Einde inhoudsopgave
Beleidsbepaling en aansprakelijkheid (VDHI nr. 170) 2021/4.2.3.3
4.2.3.3 Beleidsbepaling in de WBF
mr. J.E. van Nuland, datum 21-09-2020
- Datum
21-09-2020
- Auteur
mr. J.E. van Nuland
- JCDI
JCDI:ADS254340:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie artikel 5.1 Praktijkregels voor curatoren 2011; de meest recente versie is te raadplegen via de site van INSOLAD (www.insolad.nl) onder regelgeving.
Artikel 5.2. Praktijkregels voor curatoren 2011.
Een van de drie pijlers van het wetgevingsprogramma ‘Herijking faillissementsrecht’ is fraudebestrijding. In dat kader traden op 1 juli 2016 de Wet civielrechtelijk bestuursverbod (Stb. 2016, 153) en de Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude (Stb. 2016, 154) in werking. Op 1 juli 2017 trad de Wet versterking positie curator in werking (Stb. 2017, 124); zie over deze pijler binnen de herijking van het faillissementsrecht: Renssen 2017.
Duynstee & Verwey 2015, paragraaf 4.4.2; Schimmelpenninck 2008, p. 134-142; meer recent heeft Hox betoogd dat in de faillissementspraktijk behoefte bestaat aan een gestandaardiseerd oorzakenonderzoek en vervolgens uiteengezet wat ieder geval mag worden verwacht van curatoren voorafgaand, gedurende en na afloop van het onderzoek, zie Hox 2018, p. 265-276.
Zie Schimmelpenninck 2008, p. 136-137; De Ranitz 2008, p. 274 is het echter niet met Schimmelpenninck eens dat het oorzakenonderzoek als middel dient te worden gebruikt om de eventuele aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen vast te stellen; de civielrechtelijke aansprakelijkheid zou niet het belangrijkste doel van het oorzakenonderzoek zijn, terwijl art. 66 Fw (bevel getuigenverhoor of deskundigenonderzoek door de R-C) niet is bedoeld om te gebruiken indien dit kennelijk mede of vooral is gericht op het verzamelen van informatie gericht op aansprakelijkheidsacties (zie p. 275); zie verder de reactie van Schimmelpenninck 2008a, p. 277-279, waarin hij aangeeft dat art. 66 Fw kan worden gebruikt in de eerste fase van feitenvaststelling (‘waarheidsvinding’).
Zo had de curator Hof Arnhem-Leeuwarden 1 juli 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:5274 voldoende gesteld, maar had appellant de stellingen voldoende gemotiveerd betwist, zodat het hof de curator een bewijsopdracht gaf; zie ook Rb. Rotterdam 29 augustus 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BX7304; in Hof Arnhem-Leeuwarden 25 maart 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2423 leest men het gevolg van een onvoldoende gemotiveerde betwisting.
Artikel 2:248 (138) lid 6 BW; HR 23 november 2001, JOR 2002, 4, m.nt. Blanco Fernández (Mefigro/Wind q.q.); Rb. Rotterdam 14 april 2010, JOR 2010, 181, m.nt. Strik; zie over de periode voorafgaand aan de referteperiode bijvoorbeeld Rb. Rotterdam 29 augustus 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BX7304.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 22 mei 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BX1934; Hof Arnhem-Leeuwarden 20 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7948; Rb. Amsterdam 26 maart 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:2232; Rb. Midden-Nederland 28 mei 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:1995; Rb. Oost-Brabant 27 november 2013, ECLI:NL:RBOBR2013:6700; Hof ’s-Hertogenbosch 8 augustus 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:3521 (in tegenstelling tot de rechtbank in eerste aanleg); Rb. Den Haag 26 september 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:11904 (curator verwees slechts naar vaststelling in vrijwaringsprocedure die niet tussen partijen was gewezen); Hof ’s-Hertogenbosch 13 januari 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BI2180; Rb. Utrecht 10 augustus 2011, ECLI:NLRBUTR:2011:BR4778; Hof Amsterdam 23 juli 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2669.
Bijvoorbeeld Hof Den Haag 12 november 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:5129, JOR 2013, 32, m.nt. Verboom, zoals ook blijkt uit de procedure in eerste aanleg Rb. ’s-Gravenhage 1 februari 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BV3111; Rb. Noord-Nederland 5 juni 2013, ECLI:NL:RBNNE:2013:4821; Rb. Rotterdam 23 januari 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:BY9861; Hof Arnhem 28 augustus 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BX6040; Hof Arnhem-Leeuwarden 14 augustus 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7338.
Illustratief is Hof Arnhem-Leeuwarden 3 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6118, waarin appellanten geen grief hadden gericht tegen het oordeel van de rechtbank waarin zij als feitelijk beleidsbepaler waren aangemerkt. Het hof gaat voorbij aan de opmerkingen die appellanten eerst tijdens de comparitie over die kwalificatie maken.
