Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/11.2
11.2 Resultaten van de jurisprudentieanalyse over aansprakelijkheid voor asbestziekten
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174106:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Partijen debatteren overigens soms wel over de vraag of die blootstelling ook fataal is geweest, dat wil zeggen heeft geresulteerd in de asbestziekte.
Zie bijvoorbeeld De Lang & Van 2008.
Zie onder meer: HR 26 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9666, NJ 2001, 597 (Weststrate/De Schelde); HR 23 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW6166, NJ 2006, 354 (Havermans/Luyckx).
Uitvoerige motivering is bijvoorbeeld wel gegeven in: Rb. Almelo (EK) in zaak 1, r.o. 4.1.1 eerste alinea, voorlaatste volzin; Rb. Rotterdam (MK) in zaak 10, r.o. 4.3.2, derde alinea. Uitgebreide overwegingen vind je ook in zaak 15 voor het Hof Amsterdam, r.o. 4.3. [Of moeten dergelijke verwijzingen niet in een conclusie?]
Bijvoorbeeld: Rb. Almelo (EK) in zaak 1, r.o. 4.1.1 eerste alinea, laatste volzin; Rb. Almelo (MK) 5 november 2008, ECLI:NL:RBALM:2008:BG5098, r.o. 19, laatste volzin (zaak 9, Klein Teeselink/Eternit); Rb. Almelo (MK) 9 juli 2008, ECLI:NL:RBALM:2008: BF1904, r.o. 18 (zaak 8, Schraa & Wolting/Nefalit).
Rb. Almelo (EK) 28 april 2010, ECLI:NL:RBALM:2010:BM6124, r.o. 4.1.1 (zaak 13, Rietman/Eternit).
Zie de passages over wit asbest in bijlage A, paragraaf E.9.1 (slot) en paragraaf E.9.2 (‘Onvoldoende veiligheidsmaatregelen’).
Wel toegepast in: Rb. Almelo (MK) 5 november 2008, ECLI:NL:RBALM:2008:BG5098, r.o. 23 (zaak 9, Klein Teeselink/Eternit); Rb. Roermond (EK) 10 februari 2010, ECLI:NL: RBROE:2010:BL3084, r.o. 4.19 en Hof ’s-Hertogenbosch 28 augustus 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX6042, r.o. 4.3.2 (beide zaak 12, Janssen de Jong); Rb. Rotterdam (EK) 22 oktober 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BP8595, r.o. 5.6, 5.8 en Hof Den Haag 18 december 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BY6208, r.o. 5.2.2-5.2.3 (beide zaak 15, Wilton Feijenoord). Niet toegepast in: Rb. Den Haag (MK) 2 oktober 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE8345, r.o. 4.5-4.7 (zaak 2, Broug/Gemex); Rb. Zwolle/Lelystad (EK) 27 januari 2010, ECLI:NL:RBZLY:2010:BL0950, r.o. 5, 15, 16 (zaak 11, kort geding, Arriva en Pleijsier).
Feitelijk en/of juridisch zeer complex zijn de zaken 4 (EK), 5 (MK), 7 (EK), 8 (MK), 9 (MK), 12 (EK), 13 (EK) en 15 (EK). Feitelijk en/of juridisch complex zijn de zaken 2 (MK), 3 (EK), 6 (EK), 10 (MK), 11 (EK) en 14 (EK). Eenvoudig is zaak 1 (EK).
Onderzocht zijn de relatie tussen enerzijds complexiteit en anderzijds de grondslag van de vordering, het type gedaagde, de toe-/afwijzing van de vordering en het dictum in hoger beroep.
Hof Arnhem 20 december 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BV0374, r.o. 4.11 (zaak 13, Rietman/Eternit).
Literatuur vermeld in Baas, De Groot-van Leeuwen & Laemers 2010, p. 44-45.
Neleman & Neijt 2011; De Bock & Van Harinxma thoe Slooten 2012.
HR 4 juni 1993, NJ 1993, 659, r.o. 3.4.7 (Vredo/Veenhuis). De motiveringsplicht is onder andere vastgelegd in artikel 121 Grondwet en artikel 230, eerste lid sub e, jo. artikel 30 Rv.
De Bock 2015, p. 45.
Rb. Almelo (MK) 19 april 2006, ECLI:NL:RBALM:2006:AW3306 (zaak 5, Jansen/Eternit); Rb. Almelo (MK) 9 juli 2008, ECLI:NL:RBALM:2008:BF1904 (zaak 8, Schraa & Wolting/ Nefalit); Rb. Almelo (MK) 5 november 2008, ECLI:NL:RBALM:2008:BG5098 (zaak 9, Klein Teeselink/Eternit).
