Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/8.5.3.3
8.5.3.3 Wegingsfactor
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713240:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld: Rb. Oost-Brabant 2 mei 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:2757, JA 2014/101: “De rechtbank volgt [verzoeker] niet in zijn stelling dat hij zich veilig mocht wanen bij het uitstappen door de aanwezigheid van de luifel, het ontbreken van waarschuwingsborden en/of de professionele uitstraling van Shell. Er was sprake van externe weersomstandigheden en toen [verzoeker] het tankstation binnenreed heeft hij kunnen en moeten zien dat ook onder de luifel sneeuw lag. Hij moet daarom bedacht zijn geweest op mogelijke gladheid.”
Rb. Midden-Nederland 30 december 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:9661, JA 2016/98 (curs. TdW-vdL). Zie eerder ook al: Rb. ’s-Hertogenbosch 18 april 2007, ECLI:NL:RBSHE:2007:BA3146, VR 2011/72; Rb. Breda 16 januari 2012, ECLI:NL:RBBRE:2012:BV1481, JA 2012/66, r.o. 3.15.
Rb. Midden-Nederland 30 december 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:9661, JA 2016/98. Zie ook: Rb. ’s-Hertogenbosch 18 april 2007, ECLI:NL:RBSHE:2007:BA3146, VR 2011/72; Rb. Breda 16 januari 2012, ECLI:NL:RBBRE:2012:BV1481, JA 2012/66; Rb. Oost-Brabant 10 december 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:7334, JA 2016/32, r.o. 3.4; Rb. Rotterdam 18 november 2020, ECLI:NLRBROT:2020:11149, JA 2021/24. Anders: Rb. Oost-Brabant 18 januari 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:205. In deze laatste zaak was de gelaedeerde tegen een voorraadkar gebotst en had letsel opgelopen. De rechtbank overwoog dat een bezoeker van een supermarkt er bedacht op moet zijn dat de schappen worden gevuld en dat er her en der karren kunnen staan. De zaak verschilde ten opzichte van de hiervoor weergegeven zaken, omdat het in die zaken ging om valpartijen over obstakels die dicht bij de grond bevonden, zoals een doos in het gangpad.
Bijvoorbeeld: Rb. Zeeland-West-Brabant 13 juli 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:4354, VR 2017/80, r.o. 4.4.3-4.
Rb. Amsterdam 17 januari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:271, JA 2019/36, m.nt. Y. Bosschaart.
Rb. Amsterdam 17 januari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:271.
Rb. Amsterdam 17 januari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:271, JA 2019/36 m.nt. Y. Bosschaart, r.o. 4.5 (curs. TdW-vdL).
Hof Arnhem, 28 september 2010, ECLI:NL:GHARN:2009:BK4823, r.o. 4.10 (curs. TdW-vdL).
Hof Arnhem-Leeuwarden 19 mei 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:3531 (tussenarrest), r.o. 4.2; Hof Arnhem-Leeuwarden 2 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:611 (eindarrest); Concl. A-G Van Peursem, ECLI:NL:PHR:2017:599, punt 1.4, 1.6, 2.29 en 2.31, bij: HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1271 (81 RO).
Rb. Noord-Holland 21 oktober 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:8480.
Rb. Oost-Brabant 17 mei 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:2753, JA 2017/89.
HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4042, NJ 2007/141, m.nt. C.J.H. Brunner (Skeelerongeval).
Rb. Limburg 26 februari 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:1759, JA 2020/65.
Bijvoorbeeld: Hof Arnhem-Leeuwarden 12 mei 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3726, r.o. 4.14-15; Zie ook een voorbeeld van hinder, waarbij het financiële belang van gedaagde zo zwaar woog dat afbraak van een gerealiseerde opbouw niet redelijk werd geacht: Hof Arnhem-Leeuwarden 16 april 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:3392, NJF 2019/361, r.o. 4.36-4.38 (tussenuitspraak); Hof Arnhem-Leeuwarden 20 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:6945 (einduitspraak).
Rb. Oost-Brabant 17 mei 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:2753, JA 2017/89.