Mogelijk kan deze betrokkene wel op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk worden gesteld wegens betrokkenheid bij de gewraakte handeling(en); zie voor een geval waarin de stellingen van de curator voldoende gemotiveerd werden betwist, zodat de aanmerking als (mede)beleidsbepaler in hoger beroep werd afgewezen en daarmee alsnog aan aansprakelijkheid op grond van art. 2:248 lid 1 BW kon worden ontkomen Hof Arnhem-Leeuwarden 27 november 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10333.
Zie onder meer Hof Arnhem-Leeuwarden 31 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9958; Hof ’s-Hertogenbosch 18 november 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:4748; Rb. Almelo 8 februari 2012, ECLI:NL:RBALM:2012:BV3132; Rb. Noord-Holland 25 maart 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:2480, JOR 2015, 136, bekrachtigd door Hof Amsterdam 27 juni 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2551; Rb. Noord-Nederland 5 juni 2013, ECLI:NL:RBNNE:2013:4821; Rb. Rotterdam 22 mei 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:CA2987; Rb. Rotterdam 29 augustus 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BX7304; Hof Arnhem 10 november 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BL8324 (Atlanco); Rb. Arnhem 18 november 2009, ECLI:NL:RBARN:2009:BK5397; Rb. Rotterdam 1 september 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BN9674; Rb. Rotterdam 14 april 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BM1594; Rb. ’s-Gravenhage 11 mei 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ6042; Rb. Zutphen 30 september 2009, ECLI:NL:RBZUT:2009:BK4198; HR 17 november 2006, RvdW 2006, 1082 (Bonbosch); Hof Amsterdam 27 mei 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2015 (geen sprake van beleidsbepaling); Hof Arnhem-Leeuwarden 1 juli 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:5274 (bewijsopdracht voor curator); Hof Amsterdam 1 maart 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BM6193.
Vgl. Rb. Amsterdam 14 juni 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:3975, waarin weliswaar sprake was van een zekere mate van onafhankelijkheid van de statutair bestuurder, maar onvoldoende was gebleken dat gedaagde op gelijke voet met de statutair bestuurder kon beslissen, zodat de rechtbank oordeelde dat gedaagde niet als (mede)beleidsbepaler kon worden aangemerkt.
Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 30 oktober 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:9490, waarin de zoon die als beleidsbepaler werd aangemerkt volgens verklaringen van werknemers net zoveel te zeggen als vader, de (indirect) formeel bestuurder.
In Hof Amsterdam 27 mei 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2015 overtuigde zelfs de eigen verklaring van de aansprakelijk gestelde grootaandeelhouder dat hij als beleidsbepaler had gefungeerd, het hof er niet van dat er sprake was van beleidsbepaling.
Ook de curator in faillissement voert in de regel in meer of mindere mate een onderzoek uit naar de gang van zaken bij de vennootschap voorafgaand aan het faillissement. Een dergelijk onderzoek spitst zich in de kern toe op de oorzaken van het faillissement. Zo schrijven de Praktijkregels voor curatoren van Insolad voor dat de curator onderzoekt of er aanleiding bestaat om een vordering in te stellen tegen (ex-)bestuurders en/of (ex-)commissarissen of tegen andere personen of rechtspersonen zoals beleidsbepalers, aandeelhouders en kredietverschaffers, in verband met het ontstaan van het faillissement.1 De curator gaat pas over tot aansprakelijkheidsstelling indien hij ervan overtuigd is dat de desbetreffende (rechts)persoon daadwerkelijk aansprakelijk is.2 Ook de recente nadruk op de taak van de curator bij fraudebestrijding en diens ‘fraudesignalerende taak’ onderstreept de noodzaak tot het doen van enig onderzoek naar de oorzaken van het faillissement.3 De wet voorziet niet in concrete bepalingen die een bepaalde vormgeving van het oorzakenonderzoek voorschrijven. Curatoren geven in de praktijk zelf invulling aan de inrichting van het onderzoek, waarbij vooral een publicatie van Schimmelpenninck de nodige handvatten biedt.4 De curator zal zich een beeld moeten vormen van de gang van zaken binnen de onderneming en ieders rol daarbij aan de hand van de aangetroffen administratie en interne documentatie van de vennootschap, alsmede door het voeren van gesprekken met betrokkenen. Gedurende de afwikkeling van het faillissement ontvangt de curator, al dan niet op verzoek, ook informatie van derden, zoals leveranciers, afnemers, werknemers, de belastingdienst, het UWV en het pensioenfonds. Deze inventarisering van de feitelijke omstandigheden mondt uit in een beoordeling daarvan door de curator over de oorzaken van het faillissement. Naar aanleiding van dat oordeel kan de curator een oordeel vormen over de aansprakelijkheid van betrokkenen en de opportuniteit van de vordering.5