Rb. Almelo (MK) 19 april 2006, ECLI:NL:RBALM:2006:AW3306, r.o. 14 (zaak 5, Jansen/ Eternit); Hof Arnhem 5 juni 2007, ECLI:GHARN:2007:BA6364, r.o. 4.12 (zaak 5, Jansen/ Eternit).
Rb. Almelo (MK) 5 november 2008, ECLI:NL:RBALM:2008:BG5098, r.o. 19 (zaak 9, Klein Teeselink/Eternit); Hof Arnhem 9 augustus 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BR5350, r.o. 4.10 (zaak 9, Klein Teeselink/Eternit).
Rb. Roermond (EK) 10 februari 2010, ECLI:NL:RBROE:2010:BL3084 (zaak 12, Janssen de Jong).
Rb. Groningen (EK) 15 juni 2007, ECLI:NL:RBGRO:2007:BA7469, r.o. 4.5.6 (zaak 7, kort geding, Hageman/Eternit); Almelo (EK) 28 april 2010, ECLI:NL:RBALM:2010:BM6124, r.o. 4.2 (zaak 13, Rietman/Eternit).
Hof ’s-Hertogenbosch 28 augustus 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX6042, r.o. 4.3.2 (zaak 12, Janssen de Jong).
Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem 9 augustus 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BR5350 (zaak 9, Klein Teeselink/Eternit).
Hof Leeuwarden 8 februari 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ0520, r.o. 1 (zaak 11, kort geding, Arriva en Pleijsier).
Hof Arnhem 11 mei 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BM5180, r.o. 4.8 (zaak 8, Schraa & Wolting/Nefalit); HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5216, r.o. 3.4.2 (zaak 8, Schraa & Wolting/Nefalit).
HR 4 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO4596 (zaak 2, Broug/Gemex); HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8782 (zaak 3, kort geding, Horsting/Eternit); HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5216, r.o. 3.4.2 (zaak 8, Schraa & Wolting/Nefalit).
Vooronderstelling vermeld in Baas, De Groot-van Leeuwen & Laemers 2010, p. 41.
Hoewel er ook rechters in de rechtbanken specialist zijn. Wellicht zijn zij verantwoordelijk voor de goede enkelvoudige vonnissen uit dit onderzoek.
Vooronderstelling vermeld in Baas, De Groot-van Leeuwen & Laemers 2010, p. 44-45.
Met formele taal houdt de schrijver zich aan conventies die voor een beroepsgroep gebruikelijk en begrijpelijk zijn. De taal heeft een plechtig karakter, bevat woorden die onder het grote publiek minder vaak voorkomen, bestaat vaak uit lange zinnen en is regelmatig geformuleerd in de lijdende vorm. Met heldere taal wordt bedoeld dat de ingewijde lezer een zin met één keer lezen kan begrijpen. Deze uitleg is desgewenst te vinden in de paragraaf over vorm en taal. Formele en heldere taal sluiten elkaar niet per definitie uit.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken in hoger beroep en cassatie in de zaken 10 en 12.
Bijvoorbeeld Rb. Maastricht (EK) 9 maart 2005, ECLI:NL:RBMAA:2005:AT4606 (zaak 4, Soons&Wolfs/Baars Infra); Hof ’s-Hertogenbosch 8 januari 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BD5678 (zaak 4, Soons&Wolfs/Baars Infra); Hof Leeuwarden 13 januari 2009, ECLI:NL:GHLEE:2009:BH2762, r.o. 21 (zaak 7, kort geding, Hageman/Eternit), waarvan de slotzin 129 woorden telt.
In deze paragraaf zijn de conclusies van het jurisprudentieonderzoek in asbestzaken naar verschillen en overeenkomsten tussen meervoudige en enkelvoudige behandeling en tussen behandeling in eerste aanleg en in hoger beroep weergegeven. Een uitvoerige analyse van de horizontale en verticale vergelijking is te vinden in bijlage E.
Procespartijen
De eisers in de onderzochte asbestzaken waren ofwel ziek geworden werknemers in de asbestindustrie ofwel mensen die in hun thuisomgeving door blootstelling aan asbest aan een asbestziekte zijn gaan lijden. In het geval eiser was overleden werd de rechtsstrijd gevoerd door zijn erfgenamen. In eerste aanleg zijn de zaken van deze eisers even vaak meervoudig als enkelvoudig behandeld. Of het slachtoffer zelf dan wel diens erven procedeerden, maakte geen verschil voor de meervoudige dan wel enkelvoudige wijze van behandeling. Kennelijk speelde het type eiser geen rol bij de toewijzing van zaken aan een meervoudige of enkelvoudige kamer.
