Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/1.4
1.4 Onderzoeksmethoden
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686185:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie nader hierover (o.a.) Tjong Tjin Tai & Verbruggen 2022, Van Dijck, Snel & Van Golen 2018, p. 84 e.v. en Smits 2009, p. 33 e.v. die dit type onderzoek dogmatisch of doctrinair juridisch onderzoek noemen.
In hoofdstuk 7 zullen de nodige voorbeelden hiervan worden gegeven.
Rechtvaardigheid is per definitie subjectief. Het gaat hierbij om de vraag wat mensen rechtvaardig vinden. Of iets rechtvaardig is in objectieve zin, kan naar mijn mening niet worden vastgesteld. In ieder geval kan dit niet empirisch worden onderzocht. Daarom spreek ik, zoals te doen gebruikelijk binnen de psychologie (vgl. bijvoorbeeld Van den Bos 2002), in het kader van de uit te voeren toetsing van de prescriptieve theorie over gepercipieerde rechtvaardigheid.
Wat betreft de onderzoeksmethoden die zullen worden gehanteerd, wordt het volgende opgemerkt. Hierboven is in paragraaf 1.2 bij de beschrijving van de probleemstelling al kort ingegaan op de te kiezen onderzoeksmethoden (te weten op die momenten waar wordt besproken hoe de onderzoeksvragen zullen worden beantwoord). Dit is (mede) gedaan om de onderzoeksvragen die in paragraaf 1.3 zijn geformuleerd logisch te laten voorvloeien uit het betoog in paragraaf 1.2. Over de te kiezen methoden kan ik daarom in deze paragraaf kort zijn om onnodige herhalingen te voorkomen.
Om de hiervoor onder “1” beschreven hoofd- en subvragen te beantwoorden, moet het geldende recht met betrekking tot de werking van de paritas creditorum tijdens een faillissement aan de hand van de wet, literatuur en de rechtspraak in kaart worden gebracht. De voorliggende vraag (die van het type is: hoe luidt het recht?) wordt beantwoord via de weg van, wat wel wordt genoemd, juridisch-dogmatisch onderzoek.1 De methode die wordt gehanteerd bij de onder “1” beschreven hoofd- en subvragen is dan ook de juridisch-dogmatische methode.
De vraagstelling onder “2” kan in ieder geval niet worden beantwoord met behulp van de dogmatisch juridische methode. Het betreft immers een feitelijke vraag die beantwoord moet aan de hand van te verwerven relevante empirische gegevens. De dogmatisch juridisch methode strekt ertoe juridische vragen te beantwoorden (en geen feitelijke vragen). Bovendien leent deze methode zich niet voor het verrichten van empirisch onderzoek. Zoals hiervoor al toegelicht gaat het bij de beantwoording van de vraagstelling onder “2” om een descriptieve toetsing van een aanname van de wetgever. Deze toetsing kan plaatsvinden door empirisch onderzoek te verrichten naar de vraag welk type verdeling schuldeisers betrokken in een faillissementssituatie als rechtvaardig percipiëren, waarbij de paritas creditorum één van de voorgelegde verdelingstypen is. Voor het uitvoeren van een dergelijk onderzoek moet te rade worden gegaan bij de sociale wetenschappen. Immers, sociale wetenschappers voeren (frequent)2 empirisch onderzoek uit naar verdelingen die mensen als rechtvaardig percipiëren.3 Door de sociale wetenschappen als hulpwetenschap in te roepen, dient het onderzoek te worden uitgevoerd aan de hand van de eisen die deze discipline hieraan stelt. Via literatuuronderzoek zal ik daarom – in het verlengde van de onderzoeksvraag - een hypothese stellen. Door middel van een empirisch onderzoek waarbij op controleerbare wijze data wordt verzameld, wordt de hypothese vervolgens getest. De vraagstelling onder “2” wordt derhalve onderzocht met behulp van de empirische onderzoeksmethode. In het betreffende hoofdstuk (te weten hoofdstuk 7) zal hierbij de precieze onderzoeksmethode binnen het empirisch onderzoeksdomein nader worden toegelicht en waar nodig worden verantwoord.