Om een beleidsbepaler aansprakelijk te kunnen stellen, zal de curator een meer dan gemiddelde inspanning moeten leveren bij zijn onderzoek. Een succesvolle toepassing van de gelijkstelling vereist immers dat de curator voldoende feiten en omstandigheden stelt en, bij gemotiveerde betwisting, bewijst, op grond waarvan de rechter tot het oordeel kan komen dat er sprake is van (mede)beleidsbepaling als ware men bestuurder.6 Die feiten en omstandigheden moeten zich hebben voorgedaan in de referteperiode, de drie jaren voorafgaand aan het faillissement, hoewel de daaraan voorafgaande periode wel van indirect belang kan zijn.7 Met enige regelmaat worden WBF-vorderingen afgewezen, omdat de curator onvoldoende heeft gesteld.8 Anderzijds doet zich ook wel eens de situatie voor dat tussen partijen niet in geschil is dat de aansprakelijk gestelde persoon als beleidsbepaler heeft gefungeerd.9 Dat kan wellicht een strategische keuze zijn of simpelweg het gevolg van de omstandigheid dat de desbetreffende (rechts)persoon tegen de door de curator ontdekte feitelijkheden geen verweren weet te voeren, maar de beleidsbepaler dient zich terdege bewust te zijn van de gevolgen hiervan. Met de kwalificatie als (mede)beleidsbepaler staat immers vast dat de betrokkene als bestuurder heeft te gelden voor de toepassing van artikel 2:248 (138) BW en dreigt dus de collectieve aansprakelijkheid die deze bepaling vestigt.10 Weet de betrokkene te voorkomen dat hij als (mede)beleidsbepaler wordt aangemerkt, dan heeft hij daarentegen geen aansprakelijkheid te duchten op grond van deze bepaling.11 In zijn algemeenheid geldt inderdaad, zoals Schutte-Veenstra vaststelde, dat de kwalificatie als beleidsbepaler veelal volgt in casus waarbij evident sprake is van een onbehoorlijke taakvervulling of waarin daadwerkelijk van misbruik (van rechtspersoonlijkheid) kan worden gesproken.
Uit de WBF-rechtspraak blijkt dat voornamelijk de volgende omstandigheden, in onderling verband bezien, tot een kwalificatie als beleidsbepaler leiden:12
het ontbreken van enige mate van ondergeschiktheid ten opzichte van de formele bestuurders;13
het in vergaande of overwegende mate zelfstandig en/of onafhankelijk van de formele bestuurders optreden;
het zich bemoeien met de onderneming in een mate die niet overeenstemt met de functie die de betrokkene binnen de onderneming heeft of de verhouding ten opzichte van de vennootschap;14
bemoeienissen met de dagelijkse gang van zaken, zoals de administratie, het personeelsbeleid, de inkoop en verkoop, acquisitie en klantenacceptatie, alsmede met beslissingen die van invloed zijn op de bedrijfsvoering of de (zelfstandige) continuïteit van de onderneming;
uit notulen van bestuurs- en/of managementvergaderingen blijkt een belangrijke mate van invloed van de betrokkene op het beleid, zoals een actieve inbreng, taaktoebedeling, het geven van aanwijzingen of doen van voordrachten en deelname aan de besluitvorming, althans het accorderen daarvan;
het beschikken over een volmacht om namens de vennootschap rechtshandelingen te stellen;
onderhouden van contacten met derden, zoals werknemers, de bank, de accountant, de advocaat, de curator, de belastingdienst, crediteuren, leveranciers, afnemers;
de wijze waarop de betrokkene zich richting voornoemde derden presenteert, zoals het gebruikmaken van vermeldingen als ‘bestuur’, ‘directie’ en ‘management’;
de perceptie van voornoemde derden over de hoedanigheid van betrokkene en diens positie binnen de onderneming;
het aangaan van overeenkomsten namens of ten behoeve van de vennootschap, met name wanneer die overeenkomsten van belang zijn voor de financiën en bedrijfsvoering van de vennootschap;
het aannemen en ontslaan van personeel;
het (laten) doen van betalingen namens de vennootschap;
het doen van belastingaangiften;
de hoogte van de eigen beloning of bonussen van de betrokkene, met name wanneer deze niet in verhouding staat tot de functie, alsmede het (mee)beslissen over beloningen van anderen;
het beschikken en/of controleren over de (financiële) administratie van de vennootschap, al dan niet door het laten verlopen van betalingen via eigen en/of andere vennootschappen;
het (mede)ondertekenen van jaarstukken en/of deze accorderen.
Men dient zich echter ervan bewust te zijn dat de hiervoor beschreven omstandigheden de rechter moeten kunnen overtuigen van het bestaan van een zodanige mate van invloed, dat de betrokkene ofwel het bestuur volledig terzijde heeft gesteld en/of slechts als marionetten heeft gebruikt, ofwel samen met het bestuur in overwegende mate het beleid van de onderneming heeft vormgegeven.15 Bovendien dient er in de regel sprake te zijn van betrokkenheid bij het onbehoorlijk bestuur, althans handelingen die tot het oordeel leiden dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur, en die tevens een belangrijke oorzaak van het faillissement vormen. Die betrokkenheid hoeft overigens niet rechtstreeks te zijn. Een rechtstreekse betrokkenheid verhoudt zich mijns inziens niet met het voornaamste beeld dat de wetgever van de (mede)beleidsbepaler heeft gehad, namelijk dat het een opdrachtgever achter de schermen betreft.