Eigendomsvoorbehoud
Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.13:8.13 Conclusie
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.13
8.13 Conclusie
Documentgegevens:
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS400842:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk is de positie van de koper gedurende de periode van onzekerheid onderzocht.
Het vertrekpunt voor de kwalificatie van de positie van de koper gedurende de periode van onzekerheid is de verklaring voor de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde genomen. Van een bijzondere rechtspositie ten aanzien van de verkochte zaak kan namelijk pas worden gesproken zodra deze goederenrechtelijke werking op overtuigende wijze is verklaard. In dat verband is gebleken dat artikel 3:84 lid 4 BW de sleutel vormt tot de verklaring van de goederenrechtelijke werking. Omdat de koper op grond van die bepaling ondanks de opgeschorte werking van de overdracht terstond een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde verkrijgt, is het recht van de verkoper, waarvan het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde is afgesplitst, dienovereenkomstig beperkt.
De splitsing van het eigendomsrecht bewerkstelligt aldus dat de positie van de koper is gewaarborgd. Vervolgens is aandacht besteed aan bezwaren tegen deze benadering en is geconcludeerd dat geen van de genoemde bezwaren vermag te overtuigen. Deze systematiek komt niet in strijd met de oneindigheid van het eigendomsrecht, omdat het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde een continuering vormt van het eigendomsrecht van de verkoper. Aangezien de splitsing van het eigendomsrecht berust op de wet, vooralsnog geen werking heeft en niet leidt tot een verdeling van eigendomsbevoegdheden, is geen sprake van een verboden splitsing van het eigendomsrecht. Weliswaar zijn aan het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde enkele bevoegdheden verbonden, maar deze hebben een gemeenschappelijke grondslag, namelijk de voorwerking van de voorwaardelijke beschikking, op grond waarvan de eigenaar onder opschortende voorwaarde die bevoegdheden heeft, die nodig zijn om te waarborgen dat vervulling van de voorwaarde ook daadwerkelijk leidt tot onvoorwaardelijke eigendomsverkrijging. Het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde is een eigendomsrecht als ieder ander eigendomsrecht, zodat evenmin sprake is van een met de numerus clausus strijdig nieuw goederenrechtelijk recht.
Een bijzonder aspect van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde in geval van een eigendomsvoorbehoud is gelegen in de omstandigheid dat de vormgeving van de voorwaarde een bijzondere afhankelijkheid schept tussen het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde en de koopovereenkomst. Aangezien de vervulling van de voorwaarde afhankelijk is van de voldoening van de verschuldigde tegenprestatie uit de koopovereenkomst, vervalt het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde op het moment dat voldoening van de verschuldigde tegenprestatie niet meer mogelijk is, bijvoorbeeld door ontbinding van de koopovereenkomst. Deze vormgeving van de voorwaarde leidt tot een verbintenisrechtelijke zwakte van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde, die met name tot moeilijkheden kan leiden indien het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde toebehoort aan een ander dan de koper.
De koper kan gedurende de periode van onzekerheid over zijn eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde beschikken, omdat dit eigendomsrecht een eigendomsrecht als ieder ander eigendomsrecht is. Voor de beschikking over een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde gelden in beginsel dan ook dezelfde regels als voor de beschikking over een ‘gewoon’ eigendomsrecht. Van belang is daarbij in het bijzonder dat het causale karakter van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde bij het eigendomsvoorbehoud tot gevolg kan hebben dat de verkrijger van het voorwaardelijk eigendomsrecht in vergaande mate geconfronteerd kan worden met de verbintenisrechtelijke afspraken tussen verkoper en koper.
De systematiek van het Nederlandse recht, waarbij het eigendomsrecht wordt gesplitst gedurende de periode van onzekerheid is overzichtelijk, omdat helder is wat de rechtspositie van de betrokken is en duidelijk is welke regels van toepassing zijn op het recht. Eveneens duidelijk is hoe het recht van de koper zich verhoudt tot de zaak. In dit opzicht is het Nederlandse recht verkieslijk boven de Duitse systematiek, waarin de verhouding tussen Anwartschaftsrecht en het eigendomsrecht met betrekking tot de zaak buitengewoon onduidelijk is, in het bijzonder op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat of beperkte rechten zijn gevestigd op het Anwartschaftsrecht.
In het slot van het hoofdstuk is aandacht besteed aan de positie van de koper gedurende de periode van onzekerheid ten aanzien van de zaak. Hij is houder van de zaak en niet bevoegd om het onvoorwaardelijke eigendomsrecht ten aanzien van de zaak te vervreemden. Door middel van een contractuele machtiging door de verkoper is de koper echter in staat om de zaak gedurende de periode van onzekerheid al te vervreemden aan afnemers. Deze constructie is verkieslijk boven de in de literatuur overheersende opvatting waarbij de beschikkingsbevoegdheid over de zaak wordt beschouwd als het in vervulling gaan van een alternatieve opschortende voorwaarde.