Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker
Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.6.5.4:7.6.5.4 De tenzij-clausule van art. 6:181 lid 1 als inspiratiebron voor het gebruiksbegrip van art. 6:181
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.6.5.4
7.6.5.4 De tenzij-clausule van art. 6:181 lid 1 als inspiratiebron voor het gebruiksbegrip van art. 6:181
Documentgegevens:
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS300403:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dat de tenzij-clausule van art. 6:181 lid 1 vanwege het gebruiksbegrip in diezelfde bepaling strikt genomen overbodig is, betekent niet dat hetgeen over deze clausule is gezegd en geschreven zonder betekenis is voor de toepassing van art. 6:181. Wanneer de tenzij-clausule wordt geacht de grondnorm van art. 6:181 met betrekking tot de aansprakelijkheid voor opstallen nog eens uit te drukken, geeft deze clausule richting aan het debat over de toepassing van het gebruiksbegrip van art. 6:181 in geval van schade door een opstal.
In het arrest DB/Edco heeft de Hoge Raad met betrekking tot de tenzij-clausule van art. 6:181 lid 1 uitgemaakt dat het wettelijke ‘het ontstaan van de schade’ moet worden gelezen als ‘het ontstaan van het gebrek’, alsmede dat het hof in de voorliggende zaak op goede gronden de eigenaar van de opstal als de kwalitatief aansprakelijke had aangewezen nu het betreffende gebrek niet ‘is veroorzaakt door’ of ‘in verband staat met’ de bedrijfsuitoefening van degene die de opstal ten tijde van de schadeveroorzaking bedrijfsmatig gebruikte. Aansluitend is in het arrest Schavemaker/Planet c.s. geoordeeld dat onder het wettelijke ‘het ontstaan van de schade’ moet worden verstaan ‘de verwezenlijking van het gevaar dat is verbonden aan de gebrekkigheid van de opstal’, alsmede dat bedoelde verwezenlijking (in ieder geval) niet met de desbetreffende bedrijfsuitoefening in verband staat, indien ‘het bestaan of ontstaan van het gebrek’ in de opstal niet met die bedrijfsuitoefening samenhangt.
Door het accent niet op de ‘schade’ maar op het ‘gebrek’ te leggen, maakt de Hoge Raad duidelijk dat de bedrijfsmatige gebruiker van een gebrekkige opstal met de tenzij-clausule van art. 6:181 lid 1 een ruimere verweermogelijkheid heeft dan de wettekst op het eerste gezicht doet vermoeden. Er zal immers sneller geen verband bestaan tussen de bedrijfsuitoefening en (de verwezenlijking van het gevaar verbonden aan) het gebrek in de opstal, dan dat geen verband bestaat tussen de bedrijfsuitoefening en het ontstaan van de (uiteindelijke) schade. De keuze van de Hoge Raad ligt in lijn met de constatering dat de ‘verantwoordelijkheid’ voor de staat waarin een opstal verkeert in de eerste plaats c.q. nadrukkelijk(er) bij de eigenaar rust, ook indien de opstal voor bedrijfsmatig gebruik aan een ander ‘uit handen’ is gegeven. Voorts sluit zoals reeds gezegd de keuze van de Hoge Raad voor de term ‘gebrek’ beter dan de term ‘schade’ aan bij waar het in dit verband om gaat: aansprakelijkheid voor het schadeveroorzakende element waartegen art. 6:174 beoogt te beschermen. Degene met de meeste invloed op (schade veroorzaakt door) dát element behoort kwalitatief aansprakelijk te zijn.
Ter nadere toelichting van deze gedachte laat ik, niet limitatief bedoeld, in het navolgende nog een aantal praktische voorbeelden van schade door een gebrekkige opstal de revue passeren. Te weten de bedrijfsmatige gebruiker die niets van doen heeft met het gebrek, de bedrijfsmatige gebruiker die het gebrek in fysieke zin veroorzaakt heeft, de bedrijfsmatige gebruiker die het gebrek op andere wijze heeft veroorzaakt, de bedrijfsmatige gebruiker die een verborgen gebrek ‘luxeert’, de bedrijfsmatige gebruiker die zich bedient van zogenoemde ‘opstal-werktuigen’, alsmede de bedrijfsmatige gebruiker die een kenbaar gebrek laat voortbestaan. Hiertoe zij nog opgemerkt dat een aantal van deze door mij onderscheiden gevalstypen op elkaars grensvlak liggen en/of een bepaalde overlap kunnen vertonen.