Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/7.13.1
7.13.1 Persoonlijke omstandigheden
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258907:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Mooij, ArbeidsRecht 2009/14 voor meer voorbeelden van persoonlijke omstandigheden bij weigering van passende arbeid, zoals de zaak waarin een functie van profbasketballer niet ineens niet-passend wordt, omdat de werknemer inmiddels een academische studie heeft afgerond, een relatief hoge leeftijd heeft en al enkele malen een blessure heeft opgelopen. Of een schoonmaakster die (passend) schoonmaakwerk weigerde, omdat zij de route naar het werk niet veilig vond (vlakbij een tippelzone).
Driessen & Gundt, TRA 2013/66.
CRvB 16 augustus 1994, ECLI:NL:CRVB:1994:ZB3028.
Boot, in: T&C Socialezekerheidsrecht, commentaar op Besluit passende arbeid WW en ZW; CRvB 24 januari 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AB0449 en CRvB 6 april 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT4814.
CRvB 1 augustus 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AL3572.
CRvB 3 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3006, USZ 2014/325 m.nt. Boot. Zie ook CRvB 24 januari 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AB0449 en CRvB 6 april 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT4814.
Boot, in: T&C Socialezekerheidsrecht, commentaar op Besluit passende arbeid WW en ZW; CRvB 9 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT2749.
CRvB 19 december 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AL1352.
Uit de jurisprudentie blijkt dat bepaalde persoonlijke omstandigheden een goede reden geven om arbeid niet als passend te beschouwen.1 Er mag een individuele uitleg aan passende arbeid worden gegeven waarbij subjectieve omstandigheden, zoals zorg voor gezinsleden, gezondheidsproblemen en gewetensbezwaren een rol kunnen spelen.2 Uit de casuïstische jurisprudentie blijkt dat een dergelijk beroep niet snel wordt aanvaard en de CRvB daar een strenge lijn in heeft getrokken.
Het niet hebben van oppas werd in sommige zaken wel en in andere zaken niet geaccepteerd als valide reden om passende arbeid te weigeren. Het uitgangspunt daarbij is dat een werknemer al het redelijkerwijs mogelijke moet hebben gedaan om te voorkomen dat hij werkloos wordt. Het stellen van belemmerende eisen aan de kinderopvang kan naar de aard van het werk en de opstelling van de betrokkenen verwijtbaar zijn, zoals een stratenmaker die in een branche werkt waar slechts beperkte tijd op dezelfde locatie wordt gewerkt, geen ruimere opstelling heeft om andere werkzaamheden te doen, maar wel wenst om op gezette tijden op een vaste plaats beschikbaar te zijn voor zijn kinderen.3 In jurisprudentie naar aanleiding van de Richtlijn passende arbeid 1996 heeft de CRvB bepaald dat als de reden voor het niet aanvaarden van passende arbeid het niet hebben van kinderoppas is, moet worden onderzocht of betrokkene voldoende pogingen heeft ondernomen om de problemen met de kinderoppas op te vangen.4 In een zaak uit 2001 werd de reden voor het niet hebben van oppas niet als valide gezien voor het accepteren van uitzendwerk met minder uren in de avond.5
In een zaak uit 2014 had een werkneemster vanwege het plotseling uitvallen van haar kinderoppas geaccepteerd dat haar arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met vaste arbeidsomvang in een nulurenovereenkomst was gewijzigd en daardoor werkte zij minder uren dan voorheen. Vanwege het feit dat zij maar voor enkele dagen een oplossing kon vinden en onbetaald ouderschapsverlof geen reële oplossing was, concludeerde de Raad dat zij niet nog meer stappen kon nemen.6 Als er geen stappen kunnen worden ondernomen op persoonlijk vlak voor een oppas dan kan de jurisprudentie op dit gebied dus wel soelaas bieden, maar dat gebeurt niet snel.
Ook andere persoonlijke omstandigheden leiden niet snel tot een valide reden. Zo werd bepaald dat het geen reden van sociale aard was om arbeid te mogen weigeren vanwege het feit dat een vrouw, werkzaam geweest als beveiligingsbeambte, in de avonduren en ’s nachts alleen moest reizen.7 In een zaak uit 2001 werd bepaald dat het arbeidsverleden een verzachtende rol kan spelen. De betrokkene had op eigen initiatief voortijdig een sollicitatieprocedure beëindigd, omdat de bedrijfscultuur haar niet aansprak. Dit werd haar niet kwalijk genomen door de Raad, omdat de omstandigheden dat betrokkene zich actief op de arbeidsmarkt opstelde en ten tijde van de sollicitatie nog maar gedurende een korte periode werkloos was en een gerede kans maakte om binnen afzienbare tijd een passende functie te verwerven, hetgeen ook was geschied, ook belangrijke factoren waren om in aanmerking te nemen.8