Rb. Oost-Brabant 17 mei 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:2753, JA 2017/89, r.o. 4.25.
Hof Arnhem-Leeuwarden 19 mei 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:3531, JA 2015/91, r.o. 4.2 (tussenarrest); Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:611, NJ 2017/359, r.o. 2.1 (eindarrest). In cassatie is tegen het arrest opgekomen. De Hoge Raad heeft het met art. 81 RO afgedaan: HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1271.
Hof Arnhem-Leeuwarden 19 mei 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:3531, JA 2015/91, r.o. 4.2 (tussenarrest).
Hof Arnhem-Leeuwarden 30 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6257, NJF 2019/452.
Hof Arnhem-Leeuwarden 30 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6257, NJF 2019/452, r.o. 4.6 (curs. TdW-vdL).
Rb. Zwolle-Lelystad 28 maart 2012, ECLI:NL:RBZLY:2012:BX2876, S&S 2013/13 (curs. TdW-vdL).
Rb. Den Haag 16 februari 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:1603, r.o. 3.6.
Hof Arnhem-Leeuwarden 12 mei 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:3437, r.o. 5.12.
Van Dam 2020/405, p. 161-162.
Rb. Overijssel 17 november 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:4370, NJF 2022/49, r.o. 4.9.
Van der Linden, NTBR 2020/38.
Dit gezichtspunt volgt uit: HR 20 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7686, NJ 2000, 700 (Foekens/Naim); HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236, NJ 2011/155, m.nt. T. Hartlief (Wilnis), r.o. 4.4.3.
Rb. Amsterdam 17 januari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:271.
Rb. Amsterdam 17 januari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:271, r.o. 4.5.
Rb. Maastricht 5 april 2006, ECLI:NL:RBMAA:2006:AV9197, r.o. 3.3.2; Rb. Amsterdam 30 januari 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BG3861, r.o. 4.1.3.
Rb. Maastricht 24 november 2010, ECLI:NL:RBMAA:2010:BO8052, r.o. 4.1.1.
Rb. Overijssel 4 april 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:1158, r.o. 4.11.
Rb. Maastricht 5 april 2006, ECLI:NL:RBMAA:2006:AV9197, r.o. 3.3.2; Rb. Amsterdam 30 januari 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BG3861, r.o. 4.1.3.
Rb. Gelderland 3 september 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:6136, r.o. 4.7.
Rb. Den Haag 27 maart 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ7388, r.o. 4.7.
Rb. Amsterdam 17 januari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:271, r.o. 4.5.
Rb. Overijssel 4 april 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:1158, r.o. 4.11.
Rb. Maastricht 24 november 2010, ECLI:NL:RBMAA:2010:BO8052, r.o. 4.1.1.
Hof Arnhem-Leeuwarden 13 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:3614, JA 2021/86, r.o. 4.4.
In paragraaf 6.4.3 kwam aan de orde dat de hoedanigheid van de laedens fungeert als wegingsfactor in een contextuele beoordeling. Met andere woorden, de hoedanigheid van de laedens geeft kleur aan bepaalde factoren. In de lagere rechtspraak zijn verschillende voorbeelden hiervan gevonden.