Feiten
De enkelvoudig behandelde zaken vertoonden inhoudelijk geen opmerkelijke verschillen met de meervoudig behandelde zaken bij de rechtbank. Er is ook geen verband aangetroffen tussen meervoudige dan wel enkelvoudige behandeling enerzijds en het poneren van bepaalde stellingen of feiten anderzijds.
Rechtbanken en hoven stellen in de feitensectie van hun uitspraak een beknopt feitencomplex vast. Het betreft hier feiten waarover partijen het eens zijn, waaronder hun relatie, de vaststelling dat het slachtoffer aan een asbestziekte lijdt (of heeft geleden) en wanneer en waar het slachtoffer aan asbest is blootgesteld.1 Stellingen waarover partijen het daarentegen niet eens zijn, vereisen een bewijsoordeel van het gerecht. De gerechten gaven dat oordeel steeds na een oneigenlijke bewijsbeslissing, dus zonder bewijsopdracht. Alleen in een kantonzaak zijn de erven van slachtoffers in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat het slachtoffer tijdens zijn werk asbesthoudende rioolbuizen heeft bewerkt.
Oneigenlijke bewijsbeslissingen kwamen in alle uitspraken voor. Zij zijn in een uitspraak niet altijd duidelijk als zodanig herkenbaar, en zo wel, dan kunnen de gronden op basis waarvan zij worden genomen nog schimmig of zelfs onbekend zijn. Het aantal oneigenlijke bewijsbeslissingen en hun motivering in de meervoudig gewezen vonnissen verschilde niet ten opzichte van die in de enkelvoudige vonnissen.
Bij de vaststelling van de feiten gaat het hof meestal uit van de feiten die de rechtbank heeft geconstateerd, omdat daar dan niet tegen is gegriefd, al vult het hof deze zo nu en dan aan met bijkomend feitenmateriaal. Het kwam geregeld voor, zowel na meervoudige als na enkelvoudige vonnissen, dat het hof kon volstaan met een bevestiging van de feiten die de rechtbank had vastgesteld. In hoger beroep spitste de rechtsstrijd zich dan toe op de uitleg van het recht, bijvoorbeeld of aan de zorgplicht was voldaan. Eén zaak kreeg met nader feitenonderzoek door het hof een andere wending en heeft ook geleid tot vernietiging van het (enkelvoudige) vonnis, doordat het hof, anders dan de voorzieningenrechter in eerste aanleg, oordeelde dat niet kon worden vastgesteld dat het geleverde asbest van de aansprakelijk gestelde asbestproducent afkomstig was.
Grondslag en rechtsregels
De wettelijke grondslag op basis waarvan de rechtsstrijd is gevoerd, was in geschillen tussen een (voormalige) werkgever en een (voormalige) werknemer steeds artikel 7:658 BW, dat werknemers tegen gevaar beschermt. Zaken waarin slachtoffers thuis aan asbest waren blootgesteld, werden gevoerd op basis van artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad). In deze gevallen ging het om buiten-contractuele relaties.
De gerechten verwezen in hun uitspraken tevens vaak naar de bepalingen over verjaring (art. 3:310 BW), redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 BW) en de verplichting tot schadevergoeding (art. 6:95 e.v. BW). Omdat asbestslachtoffers na de ontdekking van hun ziekte doorgaans niet lang meer leven, zijn de meeste procedures begonnen of voortgezet door hun nabestaanden. Zij baseren hun vordering tevens op artikel 6:108 BW als zij door het overlijden van hun naaste schade lijden door het derven van levensonderhoud. Bovengenoemde bepalingen komen zowel in meervoudige als enkelvoudige vonnissen alsook in arresten van de hoven voor. Wel valt op dat in de uitspraken in sterk wisselende mate naar wetsbepalingen wordt verwezen, ongeacht of deze enkelvoudig of meervoudig zijn gewezen.
Gedaagden in asbestzaken beriepen zich zeer vaak op verjaring van de vordering. Daartegen brachten eisers meestal het arrest Van Hese/De Schelde in stelling, waarin de Hoge Raad oordeelde dat een beroep op de absolute verjaringstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onder voorwaarden onaanvaardbaar kan zijn. De rechtbanken (in meervoudige en enkelvoudige kamer), hoven en de Hoge Raad hebben hiernaar in de meeste zaken verwezen.
Het instituut verjaring is gefundeerd op het beginsel van rechtszekerheid en dat van redelijkheid en billijkheid, die zowel ten gunste kunnen zijn van de schuldeiser als van de (vermeende) schuldenaar. Met name het laatste beginsel is geregeld aangehaald. Dat ligt in de rede, omdat de redelijkheid en billijkheid ook zijn vastgelegd in artikel 6:2 BW en deel uitmaken van de rechtsregel in het arrest Van Hese/De Schelde. Er is echter geen verschil aanwijsbaar in de mate waarin of wijze waarop rechtbanken, in meervoudige dan wel enkelvoudige kamer, de gerechtshoven en de Hoge Raad deze beginselen aanvoeren en toepassen in hun uitspraak.
