Voor risico van de ondernemer
Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/8.5.3.1:8.5.3.1 Categoriale bescherming
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/8.5.3.1
8.5.3.1 Categoriale bescherming
Documentgegevens:
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713218:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Par. 6.3.
Rb. Midden-Nederland 22 juni 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:4185, r.o. 4.4 (curs. TdW-vdL).
Par. 3.2; hoofdstuk 5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een strikte vorm van categoriale bescherming moet worden afgewezen, omdat categoriale bescherming zou leiden tot een zekere garantieaansprakelijkheid: het enkele deelnemen aan het rechtsverkeer als ondernemer zou reden zijn tot aansprakelijkheid.1 Terecht is in de lagere rechtspraak geen voorbeeld van een dergelijke strenge vorm van ‘hoedanigheidsdenken’ te vinden. In een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland uit 2016 lijkt dit hoedanigheidsdenken zelfs expliciet te worden afgewezen. De zaak betrof een brand in een bedrijfsunit. De buurman had schade geleden en stelde de eigenaar en de huurder aansprakelijk. Met betrekking tot de vraag of de huurder, die in de bedrijfsunit een garagebedrijf exploiteerde, aansprakelijk is voor de geleden schade, oordeelde de rechtbank als volgt:
“Gelet op het risico op het ontstaan van brand in een garagebedrijf had [de garagehouder] volgens [eiser] voorzorgsmaatregelen kunnen en moeten nemen om het ontstaan van brand en schade als gevolg van brand te voorkomen of te beperken. Dat heeft hij volgens [eiser] niet gedaan. Dat [de garagehouder] onvoldoende voorzorgsmaatregelen heeft getroffen leidt [eiser] af uit het feit dat er brand is ontstaan in het garagebedrijf; kennelijk waren de maatregelen niet toereikend. Opnieuw volgt de rechtbank [eiser] hier niet in. Om aansprakelijkheid aan te kunnen nemen, moet vast staan dat er een norm is overtreden en dat valt niet af te leiden uit het feit dat er brand is ontstaan. Dat [de garagehouder] een garagebedrijf uitoefende in het pand met de bijbehorende apparatuur en ontvlambare stoffen is niet voldoende om zijn aansprakelijkheid aan te nemen.”2
Met andere woorden, het enkele feit dat de gedaagde een garagebedrijf uitoefende in het pand waar brand is uitgebroken betekent niet dat hij onrechtmatig heeft gehandeld. Overigens is het de vraag of de aansprakelijkheid niet reeds stukloopt op het daderschapsvereiste.3