In verscheidene gevaarzettingsgevallen neemt de rechter de hoedanigheid van ondernemer mee bij het vaststellen van het risico of de vereiste mate van zorg. Ten eerste weegt de rechter de hoedanigheid van ondernemer wel eens mee bij de invulling van de Kelderluikfactor ‘de verwachte onoplettendheid en onvoorzichtigheid van de gelaedeerde’. Vooropgesteld wordt dat de zakelijke hoedanigheid van de laedens geen reden is dat potentiële gelaedeerden zich helemaal veilig kunnen wanen en niet meer hoeven op te letten.1 Wel moet een ondernemer in bepaalde omstandigheden ervan uitgaan dat klanten niet altijd voldoende oplettend of voorzichtig zijn. In een zaak over een valpartij in een drogisterij overweegt de rechter bijvoorbeeld:
“Dat winkelend publiek niet altijd voldoende oplettend en voorzichtig is acht de rechtbank voorzienbaar. Het ligt voor de hand dat een klant, ook als hij of zij meeloopt met een medewerkster, de blik (ook) richt op de schappen en de producten en daardoor niet steeds bedacht is op obstakels in het looppad of voorwerpen op de winkelvloer. Kruidvat moet er als winkelier daarom rekening mee houden dat bezoekers van de winkel niet steeds de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht nemen wanneer zij door de winkel lopen.”2
Een dergelijke invulling van de factor ‘de te verwachten onoplettendheid en onvoorzichtigheid van de gelaedeerde’ is afhankelijk van het type ondernemer. Deze invulling is namelijk vooral te zien ten aanzien van een bepaalde bedrijfstak, bestaande uit ondernemingen met een publiek toegankelijk karakter. Naast winkeliers,3 gaat het dan bijvoorbeeld om horecaondernemers, organisatoren van evenementen4 of sportscholen.5 Illustratief is een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2019.6 Eiseres in kwestie bezocht een sportschool om haar zoon, die daar aan het sporten was, gedag te zeggen. Toen zij naar haar zoon wilde lopen, struikelde zij over een verhoging en liep letsel op. Ze stelde de sportschool aansprakelijk op grond van art. 6:174 jo. 6:181 BW en subsidiair op grond van art. 6:162 BW. De rechtbank oordeelt:
“De rechtbank acht de volgende omstandigheden van belang. In de fitnessruimte van een sportschool bewegen de bezoekers veelvuldig heen en weer. De aandacht van de bezoekers zal daarbij met name uitgaan naar het zich verplaatsen naar een volgend fitnessapparaat. […] Fit for free kon er daarbij, als professionele organisatie, niet zonder meer van uitgaan dat de bezoekers altijd een hoge mate van oplettendheid betrachten met betrekking tot de aangebrachte verhogingen. […] Dat brengt met zich dat aan de verhogingen, en in het bijzonder daar waar de verhoging aanvangt, de eis mag worden gesteld dat die in voldoende mate zichtbaar zijn voor de bezoekers van de sportschool, ongeacht of het frequente bezoekers betreft dan wel gaat om een incidenteel bezoek.”7
Een vergelijkbaar geval is een zaak van het hof Arnhem uit 2009. In dat geval waren twee klanten aanwezig in het autoservicebedrijf Kwik-Fit, terwijl een autoband werd opgepompt. Het oppompen van deze autoband ging echter mis, waardoor de band ontplofte. Door de ontploffing schrokken de (twee oudere) klanten zodanig, dat zij ten val kwamen. De vraag was of Kwik-Fit aansprakelijk was voor de geleden schade. Het hof oordeelde:
“Voornoemde maatregelen [in casu: waarschuwingen] mogen te meer van Kwik-Fit (die handelt in de uitoefening van een bedrijf) worden verwacht nu zij klanten (onder wie, zoals in het onderhavige geval, consumenten) in haar werkplaats toelaat.”8
Verder kan een voorbeeld genoemd worden, waarin de massaliteit van de ondernemingsactiviteit een rol lijkt te spelen. Zo overweegt het hof Arnhem-Leeuwarden dat vanwege de massaliteit en de beleving van een bezoek aan Ikea als ‘dagje uit’ van publiek minder oplettendheid en voorzichtigheid mag worden verwacht.9 De verhoogde mate van oplettendheid en voorzichtigheid wordt door de lagere rechter overigens niet aangenomen als de relatie tot de bedrijfsactiviteiten te ver verwijderd is. Zo overweegt de rechtbank Noord-Holland met betrekking tot een valpartij bij de ingang van een winkel dat van de gelaedeerde een gemiddelde oplettendheid en voorzichtigheid mocht worden verwacht. De rechtbank stelt namelijk voorop dat eiser “ten tijde van de val niet langer aan het winkelen was, maar dat hij op weg naar buiten was. Dit betekent dat hij niet werd afgeleid bij het zoeken naar producten die hij wilde aanschaffen.”10