Wie de jurisprudentie van de Hoge Raad in asbestzaken doorneemt, ook buiten dit onderzoek, valt op dat de Hoge Raad de rechtsbescherming van asbestslachtoffers aanzienlijk heeft versterkt, zeker tot eind jaren negentig van de twintigste eeuw. Daaruit kan echter niet de conclusie worden getrokken dat de positie van asbestslachtoffers alleen maar is verbeterd.2 Zo heeft de Hoge Raad vanaf het begin van de eenentwintigste eeuw strengere eisen gesteld aan het bewijs alvorens dat te aanvaarden en een voor werkgevers gunstiger bewijslastverdeling vastgesteld.3 De gerechten wier uitspraken in dit onderzoek zijn geanalyseerd hebben hun beoordeling telkens in het kader van de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geplaatst. Dat gold zowel voor de rechtbanken (in meervoudige en enkelvoudige kamer) als de hoven. In interviews is de vooronderstelling gehoord dat meervoudige kamers meer jurisprudentiegetrouw zijn, maar die wordt hier niet bevestigd. Daarbij zij opgemerkt dat menige norm in de vaste jurisprudentie de nodige ruimte voor invulling laat, zodat lang niet altijd is te voorspellen hoe de beslissing zal gaan luiden, ook als de gerechten trouw aan eerdere jurisprudentie zijn gebleven.
In vier van de onderzochte zaken onderbouwde het hof zijn uitspraak met aanzienlijk meer jurisprudentie dan de rechtbank (die in drie van deze gevallen vonnis heeft gewezen in enkelvoudige kamer). In twee zaken is dit andersom en refereert de rechtbank (als enkelvoudige kamer) frequenter aan eerdere uitspraken.
In dit onderzoek is in de meeste zaken het procesdossier er niet op nageslagen. Daardoor was niet bekend in welke mate partijen zelf de rechtsregels naar voren hebben gebracht of dat de gerechten dit ambtshalve hebben gedaan. Het eerste is het meest waarschijnlijk.
Rechterlijke denkwijzen
De hoven vermeldden vaker dan de rechtbanken een juridische uiteenzetting van de maatstaven voor de beoordeling (de systematiek). De hoven fundeerden deze maatstaven in meer dan een derde van de arresten, eveneens aanzienlijk frequenter dan de rechtbanken, op een uitvoerige uiteenzetting van wetenschappelijke literatuur en overheidspublicaties. Deze werden vooral geraadpleegd om te beoordelen in welke periode de risico’s van een bepaald type asbest bekend hadden moeten zijn bij de aansprakelijk gestelde partij. Het gaat hier om vaststelling van feiten waar een norm aan is gekoppeld. De rechter zegt daarmee als het ware: ‘Toen was in uw kringen het gevaar van dit soort asbest bekend, dus u had ervan moeten weten en omdat u niets hebt ondernomen om verwezenlijking van het gevaar te voorkomen, hebt u laakbaar gehandeld.’ De rechtbank verwees slechts in twee vonnissen, één in kort geding en één van de meervoudige kamer, uitvoerig naar literatuur. De Hoge Raad, niet zijnde feitenrechter, nam nauwelijks publicaties in zijn arrest op, maar verwees wel geregeld naar eigen jurisprudentie.
De rechtbanken motiveerden hun wijze van rechtsvinding gemiddeld genomen minder uitvoerig dan de hoven.4 In sommige vonnissen, soms meervoudig en soms enkelvoudig gewezen, werd überhaupt niet uitgelegd hoe er recht was gevonden.5 Als de ervaren lezer in de verschafte systematiek een rechtsregel herkent, is dat niet problematisch. Dat wordt het wel als het gerecht er al te gemakkelijk van uitgaat dat de regel vanzelfsprekend is. Dat kan leiden tot een onnavolgbare interpretatie, zoals in de meervoudig behandelde zaak van de Rechtbank Almelo, waarin zij overwoog dat de Hoge Raad in het arrest Van Hese/De Schelde slechts een uitzondering op de verjaringsregel van artikel 3:310 BW heeft willen maken voor zover de vordering betrekking heeft op immateriële schade.6
Verschillen in de wijze waarop meervoudige en enkelvoudige kamers van de rechtbank het recht vinden, zijn er niet veel. Gebruik van interpretatiemethoden is in enkelvoudige noch meervoudige uitspraken vaak te ontwaren. De meest toegepaste interpretatiemethoden zijn de wetshistorische en teleologische. Gerechten volgen in de zoektocht naar het recht vooral de paden die de Hoge Raad heeft uitgezet. Een uitzondering betreft zaken uit het jurisprudentieonderzoek waarin de gerechten voor aansprakelijkheid voor blootstelling aan wit asbest moesten vaststellen wanneer de gevaren hiervan bekend waren. De rechtbanken, soms rechtsprekend in meervoudige en soms in enkelvoudige kamer, komen tot verschillende oordelen die in hoger beroep c.q. cassatie steeds in stand zijn gebleven.7 Ook viel op dat in sommige uitspraken wel de werknemersvriendelijke rechtsregel van het arrest Cijsouw/De Schelde I werd toegepast en in enkele andere, waar die ook ter zake deed, niet.8 Een mogelijke reden voor het achterwege blijven van de toepassing daarvan kan zijn dat partijen die ruimte niet hebben benut.
