De meerwaarde van meervoud
Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/4.7:4.7 Wettelijke waarborgen voor de onafhankelijke zaakstoedeling aan meervoudige en enkelvoudige kamers
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/4.7
4.7 Wettelijke waarborgen voor de onafhankelijke zaakstoedeling aan meervoudige en enkelvoudige kamers
Documentgegevens:
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174232:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Bovend’Eert m.m.v. Kortmann 2013, p. 25-26.
Volgens de regering is dat ook niet goed mogelijk (Kamerstukken II 1999-2000, 27 182, nr. 3, p. 13-15).
De regering heeft het goede voorbeeld gegeven door te erkennen dat de beslissing om een zaak meervoudig dan wel enkelvoudig te behandelen rechterlijk beleid is (Kamerstukken II 1999-2000, 27 182, nr. 3, p. 82. In gelijke zin: Kamerstukken I 2001-2002, 27 181 en 27 182, nr. 55a, p. 6). Zie ook Van den Eijnden 2011, p. 267-268.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf wordt besproken of en zo ja, hoe de rechterlijke onafhankelijkheid om zaken aan een meervoudige of enkelvoudige kamer toe te wijzen wettelijk is gewaarborgd. Eerder is gebleken dat de wet in grote lijnen voorschrijft welke zaken door een meervoudige dan wel enkelvoudige kamer worden behandeld, maar dat de marges voor gerechten en rechters om hiervan af te wijken betrekkelijk groot zijn. De vrijheid om zelf een methode voor zaakstoedeling te ontwikkelen is echter geen vrijblijvendheid. Niet alleen het rechtspreken zelf, maar ook de organisatie van de rechtspraak, inclusief de toewijzing van zaken aan een meervoudige of enkelvoudige kamer en de samenstelling daarvan, moet immers met waarborgen zijn omgeven om integere rechtspraak te verzekeren.
De wet bevat daartoe diverse waarborgen. Om te beginnen is de zaakstoewijzing in beginsel in handen van de zittende magistratuur (art. 6, eerste lid, Wet RO). Haar onafhankelijkheid ten aanzien van de andere staatsmachten biedt een eerste bescherming tegen oneigenlijke sturing in de toedeling. Verder bepalen de regels van de absolute en relatieve competentie welk gerecht bevoegd is een zaak te behandelen. Deze regels beogen onder meer te voorkomen dat er al te gemakkelijk nieuwe rechterlijke colleges worden ingesteld. Alleen de formele wetgever is daartoe bevoegd. Binnen de kaders van de absolute en relatieve competentie beslist de rechterlijke macht in hoge mate zelfstandig hoe ze de toedeling van zaken organiseert.
Ook het aantal rechters dat uitspraak in een zaak moet doen is een waarborg voor de onafhankelijkheid van de zaakstoedeling. Rechtspraak door een onwetmatig aantal rechters heeft nietigheid van de uitspraak tot gevolg. Hierdoor kan een regering een meervoudige kamer niet uitbreiden met rechters die haar wellicht gunstiger gezind zijn (zie paragraaf 4.6). Wel biedt de wet rechters veel ruimte om een zaak naar een meervoudige dan wel enkelvoudige kamer te verwijzen. Hieruit is af te leiden dat de wet beoogt dat het aantal rechters dat een zaak behandelt niet wordt bepaald door een autoriteit die daartoe de bevoegdheid ontbeert.
Risico schuilt echter in bevoegdheden van het gerechtsbestuur, de Raad voor de rechtspraak en de minister van Veiligheid & Justitie die zien op de bedrijfsvoering van gerechten en de rechterlijke organisatie (art. 23, eerste lid, resp. art. 91, eerste lid, onder c en d, resp. art. 106, eerste lid, Wet RO). Deze belasten het gerechtsbestuur met de bedrijfsvoering van zijn gerecht en de Raad voor de rechtspraak met de ondersteuning van gerechten bij de bedrijfsvoering en het toezicht daarop. Het gerechtsbestuur zou bijvoorbeeld aanwijzingen kunnen geven om een bepaalde categorie zaken uit kostenbesparing enkelvoudig af te doen. Beslissingen van de Raad kunnen bij koninklijk besluit worden vernietigd, op voordracht van de minister. Reden voor alarm is er echter niet: het gebruik van deze bevoegdheid wordt beperkt door de onafhankelijkheidsexceptie van artikel 23, tweede lid, Wet RO, waarin is bepaald dat het bestuur bij de uitvoering van taken van lid 1 niet treedt in de procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke beoordeling van en beslissing in concrete of categorieën zaken. De exceptie van artikel 96, tweede lid, Wet RO, verhindert ingrijpen door de Raad voor de rechtspraak; die van artikel 109 Wet RO ingrijpen door de minister.1
De vraag is wel of hiermee alle aanvallen op de rechterlijke onafhankelijkheid kunnen worden afgeslagen. Problematisch is dat het begrip bedrijfsvoering niet goed afgebakend is van het begrip rechtspraak, wat onvermijdelijk tot discussie zal leiden.2 Uit de memorie van toelichting blijkt dat de regering onder bedrijfsvoering niet alleen beheerszaken laat vallen zoals begroting, automatisering en personeelszaken, maar ook de kwaliteit van de bestuurlijke en organisatorische werkwijze van het gerecht en de verhoging van de doelmatigheid van de werkprocessen.3 De opmerking dat ‘door […] een betere organisatie van de inzet van mensen en middelen en een betere voortgangsbewaking, de efficiency bij de gerechten kan worden verbeterd’4 doet vermoeden dat de mogelijkheid bestaat om in te grijpen in het zaakstoedelingsbeleid.
Mijn conclusie is dus dat er weliswaar waarborgen bestaan tegen aantasting van de rechterlijke onafhankelijkheid in de zaakstoedeling aan meervoudige en enkelvoudige kamers, maar dat deze wel aan bedreiging onderhevig zijn. De wetgever doet er daarom goed aan om zonneklaar te bepalen dat de beslissing tot toewijzing van een zaak aan een meervoudige of enkelvoudige kamer, alsook om die samen te stellen, onafhankelijk moet worden genomen, dus zodanig dat bestuurlijke of wetgevingsautoriteiten daar geen invloed op kunnen uitoefenen.5