Ten tweede weegt de rechter de hoedanigheid van ondernemer mee bij de invulling van de Kelderluikfactoren ‘ernst van de gevolgen’ en ‘kans op schade’. Het gaat dan met name om de ondernemer die van het uitvoeren van gevaarlijke activiteiten zijn bedrijf maakt. Sommige bedrijfsactiviteiten maken de gedraging meer risicovol, omdat de gevolgen ernstiger zijn of de kans op schade groter is. Illustratief is een uitspraak over de aansprakelijkheid van de exploitant van de kartbaan.11 In die zaak vormde de gevaarlijkheid van de activiteit (het karten) een omstandigheid die meespeelde bij de belangenafweging. Illustratief is ook een uitspraak van de rechtbank Limburg uit 2020, waarin een ski-ongeval in een (bedrijfsmatig geëxploiteerde) indoor skibaan centraal stond. De onervaren gelaedeerde was op een skipiste terecht gekomen die alleen geschikt was voor gevorderde skiërs. Op deze skipiste stond een skischans. De gelaedeerde was tijdens het nemen van een skischans ten val gekomen en stelde vervolgens de skihal aansprakelijk. De eiser meende dat de skihal niet voldoende had gewaarschuwd voor de moeilijkheidsgraad van de piste, niet indringend genoeg had geadviseerd dat hij voldoende beschermingsmateriaal moest dragen, hem niet voldoende had geïnstrueerd en niet voldoende toezicht had gehouden. De rechtbank oordeelt dat deze maatregelen in het algemeen niet van een exploitant hoefden te worden verwacht, maar dat dit wel mogelijk is, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij verwijst zij naar het Skeeler-arrest12 en oordeelt dat die situatie wel degelijk anders was omdat in dat geval de skeelerles was georganiseerd door de exploitant, terwijl hier de gelaedeerde in alle vrijheid zelf wilde skiën. In het onderhavige geval was het enkele adviseren van het dragen van een helm en bodyprotection voldoende.13 Belangrijke omstandigheid is aldus of de ondernemer de activiteit organiseert of dat alleen faciliteiten ter beschikking worden gesteld. In het eerste geval kan een hogere mate van (actieve) zorg worden verwacht dan in het tweede geval.
De rechter weegt ten derde de hoedanigheid van ondernemer mee bij het bepalen van de bezwaarlijkheid van de te nemen voorzorgmaatregelen. Hierbij speelt bijvoorbeeld de financiële draagkracht van de ondernemer een rol.14 In de lagere rechtspraak is een voorbeeld te vinden waar de laedens zich verweert met de stelling dat het treffen van de gevraagde voorzorgsmaatregelen niet bedrijfseconomisch verantwoord is.15 Het ging om de kosten van het aanstellen van vlaggers die moesten waarschuwen voor gevaarlijke situaties op een kartbaan. De exploitant van de kartbaan verweerde zich door te stellen dat het “inhuren van vlaggers […] de toch al hoge prijs van het vrij rijden zo [zou] opstuwen dat dit het einde van het kartcircuit zou betekenen.” De rechtbank gaat hier niet in mee en oordeelt dat het niet nodig is om negen vlaggers aan te stellen, maar dat twee vlaggers al voldoende zouden zijn, dat die vlaggers onbetaalde vrijwilligers kunnen zijn of dat gekozen kan worden voor een systeem van waarschuwingslichten en één toezichthouder. Deze extra veiligheidsmaatregelen zouden weliswaar zorgen voor extra kosten en daarmee een verhoging van het entreebedrag, maar dit was vanuit veiligheidsoogpunt noodzakelijk.16 De rechtbank lijkt hiermee oog te hebben voor de financiële positie van de laedens, maar gaat niet zover om het beroep op duurzame voortzetting van de onderneming te honoreren. De financiële bezwaarlijkheid kan – terecht – geen reden vormen om veiligheidsmaatregelen geheel achterwege te laten, zeker niet gelet op de kans op ongelukken, de ernst van de gevolgen en de mogelijkheid tot goedkope(re) alternatieve voorzorgsmaatregelen. Opvallend is verder dat de rechtbank specifiek de entreeprijsverhoging meeweegt in de beoordeling. Hoewel de rechtbank hier verder niet op ingaat, zou hieruit opgemaakt worden dat is meegewogen dat de exploitant de kosten kan doorberekenen aan gebruikers van het kartcircuit.