Complexiteit
De complexiteit van een zaak hangt onder meer af van het aantal rechtsvragen en de ingewikkeldheid daarvan. Een rechtsvraag wordt als ingewikkeld beschouwd als er nog geen jurisprudentie over is verschenen, ze uitgebreide instructie vergt en/of het feitensubstraat voor de beantwoording van de rechtsvraag gecompliceerd is. Inmiddels is er over asbestzaken veel jurisprudentie verschenen, maar worden zij door de diversiteit aan rechtsvragen en het vaak ingewikkelde feitenonderzoek toch als vrij complex gezien. Meer concreet hing de mate van complexiteit van de onderzochte asbestzaken af van discussie over:
de normen en inzichten ten tijde van het oplopen van de asbestziekte,
het moment waarop het asbestslachtoffer is blootgesteld aan asbest van de aansprakelijkgestelde,
causaliteit, althans de aannemelijkheid dat die blootstelling de asbestziekte heeft veroorzaakt,
de vaststelling van het moment waarop de aansprakelijkgestelde wist of moest hebben geweten van de risico’s van het door hem geleverde asbest,
toerekenbaarheid aan de aansprakelijkgestelde (zorgplicht, veiligheidsmaatregelen, waarschuwingsplicht),
absolute of relatieve verjaring,
doorbreking van de absolute verjaring,
invulling van open normen als ‘redelijkheid en billijkheid’ en ‘voldoende veiligheidsmaatregelen’,
de stel- en bewijsplicht,
de hoogte van de vergoeding voor materiële en immateriële schade.
Op grond van deze maatstaven zijn acht zaken als feitelijk en/of juridisch zeer complex aan te merken, zes zaken als feitelijk en/of juridisch complex en slechts één zaak als feitelijk en juridisch eenvoudig.9
Van de zeer complexe zaken zijn er drie in eerste aanleg meervoudig behandeld en vijf enkelvoudig. Van de complexe zaken zijn er twee behandeld door een meervoudig kamer en vijf door een enkelvoudige. De enige eenvoudige zaak is enkelvoudig afgedaan.
Een zeer complexe zaak kan dus net zo goed aan een meervoudige als enkelvoudige kamer zijn toegewezen. Dat betekent echter niet zonder meer dat de rechtbanken deze zaken op grond van hun complexe karakter ook aan een alleensprekende rechter wíllen toewijzen. Vier van de vijf zeer complexe zaken die enkelvoudig zijn afgedaan, moeten immers wettelijk door de kantonrechter (in de zaken 4, 12 en 15) en de voorzieningenrechter (in zaak 7) worden behandeld. Typisch alleensprekende rechters kunnen dus ook zware zaken behandelen. Als rechtbanken vrij waren geweest in toewijzing van een zaak aan een unus of een college, had de toedeling anders uit kunnen pakken. Slechts een van de acht zeer complexe zaken is door een enkelvoudige rechter behandeld die geen kanton- of voorzieningenrechter was. In de literatuur, interviews en enquête is erop gewezen dat de toewijzing van zaken aan een meervoudige of enkelvoudige kamer voornamelijk gebeurt op inhoudelijke gronden. Die uitspraak wordt hier gelogenstraft; niet per definitie omdat de rechtbanken op andere gronden willen toedelen, maar omdat de wet voorschrijft dat alle kanton- en kortgedingzaken, ongeacht hun complexiteit, door een enkelvoudige kamer moeten worden behandeld.
Overigens is geen verband aangetroffen tussen de complexiteit van een zaak enerzijds en diverse kenmerken van de zaak anderzijds.10 Zo zijn de gedaagden in de zeer complexe zaken bijna even vaak asbestproducent als werkgever. In vijf van de zeer complexe zaken is in eerste aanleg de vordering toegewezen; in drie afgewezen. In hoger beroep zijn deze vonnissen vier keer bekrachtigd, drie keer vernietigd en één keer gedeeltelijk vernietigd.
