Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/6.3.3.2
6.3.3.2 Splitsing van de consoliderende vennootschap en de overgang van een 403-verklaring
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648738:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie artikel 2:334f lid 2 sub d BW en artikel 2:334s BW.
Zie artikel 2:334s BW.
De waardering zal moeilijk zijn, doch niet onmogelijk en zal onder andere samenhangen van de financiële positie van de dochtervennootschap.
Verbrugh spreekt in dit kader van overblijvende aansprakelijkheid; zie: Verbrugh 2006, p. 54. Zijn bedoeling zal worden begrepen, maar geheel zuiver is dit niet. Wanneer wordt gesproken over overblijvende aansprakelijkheid zoals dit is bedoeld in de wet, zie artikel 2:404 lid 3 BW, gaat het om de aansprakelijkheid die resteert na intrekking, zie 2:404 lid 1.
Zie onder meer Spier 2009, p. 2 en HR 24 april 1970, NJ 1970/406. Verbrugh geeft alleen een toelichting voor wat betreft de overblijvende aansprakelijkheid: “Gaat men ervan uit dat de 403-verklaring niet onder algemene titel kan overgaan, dan gaat nog wel de overblijvende aansprakelijkheid over. In de beschrijving van de vermogensbestanddelen moet dan ook worden opgenomen welke vennootschap deze aansprakelijkheid verkrijgt. ( ) De niet verkrijgende vennootschappen zijn op grond van art. 2:334t BW subsidiair aansprakelijk voor verbintenissen van de splitsende vennootschap, al dan niet tot het netto-actief. Daaronder vallen ook de verbintenissen uit de 403-verklaring.” Zie Verbrugh 2006, p. 54.
Zie onder meer Linse 2013, p. 26. De aansprakelijkheid op grond van artikel 2:334t BW ziet expliciet op de nakoming van verbintenissen die bestaan ten tijde van de splitsing. Onderscheid moet worden gemaakt tussen toekomstige en bestaande voorwaardelijke verbintenissen.
De tekst dient vrij letterlijk te worden gelezen en als de splitsende vennootschap is opgehouden te bestaan – zoals bij zuivere splitsing wel gebeurt maar bij afsplitsing niet – dan kan worden beargumenteerd dat aansprakelijkheid voor rechtshandelingen, die na het verdwijnen van de rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde en die in de 403-verklaring wordt genoemd, niet meer uit die 403-verklaring kan voortvloeien.
Als een moedervennootschap die een 403-verklaring deponeerde betrokken raakt bij een splitsing, rijst de vraag wat er gebeurt met de door haar gedeponeerde 403-verklaring. Op basis van artikel 2:334s BW rijst de vraag of de 403-verklaring kan worden gezien als een vermogensbestanddeel:
Artikel 334s
De leden 2 tot en met 4 zijn van toepassing indien van een vermogensbestanddeel aan de hand van de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving niet kan worden bepaald welke rechtspersoon daarop na de splitsing rechthebbende is.
Is een 403-verklaring een vermogensbestanddeel?1 Een 403-verklaring is bestemd om een vermogensrecht in het leven te roepen. De 403-verklaring kan, wanneer vrijgestelde rechtspersoon een rechtshandeling verricht waar schulden uit voortvloeien, een vermogensrechtelijke rechtsverhouding tot gevolg hebben. Volgens de splitsingsregeling dienen rechtsverhoudingen in beginsel in het geheel over te gaan. Een (403-)verklaring is echter de belichaming van de daarin neergelegde rechtshandeling. Een verklaring zelf is moeilijk aan te merken als een vermogensbestanddeel, nu is geconstateerd dat zij (slechts) bedoeld is vermogensrechten in het leven te roepen. Wetstechnisch gezien dient een 403-verklaring – en haar bestemming – dus niet opgenomen te worden in het splitsingsvoorstel. Ook de regel voor vermogensbestanddelen waarvoor ‘bestemming onbekend’ geldt,2 blijkt wetstechnisch gezien niet van toepassing te zijn op een 403-verklaring. De 403-verklaring valt in dat geval tussen wal en schip. Het ligt dan voor de hand aansluiting te zoeken bij artikel 2:334s BW en beide vennootschappen die de rechtspositie van de gesplitste vennootschap voortzetten verantwoordelijk te houden voor de gevolgen van een 403-verklaring.
De vraag rijst of een 403-verklaring kan worden aangemerkt als een vermogensbestanddeel wanneer een 403-verklaring zou worden aangemerkt als een schuld met onbekende omvang. Wanneer moet worden ingeschat wat de (negatieve) waarde van een 403-verklaring is, moet bekend zijn welke verplichtingen uit een 403-verklaring voortvloeien. Het object is dan niet de 403-verklaring zelf. De aansprakelijkheid die resteert wanneer geen nieuwe aansprakelijkheden meer uit een 403-verklaring kunnen voortvloeien, is weliswaar onbekend maar wel begrensd en zal te waarderen zijn.3 Uit een 403-verklaring die is overgegaan, kunnen nog steeds nieuwe verplichtingen voortvloeien. Wanneer wordt gekeken naar de verplichtingen die nog uit een 403-verklaring voortvloeien, wordt in eerste instantie gedacht aan de overblijvende aansprakelijkheid.4 Maar zolang een 403-verklaring (nog) niet is ingetrokken, valt daar – ook in geval van splitsing – tevens aansprakelijkheid onder die voortvloeit uit toekomstige rechtshandelingen.
