, hetzij vertegenwoordigd, meewerken en krachtens welke één of meer van hen één of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen.1
Van Mourik wijst er in dit kader terecht op dat dit artikel geen omschrijving of definitie van het begrip verdeling bevat, maar slechts de bepaling dat bepaalde privatieve verkrijgingen van goederen als verdeling worden ‘aangemerkt’.2
Uit de geciteerde tekst kan evenwel worden afgeleid dat de benaming die partijen kiezen voor hun (meerzijdige) rechtshandeling3 niet doorslaggevend is.4 Zodra sprake is van medewerking van alle deelgenoten en verkrijging van één of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten, betreden wij het domein van de verdeling.
“Verdelen’ is in dit verband meestal op te vatten als ‘toedelen’. Dit volgt weliswaar niet uit artikel 3:182 BW, maar uit artikel 3:186 BW (waarover meer in de onderdelen c en h hierna), waar gesproken wordt van ‘het aan ieder der deelgenoten toegedeelde.’5
Ook voor de kavelruil speelt het begrip ‘toedeling’ een belangrijke rol.’Verdeling’ in kavelruilsfeer is immers te definiëren als:
“het toedelen en leveren aan ieder van de betrokken partijen van de kavels die volgens het plan van toedeling daartoe bij de overeenkomst zijn bestemd (onderstreping door mij.JR)"6
Ik wijs tevens op de brief van de minister van LNV van 8 september 2006, 7 waarin de term ‘verdeling’ als volgt wordt gedefinieerd:
“verdelen’ is het toedelen met het oog op levering van de kavels en zaken al naar gelang de overeengekomen toedeling, (onderstreping door mij, JR)”
De toedeling is derhalve te beschouwen als een nadere, concrete invulling van de term ‘verdeling’.
Tot 1 januari 1992 heette de verdeling overigens boedelscheiding of scheiding en deling.8 Het begrip ‘boedelscheiding’, opgenomen in titel 16, boek 2 oud BW, kon daarbij worden gedefinieerd als de rechtshandeling, waardoor een onverdeeldheid in enig opzicht werd beëindigd.9 Op de boedelscheiding waren de wettelijke bepalingen omtrent scheiding van nalatenschappen van overeenkomstige toepassing.
De ‘oude’ boedelscheiding had, op grond van artikel 1129 oud BW, temgwerkende kracht.10 In deze terugwerkende kracht manifesteerde zich volgens Van Mourik het declaratieve karakter van de boedelscheiding:11 door de boedelscheiding werd vastgesteld wie de uiteindelijke rechtsopvolger van de erflater was.12 De hedendaagse verdeling heeft geen terugwerkende kracht. Daar is, eveneens volgens Van Mourik, ook geen noodzaak voor: er is, zo ben ik met hem van mening, geen goede reden te bedenken om de gemeenschap na verdeling te laten ‘verdampen’.13
Voor wat betreft de vorm waarin de (contractuele) verdeling dient plaats te vinden zij opgemerkt dat vóór 1992 de verdeling vormvrij was, mits alle deelgenoten het vrije beheer over hun goederen bezaten en tegenwoordig waren bij de boedelscheiding, zo bepaalde artikel 1115 oud BW.14 Het woord ‘akte’ in dit artikel betekende niet een schriftelijk stuk, maar een rechtshandeling, 15 Een verdeling bij onderhandse akte was dus zeer wel mogelijk, dit ondanks het feit dat de artikelen 1130 en 1163 oud BW spraken over het verlijden van de akte van boedelscheiding.16
Voor de kavelruil heeft echter, reeds vanaf het prille begin, de schriftelijke vorm gegolden.17 Van een vormvrije overeenkomst is voor de kavelruil derhalve nimmer sprake geweest.
Op 1 januari 1992 heeft zich, ter gelegenheid van de invoering van het NBW, op verdelingsgebied een terminologische wijziging afgespeeld. De wetgever aan het woord:
“ln overeenstemming met titel 3.7 nieuw BW wordt niet meer gesproken van ‘scheiding’ en van ‘boedelscheiding’ maar onderscheidenlijk van ‘verdeling’ en van ‘verdeling van gemeenschap‘."18
Ondanks deze wijziging is de vrije vorm van de verdeling in beginsel gehandhaafd, ook als het object van de verdeling een onroerende zaak is.19 De definitie van artikel 3:182 lid 2 BW spreekt immers over ‘iedere’ rechtshandeling. Deze vrijheid staat enigszins in contrast tot de wettelijke regeling van de kavelruil waar, zoals gezien, tot op heden sprake is van vormvoorschriften voor de obligatoire overeenkomst van kavelruil (denk aan de schriftelijkheidseis en de verplichte inschrijving van de overeenkomst in de openbare registers).
Resumerend: hoewel vanuit de inhoud van het begrip ‘verdeling’, via de toedeling, enige parallellen met de kavelruil kunnen worden getrokken, heeft er op het gebied van de vormvoorschriften altijd enig verschil tussen beide rechtsfiguren bestaan, waarbij men ten aanzien van de (overeenkomst tot) verdeling een enigszins ruimer en soepeler standpunt inneemt dan ten aanzien van de kavelruilovereenkomst die verplicht in de schriftelijke vorm dient te worden gegoten, mede in verband met de quasi-’Vormerkung’ van de overeenkomst ex artikel 86, lid 1 WILG.20 Ter relativering dient uiteraard te worden opgemerkt dat de vorm niets zegt over de inhoud, zodat een (miniem) verschil op het gebied van vormvereisten niets afdoet aan mogelijke inhoudelijke parallellen tussen kavelruil en verdeling.