Beoordeling
Uit elke uitspraak kan een systematiek van de beoordeling worden afgeleid, voornamelijk op basis van de toegepaste wetsartikelen, jurisprudentie en overwegingen van rechtsvinding. Deze systematiek is soms uitdrukkelijk weergegeven, maar meestal slechts te achterhalen door een uitspraak nauwkeurig te analyseren. De systematiek is bijna altijd alleen gericht op de beantwoording van de feitelijke en/of rechtsvragen in de voorliggende zaak, bijvoorbeeld om te bepalen vanaf welk moment een asbestproducent waakzaam had moeten zijn. Op basis van de diverse systematieken is een ‘totale’ systematiek te maken die het eenvoudiger maakt de denkwijzen van rechters, en daarmee de beslissing, in alle asbestzaken te voorspellen. Deze systematiek is te vinden in bijlage E.7.7.
Opvallend is dat als een rechterlijke uitspraak een systematiek bevat, deze dan regelmatig vergezeld gaat van een uiteenzetting van feiten. Uit de combinatie van rechtsvinding en feiten zijn derhalve meteen oordelen van de rechter op te maken. Zo worden feiten, rechtsvinding en oordelen als het ware ineengevlochten. Feitelijke en rechtsoverwegingen zijn derhalve niet altijd los van elkaar te zien. Rechterlijke oordeelsvorming is geen lineair proces, maar een wisselwerking van feiten en rechtsregels, zoals ook is gebleken uit de observaties in de raadkamer (zie paragraaf 7.8.2).
Een vervlechting zoals hierboven beschreven doet zich duidelijk voor in de volgende overweging van een arrest van het Hof Arnhem:
‘De kans op (ernstige) gezondheidsschade en de relatief geringe bezwaarlijk-heid van de te nemen maatregelen om die schade verder te beperken, hadden Eternit, wetend dat zij in brede kring gedurende langere tijd asbestafval had uitgegeven, moeten nopen om vanaf 1971 een brede waarschuwing uit te laten gaan voor de gevaren van asbestverharding op erven en wegen en te wijzen op de noodzaak om asbeststof te vermijden bijvoorbeeld door de asbestverharding nat te houden, deugdelijk af te dekken en/of te (laten) verwijderen. Immers, Eternit had al vanaf 1971 de kennis in huis dat asbeststof gevaren voor de gezondheid opleverde en dat dit asbeststof ook vrij kwam bij vervoer van asbestcementafval. Eternit heeft haar asbestcementafval tot het jaar 1974 aan particulieren afgegeven.’11
Als een meervoudige kamer in zijn uitspraak overweegt dat een bepaalde zienswijze niet wordt gevolgd, dan is het aannemelijk dat daarover in raadkamer is gediscussieerd. Zijn er ook signalen voor tegenspraak? Die zijn hoogstens te ontdekken als het gerecht meerdere zienswijzen te berde heeft gebracht waarvan het er een als juist aanwijst of als de beslissing van het gerecht in een kwestie het karakter heeft van een compromis. In de literatuur is erop gewezen dat enkelvoudige uitspraken minder vaak een compromis bevatten.12 In dit jurisprudentieonderzoek is echter niet met zekerheid vast te stellen dat een bepaalde vaststelling of oordeel een compromis betreft.
Aanvaardbaarheid
Met dit onderzoek wordt ook beoogd in enige mate uitspraken te doen over de kwaliteit van de vonnissen en arresten. Wellicht is het beter te spreken van aanvaardbaarheid, omdat de uitspraken niet worden doorgelicht op alle denkbare kwaliteitsaspecten, zoals meer in extenso is gebeurd door de Toetsingscommissie Civiele Vonnissen (Commissie Neleman) en de commissie Pilot Kwaliteitstoetsing Civiele vonnissen.13 Voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van een uitspraak wordt aangesloten bij de grondbeginselen van een goede procesorde, die de Hoge Raad in het arrest Vredo/Veenhuis heeft benoemd. Daarin overwoog de Raad dat elke rechterlijke beslissing ten minste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing, zowel voor partijen als voor derden, controleerbaar en aanvaardbaar te maken (r.o. 3.4.7).14 Aanvaardbaarheid komt aldus neer op een ondergrens; de rechterlijke beslissing moet op zijn minst uit te leggen zijn.15 Tot welke conclusies leidt dat als de uitspraken langs deze meetlat worden gelegd?