Met het oog op de toepassing van artikel 2:334t BW kan een andere invalshoek worden gekozen. In dat kader is het van belang om de vraag te beantwoorden of een 403-verklaring kan worden aangemerkt als een verbintenis.
Artikel 334t
De verkrijgende rechtspersonen en de voortbestaande gesplitste rechtspersoon zijn aansprakelijk tot nakoming van de verbintenissen van de gesplitste rechtspersoon ten tijde van de splitsing.
Een 403-verklaring richt zich tot een niet nader gedefinieerde groep bestaande en toekomstige schuldeisers van een vrijgestelde rechtspersoon. De rechtsverhouding tussen de vennootschap die zich aansprakelijk heeft verklaard enerzijds en de schuldeisers die een beroep kunnen doen op de 403-verklaring anderzijds, kan zonder meer worden aangemerkt als een verbintenis. Ten aanzien van toekomstige schuldeisers is er een toekomstige aansprakelijkheid, een toekomstige verbintenis.5Artikel 2:334t BW strekt zich niet uit over toekomstige verbintenissen, wel uit toekomstige verplichtingen uit reeds bestaande verbintenissen.6 De reeds op basis van een 403-verklaring ontstane aansprakelijkheid rust na een splitsing op basis van artikel 2:334t BW op zowel verkrijgende rechtspersonen alsook op de voortbestaande gesplitste rechtspersoon als deze aansprakelijkheid niet aan een van de bij de splitsing betrokken rechtspersonen is toebedeeld.
Een duidelijk antwoord op de vraag wat er in geval van splitsing van een rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde met een 403-verklaring gebeurt, wordt door de regels inzake splitsing niet gegeven. Een ding is zeker, de effectuering van een splitsing leidt niet tot een geldige intrekking van een 403-verklaring, dus die blijft in beginsel voortbestaan. De 403-verklaring zal in beginsel achterblijven bij de rechtspersoon die deze verklaring deponeerde. Wanneer er sprake is van afsplitsing blijft de verklaring derhalve horen bij de voortbestaande rechtspersoon. Schuldeisers met een vordering die voortvloeit uit een ten tijde van de splitsing reeds bestaande verbintenis, kunnen bij zowel de verkrijgende rechtspersonen alsook bij de voortbestaande gesplitste rechtspersoon terecht. Voor partijen die na de splitsing zaken doen met de voortbestaande rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde, geldt dit niet.
Is er sprake van zuivere splitsing waarbij de rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde niet blijft voortbestaan, dan zal de 403-verklaring wel blijven bestaan maar de rechtspersoon die de verklaring heeft afgelegd, is na de splitsing opgehouden te bestaan. De vraag is of deze 403-verklaring nog enig effect sorteert met betrekking tot rechtshandelingen die plaatsvinden nadat de vennootschap is opgehouden te bestaan. Een tekstuele uitleg van de 403-verklaring staat daaraan in de weg.7 Anderzijds kan worden betoogd dat er bij splitsing sprake is van verkrijging onder algemene titel en dat de rechtspositie van de splitsende vennootschap na de splitsing wordt voortgezet. Om die reden – en gezien artikel 2:334j BW – zou kunnen worden betoogd dat een 403-verklaring, althans de gevolgen daarvan, overgaan bij splitsing en de 403-verklaring nog gevolgen heeft voor de rechtspersonen die de rechtspositie van de rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde voortzetten. Aangezien het splitsingsvoorstel niet hoeft te vermelden op wie de verklaring overgaat, lijkt dan de meest voor de hand liggende gedachte dat beide vennootschappen, die na de splitsing de rechtspositie voortzetten, aansprakelijk zijn.
Een vraag die verband houdt met het ophouden te bestaan van de moedervennootschap die de 403-verklaring deponeerde, is de vraag of de verklaring nog kan worden ingetrokken en door wie. De intrekking is van belang met het oog op de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid. De procedure daartoe staat alleen open na intrekking van de 403-verklaring. De intrekking dient in beginsel te geschieden door de rechtspersoon die de verklaring deponeerde. Die is na de effectuering van een zuivere splitsing verdwenen. Wanneer de verkrijgende vennootschappen de rechtspositie van de verdwenen vennootschap voortzetten, zou de intrekking mogelijk door hen of de oud-bestuurders kunnen geschieden, namens de verdwenen rechtspersoon.