Een kostendoorberekening komt tevens terug in de voormelde uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden over een val voor de ingang van een Ikea-filiaal.17 Het ging om de vraag of een Ikea-filiaal de stoep voor de ingang had moeten strooien in verband met gladheid en drukte. In het kader van de bezwaarlijkheid van de strooimaatregelen overwoog het hof: “De kosten van maatregelen om gladheid te bestrijden, moet Ikea redelijkerwijs kunnen bestrijden uit de omzet die met de bedoelde massaliteit verbonden is.”18 ‘De massaliteit’ lijkt het hof aan te grijpen als argument voor het oordeel dat de extra kosten voor de meubelgigant bedrijfseconomisch verantwoord zijn. Met ‘massaliteit’ heeft het hof kennelijk oog voor het economisch succes en daarmee de economische macht van de ondernemer. Daarnaast lijkt het hof hier de kans op ongevallen (die door de drukte vergroot was) af te zetten tegen het profijt dat de ondernemer heeft gehad van die drukte, waarbij het terecht tot het oordeel komt dat de veiligheid van het publiek meer gewicht in de schaal legt.
In lijn met voornoemde twee uitspraken is een uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden uit 2019.19 De zaak betrof een valpartij in een winkelcentrum, dat deels gerenoveerd werd. De gelaedeerde stelde de aannemer van het verbouwingsproject aansprakelijk voor de geleden schade. Het hof overweegt dat:
“het nemen van veiligheidsmaatregelen […] misschien lastig maar zeker niet bezwaarlijk [was] voor een aannemer in zo’n grootschalig verbouwingsproject. […] Elk van die mogelijkheden zou een eenvoudige en weinig kostbare maatregelen opleveren, die zou kunnen voorkomen dat het winkelend publiek daar zou struikelen of in ieder geval met een gerichte waarschuwing de aandacht voor die overgang zou trekken. […] Alles bijeen genomen, kon en mocht in deze bijzondere situatie in een overdekt winkelcentrum van [gedaagde] als verbouwend aannemer in het kader van de maatschappelijke zorgvuldigheid worden verlangd dat zij een of meer van dergelijke eenvoudige en nauwelijks kosten vergende maatregelen had getrokken, hetgeen zij echter heeft nagelaten, zodat zij daardoor jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld.”20
Met ‘grootschalig verbouwproject’ doelt het hof kennelijk op het (economisch) succes van de ondernemer en weegt dit mee bij de bezwaarlijkheid van te nemen voorzorgsmaatregelen.
Naast het kostenaspect speelt in de lagere rechtspraak de moeite die van de laedens verwacht kan worden om voorzorgsmaatregelen te nemen een rol. In twee zaken oordeelt de rechter dat van de laedens een bepaalde inzet mag worden verwacht. Een voorbeeld is een zaak van de rechtbank Zwolle-Lelystad uit 2012. In dat geval was een vrachtschip tijdens het beladen vervuild geraakt met vliegas. Met betrekking tot de vraag of de belader voldoende veiligheidsmaatregelen had genomen, oordeelt de rechtbank:
“Als grote professionele belader zou van haar verwacht hebben mogen worden, hetgeen zij heeft nagelaten, dat zij voor een situatie zoals de onderhavige, waarin de automatische afslag volgens Electrabel niet functioneert, ter voorkoming van schade in haar laadinstallatie zodanig werkende veiligheidsvoorzieningen zou hebben ingebouwd, dat geen naloop van vliegas plaatsvindt wanneer op de noodknop moet worden gedrukt.”21