Meervoudige vonnissen
Drie van de vijf meervoudige vonnissen, alle drie als zeer complex gekwalificeerd, geven onvoldoende inzicht in de gedachtegang van de rechtbank die aan haar motivering ten grondslag ligt, om de beslissing controleerbaar en aanvaardbaar te maken.16 Zo bevat het vonnis in zaak 5 een onverschoonbare fout door het oordeel van de rechtbank dat er tot 1974 geen indicatie bestond dat afgifte van asbestafval tot gezondheidsrisico’s voor de ontvangers ervan zou leiden. Dit oordeel is het gevolg van selectieve lezing van de literatuur – nota bene in dezelfde overweging haalt de rechtbank het boek uit 1967 aan waarin voor de risico’s van thuisbesmetting wordt gewaarschuwd – en het hof heeft het vonnis in hoger beroep dan ook vernietigd.17 Een onverschoonbare fout is ook te vinden in het vonnis in zaak 9, waarin de rechtbank oordeelde dat na de laatste asbestlevering geen waarschuwingsplicht meer voor de asbestleverancier gold. Ook dit oordeel kon bij het hof geen genade vinden.18
Twee van de ‘onvoldoende’ vonnissen zijn in hoger beroep vernietigd (zaken 5 en 9). Het hof heeft het vonnis in zaak 8 bekrachtigd onder verbetering van gronden. De meervoudige vonnissen in de zaken 2 en 10 bieden wel voldoende inzicht en zijn in hoger beroep zonder meer bekrachtigd.
Enkelvoudige vonnissen
Acht enkelvoudige vonnissen (in de zaken 1, 3, 4, 6, 11, 12, 14 en 15) zijn aanvaardbaar, in de zin dat ze ten minste voldoende inzicht in de gedachtegang van de rechtbank geven voor een controleerbare en aanvaardbare beslissing. Drie van deze zaken zijn als zeer complex en één als eenvoudig gekwalificeerd. Diverse enkelvoudige vonnissen zijn zelfs meer dan voldoende gemotiveerd. Een voorbeeld daarvan is het kantonvonnis van de Rechtbank Roermond, dat goed gestructureerd, overtuigend onderbouwd en helder geschreven is, zij het zeer uitvoerig.19 Twee enkelvoudige vonnissen bieden onvoldoende inzicht en zijn in hoger beroep vernietigd.20 Het hof heeft verder slechts één enkelvoudig vonnis vernietigd en alleen voor wat betreft de hoogte van de schadevergoeding.21
Arresten
Vrijwel alle arresten van de hoven geven op zodanige wijze inzicht in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang dat hun beslissingen controleerbaar en aanvaardbaar worden. In meerdere arresten wordt zelfs stap voor stap duidelijk en overtuigend gemotiveerd hoe het hof tot een beslissing komt.22 Alleen het arrest in kort geding van het Hof Leeuwarden is zodanig beknopt gemotiveerd dat het onvoldoende inzicht geeft.23 Een arrest van het Hof Arnhem biedt voldoende inzicht, al heeft het naar het oordeel van de Hoge Raad artikel 3:310, eerste lid, BW over verjaring verkeerd geïnterpreteerd.24 De Hoge Raad heeft in nog twee andere zaken arrest gewezen. Alle drie arresten in cassatie geven voldoende inzicht in de aan de motivering ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing van de Hoge Raad controleerbaar en aanvaardbaar te maken.25
Op basis van dit jurisprudentieonderzoek is de conclusie dat de vaak geuite vooronderstelling dat in meervoudige kamers minder fouten worden gemaakt, geen standhoudt.26 Gemiddeld genomen zijn de enkelvoudige vonnissen in dit onderzoek zelfs beter dan de meervoudige van de rechtbanken, in die zin dat zij meer inzicht bieden in de aan de motivering ten grondslag liggende gedachtegang, waardoor de beslissing controleerbaar en aanvaardbaar wordt. De arresten van de hoven zijn over het algemeen zorgvuldiger en overtuigender gemotiveerd dan de vonnissen van de rechtbank.
Deze bevindingen over de verschillen tussen de vonnissen en arresten lijken erop te wijzen dat de hogere mate van aanvaardbaarheid van de arresten niet alleen is ingegeven door de meervoudige behandeling, maar ook door andere factoren. Welke dat zijn is niet onderzocht. Wellicht is van invloed dat raadsheren gemiddeld genomen meer juridische en rechterlijke ervaring hebben dan rechters in eerste aanleg. Misschien kunnen raadsheren zich vaker buigen over zaken waarin zij gespecialiseerd zijn, in tegenstelling tot rechters van de rechtbank, die geacht worden in hun afdeling generalist te zijn27 Wat ook mee kan spelen is dat een gerechtshof in de beoordeling van een zaak in het voordeel is ten opzichte van de rechtbank, omdat de zaak al eens is uitgekristalliseerd. De hoven blijken in dit onderzoek daarnaast in bijna alle zaken meer tijd te hebben genomen om tot een eindbeslissing te komen. Bovendien is de werksfeer op het hof minder hectisch dan op de rechtbank, volgens geïnterviewden die zowel ervaring hebben met werken in de rechtbank als het hof. De rechtbanken krijgt vele malen meer zaken te behandelen dan de hoven, al zijn er ook veel meer rechters dan raadsheren.
