Grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen naar Nederlands recht
Einde inhoudsopgave
Grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen naar Nederlands recht (VDHI nr. 109) 2011/5.5.11:5.5.11 De positie van de houder van de bezwaarde aandelen
Grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen naar Nederlands recht (VDHI nr. 109) 2011/5.5.11
5.5.11 De positie van de houder van de bezwaarde aandelen
Documentgegevens:
mr. H.J.M.M. van Boxel, datum 11-05-2011
- Datum
11-05-2011
- Auteur
mr. H.J.M.M. van Boxel
- JCDI
JCDI:ADS439355:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De aandeelhouder die geen stemrecht heeft, heeft zowel bij pandrecht als bij vruchtgebruik de rechten die de wet toekent aan de houders van met medewerking uitgegeven certificaten.1
Naar de letterlijke tekst van artikel 333h is dat onvoldoende om gebruik te kunnen maken van de uittreedregeling. De wet spreekt immers duidelijk van de aandeelhouder die tegen de fusie heeft gestemd. De tekst van de Richtlijn GOF is minder beperkend. Niet het stemmen is een vereiste, maar het zich verzet hebben. De aandeelhouder op wiens aandelen een pandrecht of een recht van vruchtgebruik rust lijkt dus geen gebruik te kunnen maken van het uittreedrecht wanneer het stemrecht op de betreffende aandelen toekomt aan de pandhouder of de vruchtgebruiker. Voor de artikel 118a certificaathouders heb ik anders betoogd. De reden daarvan is de voorgestelde tekst van artikel 118a op het moment dat artikel 333h is geschreven.
De conclusie dat de houder van met een beperkt recht bezwaarde aandelen geen gebruik kan maken van de uittreedregeling acht ik wel uiterst onwenselijk. Het zou toch niet zo moeten zijn dat de aandeelhouder die het stemrecht als gevolg van het vruchtgebruik of pandrecht ontbeert met lege handen staat. Temeer nu ook hij in de algemene vergadering waarin tot de fusie wordt besloten zelf het spreekrecht heeft en dus zijn bezwaar tegen de fusie kenbaar kan maken.
De positie van de aandeelhouder wiens aandelen bezwaard zijn met een pandrecht of een recht van vruchtgebruik is bij de implementatie van de Richtlijn GOF wel aan de orde geweest zij het in een ander kader. Het ging daarbij om een vraag die gesteld is door de leden van de CDA-fractie met betrekking tot artikel 333g lid 2. Die leden vroegen of onder 'aandeelhouder' in dat artikel mede moet worden begrepen de houder van een beperkt recht op een aandeel waarop het stemrecht is overgegaan. Het is jammer dat die vraag is gesteld met betrekking tot artikel 333g en niet meer in het algemeen, of ten aanzien van artikel 333h in het bijzonder. De Minister antwoordt duidelijk:
‘Het recht om in te stemmen met een besluit als bedoeld in artikel 333g, en meer in het algemeen het recht om het stemrecht op een aandeel uit te oefenen, kan niet worden uitgeoefend door zowel de aandeelhouder als de pandnemer. Beider toestemming is dus niet vereist. De wet regelt ten aanzien van de vraag wie gerechtigd is deel te nemen aan de besluitvorming het volgende. Het vestigen van een pandrecht op de aandelen brengt niet van rechtswege met zich dat de pandhouder treedt in de (stem)rechten van de pandgever: men vergelijke artikel 3:247 jo 2:98 lid 2 BW. De pandhouder zonder stemrecht kan zich wel beroepen op de rechten die een certificaathouder toekomen, bijvoorbeeld het recht om de algemene vergadering bij te wonen. Het stemrecht op verpande aandelen blijft dan bij de aandeelhouder berusten, ook ten aanzien van het recht om af te zien van een accountantsverklaring. Partijen kunnen binnen de in artikel 2:89 BW resp. 2:198 BW aangegeven grenzen evenwel anders overeenkomen. De pandhouder oefent dan in plaats van de aandeelhouder het stemrecht uit.'
Hoewel in het licht van een artikel geplaatst, zal deze uitleg de aandeelhouder zonder stemrecht die gebruik wil maken van het uittreedrecht niet veel verder helpen. Dat is jammer omdat hij in lijn met artikel 4 van de Richtlijn GOF wel een deelgerechtigde is die zich tegen de fusie kan verzetten.
Een aanpassing van artikel 333h acht ik ook op dit punt wenselijk.2