In een geval bij de rechtbank Den Haag uit 2022 ging het om een plaag van Californische tripsen als gevolg waarvan een orchideekweker schade had geleden. De orchideekweker stelde de huurder van de naastgelegen kas, een spinaziekweker, aansprakelijk voor de schade, omdat hij stelde dat de tripsen afkomstig waren uit diens kas. De rechtbank oordeelt dat de spinaziekweker niet kan worden verweten dat hij geen maatregelen heeft genomen tegen de tripsen in zijn kas. Hem kan echter wel worden verweten dat hij niet had gewaarschuwd op het moment dat hij de spinazie zou gaan trekken en het aannemelijk zou zijn dat de tripsen zouden worden gestoord en uit zouden vliegen. In het kader van de bezwaarlijkheid van de te nemen maatregelen overweegt de rechtbank dat het “voor een ondernemer een kleine moeite [is] om exploitanten van omliggende kassen te waarschuwen op het moment dat de ondernemer in zijn/haar kas activiteiten gaat uitvoeren waarbij aanwezige tripsen worden verstoord.”22
Bij het bepalen van de gewenste mate van zorg is van belang welke mogelijkheden tot controle de laedens heeft. Hierbij speelt de hoedanigheid van ondernemer (indirect) een rol. In de eerdergenoemde zaak betreffende het vuurwerkongeval tijdens oud en nieuw overweegt het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat de hoedanigheid van vuurwerkhandelaar doorwerkt in het kennisniveau van de laedens. Vanwege de kennis omtrent de gevaarlijkheid van de vuurwerkpot, had de handelaar de controle over het vuurwerk moeten behouden:
“Naar het oordeel van het hof had het in ieder geval op de weg van [geïntimeerde] gelegen rechtstreeks de controle over de tas waarin het gevaarlijke vuurwerk zich bevond, te behouden. Op die wijze had [geïntimeerde] immers, in het niet ondenkbeeldige geval dat de vuurwerkpot in handen van derden zou (dreigen te) vallen, direct in kunnen grijpen. [geïntimeerde] heeft zulks echter nagelaten door de tas met daarin de vuurwerkpot door zijn partner (die niet op de hoogte was van het specifieke aan de vuurwerkpot verbonden gevaar) te laten dragen.”23
Het overdragen van de vuurwerkpot aan een persoon (zijn partner) die niet beschikte over de kennis was onvoldoende, zo oordeelt het hof.
In de literatuur is eerder geschreven dat in sommige gevallen zulke hoge eisen worden gesteld aan de voorzorgsmaatregelen dat er eigenlijk een risicoaansprakelijkheid ontstaat.24 Iets vergelijkbaars doet zich voor in een zaak van de rechtbank Overijssel uit 2021. De feiten waren als volgt. Het waterleidingbedrijf Vitens heeft in 2007 op verzoek van een particulier de watermeteropstelling verwijderd. Tien jaar later bleek dat water uit de aansluitleiding is gestroomd, waardoor het woonhuis is verzakt en er scheuren in de muren zijn ontstaan. De vraag in het geding was of Vitens bij de werkzaamheden in 2007 op het afgezaagde uiteinde van de aansluitleiding een dop had moeten plaatsen of dat enkel het dichtdraaien van de leiding voldoende was. De rechtbank oordeelt dat Vitens vanwege het achterwege laten van de dop aansprakelijk was voor de schade. Interessant is de overweging ten overvloede:
“Ten overvloede overweegt de rechtbank op dit punt nog het volgende. Aan het vorenstaande doet niet af dat het volgens Vitens in het geval van [A] gaat om een zeer uitzonderlijke situatie, omdat het dichtdraaien van de dienstkraan vrijwel altijd voldoende is om voor een blijvende afsluiting van de watertoevoer te zorgen. Dat kan het inderdaad voorstelbaar maken dat Vitens, zoals zij kennelijk doet, de afweging maakt om voor het overgrote deel van de afsluitingen waarvoor zij zorg moet dragen, te volstaan met het dichtdraaien van de dienstkraan; dat zal immers, zoals Vitens stelt, in bijna alle gevallen voldoende zijn. Maar de keerzijde van die afweging is naar het oordeel van de rechtbank dan echter wel, dat Vitens dan ook moet instaan voor die (zeer) beperkte gevallen waarin het enkele dichtdraaien van de dienstkraan niet voldoende blijkt te zijn. Als dat een situatie is zoals deze, waarin het plaatsen van een dop de schadeoorzaak – op eenvoudige wijze, en tegen beperkte kosten – had kunnen voorkomen, dan zal de afweging van Vitens er ook toe moeten leiden dat zij die zeldzame schade dan niet voor de benadeelden laat, maar deze zelf voor haar rekening neemt.”25
