Het voorlopig getuigenverhoor
Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/426:426 Procedure tot en met de beschikking
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/426
426 Procedure tot en met de beschikking
Documentgegevens:
mr. E. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
mr. E. Groot
- JCDI
JCDI:ADS457038:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De procedure waarbij een voorlopig getuigenverhoor wordt gevraagd, is een zelfstandige verzoekschriftprocedure. Art. 6 EVRM is niet van toepassing op het voorlopig getuigenverhoor, omdat er geen sprake is van het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van dat artikel (par. 5.1).
De wet stelt een aantal beperkingen aan de mogelijkheid een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken. Ten eerste kan een voorlopig getuigenverhoor alleen worden bevolen als de wet het bewijs door getuigen toelaat. Ten tweede kan een voorlopig getuigenverhoor alleen worden bevolen in het kader van een civiele dagvaardingsof verzoekschriftprocedure. Met het oog op de volgende procedures kan – onder voorwaarden en soms zeer beperkt – een voorlopig getuigenverhoor worden bevolen: cassatie, herroeping, arbitrage, bindend advies, kort geding, deelgeschilprocedure, renvooi en verlof tot tenuitvoerlegging van een buitenlandse uitspraak. In de jurisprudentie wordt regelmatig aangenomen dat de aard van de enquêteprocedure en van de procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staan aan het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor (5.2).
Een voorlopig getuigenverhoor kan zowel vóórdat een zaak aanhangig is als tijdens een aanhangige zaak worden bevolen (par. 5.3). Als de hoofdzaak nog niet aanhangig is, kan iedere belanghebbende een voorlopig getuigenverhoor verzoeken. Belanghebbende is ten eerste de potentiële procespartij (de eiser/verzoeker, de gedaagde/ verweerder of degene die door voeging, tussenkomst of vrijwaring partij in de hoofdzaak kan worden). Ten tweede is een (rechts)persoon, die zozeer betrokken is bij een tussen anderen gevoerde procedure en in een zodanige rechtsverhouding tot (een van) die anderen staat, dat hij in vrijwel gelijke mate of zelfs in een nog sterkere mate als belanghebbende bij die procedure moet worden aangemerkt, belanghebbende bij een voorlopig getuigenverhoor. Dit kan bijvoorbeeld een verzekeraar, aandeelhouder, werknemer of beslagene zijn. Als de hoofdzaak aanhangig is, kunnen slechts partijen een voorlopig getuigenverhoor vragen (par. 5.4.1 en 5.4.2).
Naast de algemene vereisten die aan een verzoekschrift worden gesteld, geldt een aantal aanvullende vereisten voor het verzoekschrift waarbij gevraagd wordt een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. Ten eerste moet het verzoek de aard en het beloop van de vordering in de hoofdzaak vermelden, zodat de rechter kan beoordelen of het voorlopig getuigenverhoor voor hem gehouden kan worden. Ten tweede moeten de feiten of rechten die de verzoeker wil bewijzen, worden omschreven in het verzoekschrift, zodat door de rechter en de wederpartij kan worden beoordeeld of een afwijzingsgrond van toepassing is en of de feiten of rechten relevant, betwist en voldoende concreet zijn. Een feit is alleen niet betwist als de hoofdzaak aanhangig is en door de wederpartij een conclusie van antwoord is genomen of een verweerschrift is ingediend, waaruit blijkt dat een feit niet wordt betwist. De omschrijving van de feiten moet op zodanige wijze gebeuren, dat het voor de rechter voor wie het getuigenverhoor wordt gehouden en voor de wederpartij voldoende duidelijk is op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking zal hebben. Ten derde moeten de namen en woonplaatsen van de personen die de verzoeker als getuigen wil doen horen worden opgegeven. Ten vierde moeten de naam en de woonplaats van de wederpartij in het verzoekschrift worden opgenomen om de belangen van de wederpartij te beschermen. Als de wederpartij onbekend is, moet de verzoeker voldoende onderbouwen dat en waarom hij niet weet (en kan weten) wie zijn wederpartij is, op straffe van afwijzing van het verzoek (par. 5.5).
Na de indiening van het verzoekschrift dienen de verzoeker en de wederpartij in beginsel te worden opgeroepen voor de behandeling van het verzoekschrift. Na de behandeling moet de rechter bij beschikking gemotiveerd beslissen. Hij kan het verzoek geheel of gedeeltelijk toewijzen of afwijzen. In zijn toewijzende beschikking geeft de rechter aan over welke feiten de verzoeker de getuigen kan doen horen. Ook staan in de beschikking een aantal praktische beslissingen over het te houden getuigenverhoor (par. 5.6 en 5.7).