Vormaspecten
Vonnissen en arresten bestaan uit vaste onderdelen. Vonnissen zijn bijvoorbeeld opgebouwd uit ‘procesverloop’, ‘feiten’, ‘vordering en verweer’, ‘beoordeling’ en ‘beslissing’. Deze maken deel uit van de wizard die in gerechten wordt gebruikt om uitspraken te concipiëren. Wezenlijke verschillen in opbouw tussen meervoudig en enkelvoudig gewezen vonnissen zijn dan ook niet aangetroffen.
Hoe het besluitvormingsproces is verlopen, is niet aan een uitspraak af te lezen. In de vonnissen worden de argumenten van eiser en gedaagde stap voor stap afgewogen. Deze beoordelingen resulteren in (sub)conclusies, die weer leiden tot de slotsom en de beslissing. In hoger beroep en cassatie is deze vorm nog duidelijker zichtbaar, omdat in de arresten van het gerechtshof en de Hoge Raad grieven worden beoordeeld, die eveneens steeds tot conclusies en uiteindelijk tot de beslissing leiden. Als de ‘sub-beoordelingen’ wisselend uitpakken in het voordeel van een van de partijen, wordt pas tegen het einde van de uitspraak duidelijk welke partij aan het langste eind trekt. In asbestzaken kan de ongewisheid over het eindoordeel bovengemiddeld lang standhouden doordat gerechten bij verstrijking van de lange verjaringstermijn meestal als toetsingskader de gezichtspunten van de Hoge Raad hanteren, die zelden eenduidig in het voordeel van een van de partijen uitpakken. Geen van de uitspraken openbaart in een vroeg stadium de uitkomst van de zaak.
De vooronderstelling dat in een uitspraak van een meervoudige kamer meer compromissen worden getoond (enerzijds, anderzijds, etc.) en dat enkelvoudige uitspraken logischer en systematischer zijn omdat compromissen niet of nauwelijks nodig zijn in enkelvoudig behandelde zaken,28 wordt niet ondersteund. De meervoudige en enkelvoudige vonnissen zijn in logische opbouw en systematiek niet van elkaar te onderscheiden.
Het taalgebruik in de uitspraken is zakelijk, vrij formeel en, althans meestal, helder.29 Er zijn wel variaties aan te wijzen, met name in de vonnissen en minder in de arresten. De meervoudige vonnissen van de rechtbanken zijn gemiddeld genomen formeler van toon dan de enkelvoudige. Het vonnis dat de meest formele en ambtelijke taal bevat is meervoudig gewezen. Het behoort tevens tot de oudste uitspraken in het onderzoek (uit 2002). In de jaren daarna is in de rechterlijke macht nadrukkelijker aandacht besteed aan helder formuleren; wellicht biedt dat een verklaring voor het feit dat een vonnis in dergelijke stijl later niet meer is aangetroffen. De meest duidelijk geschreven vonnissen zijn te vinden in zaken van typische unusrechters (kantonrechters en voorzieningenrechters). De gerechtshoven en zeker de Hoge Raad schrijven steevast formeel.30 Niettemin is de taal in de arresten van de hoven meestal vrij helder. In enkele zaken komen herhaaldelijk zeer lange en ingewikkelde zinnen voor, in één geval zowel in het (enkelvoudige) vonnis als in het arrest.31
Overigens spreken meervoudige kamers van de rechtbank in hun vonnis over zichzelf als ‘De rechtbank’, net als enkelvoudige rechters in civiele bodemzaken. Alleen kantonrechters en voorzieningenrechters noemen zich in hun vonnis meestal en herhaaldelijk ‘de kantonrechter’ dan wel ‘de voorzieningenrechter’.
Medeleven en commentaar op de eerdere uitspraak
Enkelvoudige kamers tonen in hun vonnis vaker compassie voor het leed van een gelaedeerde partij dan meervoudige kamers. Van kassian-redeneringen, waarbij een gerecht kennelijk zozeer meeleeft met een slachtoffer dat diens misère zelfs bepalend is geweest voor de beslissing, is in de onderzochte jurisprudentie niet gebleken. Wel blijkt dat de rechter het noodzakelijk kan vinden om compensatie te bieden voor het leed van de slachtoffers.
Verder valt op dat de gerechtshoven zich in hun arresten meestal niet kritisch of afwijzend uitlaten over de overwegingen van de vonnissen in eerste aanleg, ook als een vonnis wordt vernietigd. Zo nu en dan vermeldt een hof het uitdrukkelijk als het zich kan vinden in overwegingen in een vonnis.