Ook in gevallen van kwalitatieve aansprakelijkheid weegt de rechter de hoedanigheid van ondernemer mee bij de vraag of een rechtsnorm is overschreden. Zo werkt het bedrijfsmatig gebruik van een zaak door in het gebrekscriterium van art. 6:173 en 6:174 BW.26 Dit betekent dat de omstandigheid ‘gebruik van de zaak’27 anders wordt ingekleurd. Illustratief is de eerder besproken uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2019 over het ongeval in de sportschool.28 De rechtbank oordeelt:
“De rechtbank acht de volgende omstandigheden van belang. In de fitnessruimte van een sportschool bewegen de bezoekers veelvuldig heen en weer. De aandacht van de bezoekers zal daarbij met name uitgaan naar het zich verplaatsen naar een volgend fitnessapparaat. […] Fit for free kon er daarbij, als professionele organisatie, niet zonder meer van uitgaan dat de bezoekers altijd een hoge mate van oplettendheid betrachten met betrekking tot de aangebrachte verhogingen. […] Dat brengt met zich dat aan de verhogingen, en in het bijzonder daar waar de verhoging aanvangt, de eis mag worden gesteld dat die in voldoende mate zichtbaar zijn voor de bezoekers van de sportschool, ongeacht of het frequente bezoekers betreft dan wel gaat om een incidenteel bezoek [curs. TdW-vdL]”.29
De rechtbank stelt hier een onderneming (in casu: een sportschool) gelijk met een professionele organisatie. Vervolgens verbindt zij hieraan de conclusie dat de sportschool extra voorzorgsmaatregelen had moeten nemen en dat het nalaten van het nemen van deze maatregelen de opstal gebrekkig doet zijn. Van de bedrijfsmatig gebruiker mogen meer voorzorgsmaatregelen verwacht mogen worden, zeker indien de bedrijfsactiviteiten gevaarlijk zijn of het bedrijf publiek toegankelijk is. Zo moeten uitstekende objecten in winkels worden verwijderd of duidelijk zichtbaar zijn,30 moeten gevaarlijke plateaus van zomerkampen worden voorzien van beschermhekjes31 en moeten gevaarlijke machines, zeker indien die bedrijfsmatig worden gebruikt, adequaat worden beveiligd.32 Daarnaast moet de bedrijfsmatig gebruiker adequaat waarschuwen. Zo moet er worden gewaarschuwd voor uitstekende objecten in winkels,33 gladde vloeren in winkelcentra,34 gevaren inherent aan de bedrijfsactiviteit, zoals een te klein hoogteverschil van een tokkelbaan,35 en voor hoogteverschil in een sportschool.36 Daarnaast moet de bedrijfsmatig gebruiker eerder controleren op gebreken. Zo dient bijvoorbeeld de antisliplaag van een houten vloer te worden gecontroleerd37 en moet worden nagegaan of een plateau van een zomerkamp genoeg waarborgen biedt tegen valgevaar.38
In een uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden uit 2021 komt de bedrijfsmatige hoedanigheid van de normadressaat expliciet terug in het gebrekkigheidsoordeel. Een leverancier van diervoer was met zijn bulkwagen door een betonnen plaat (waaronder zich een oude kelder bevond) gezakt op het terrein van een pluimveehouderij. Met betrekking tot de vraag of de opstal gebrekkig was, oordeelt het hof:
“Al met al oordeelt het hof net als de rechtbank dat de betonvloer met de daaronder gelegen kelder niet voldeed aan de (veiligheids)eisen die men in de gegeven omstandigheden aan een erf/terreinverharding op een agrarisch bedrijf, dat wordt bezocht door zwaar verkeer zoals bulkwagens met diervoer, mocht stellen.”39