Einde inhoudsopgave
Een Nederlandse personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid (IVOR nr. 81) 2011/3.6.0
3.6.0 Introductie
mr.drs. I.S. Wuisman, datum 13-01-2011
- Datum
13-01-2011
- Auteur
mr.drs. I.S. Wuisman
- JCDI
JCDI:ADS396755:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Ribstein, L.E. (1993), 'Efficiency, Regulation and Competition: A Comment on Easterbrook & Fischel's Economic Structure of Corporate Law', 87 Northwestern University Law Review, blz. 254-286.
Kerkmeester, H.O. (2000), `Methodology: general', in B. Bouckeart en D. de Geest (2000), `Encyclopedia of Law and Economics, Volume I: The History and Methodology of Law and Economics', Cheltenham: Edward Elgar, blz. 383-401.
Visscher, L.T. en H.O. Kerkmeester (1996), 'Kenbaarheidsvereiste en gewoonte als verweren tegen een aansprakelijkheidsactie: een rechtseconomische benadering', Tijdschrift voor Milieuschade en Aansprakelijkheidsrecht, 10(3), blz. 48-57.
Kerkmeester, H.O. (2000), supra noot 77, in B. Bouckeart en D. de Geest (2000), supra noot 77, blz. 383-401.
Visscher, L.T. en R.J. van den Bergh (1998), 'Over fietsende juristen en autorijdende rechtseconomen of een nieuwe fase in het debat over verkeersaansprakelijkheid', Nederlands Juristenblad, 1998-3, blz. 122-127.
Deben, L. (2005), 'Welvaartsimplicaties van overheidsinterventie; de public interest benadering', Diepenbeek: Steunpunt Verkeersveiligheid, blz. 9.
Coase, R.H. (1960), 'The Problem of Social Cost', 3 Journal of Law and Economics, blz. 1-69 en vergelijk H.O. Kerkmeester (1998), 'Nieuwenhuis over de rechtseconomie', Nederlands Tijdschrift voor Burgerlijk Recht, 15(8), blz. 261-267.
Vgl: Medema, S.G. en R.O. Zerbe (2000), 'Coase Theorem', Encyclopedia of Law and Economics, nr. 0730, blz. 851.
De efficiëntietheorie is voortgekomen uit de rechtseconomie en gaat uit van de veronderstelling dat efficiëntie het voornaamste criterium voor de inhoud van het (ondernemings)recht is.1 De rechtseconomie kan gedefinieerd worden als de economische analyse van het recht, en derhalve als de toepassing van de rationele keuzebenadering van het recht.2 In de economie wordt ervan uitgegaan dat een actor kiest tussen mogelijke handelingen op grond van een afweging van de kosten en de baten die deze handelingen voor hemzelf zullen meebrengen.3 Zijn gedrag wordt beschreven alsof hij zijn verwachte nut maximeert, waarbij het nut refereert aan de preferenties van individuen4 en het verwachte nut wordt gedefinieerd als de kans op een situatie vermenigvuldigd met het nut in die situatie.5 Het gedrag van de actor kan nadelige gevolgen hebben voor derden, de zogenaamde externe kosten. Externe kosten zijn vanuit welvaartstheoretisch zicht van groot belang omdat ze aanleiding geven tot suboptimale uitkomsten6 die hogere maatschappelijke kosten met zich kunnen brengen dan de private kosten waarop de actor zijn handelingen baseert. Het door de rechtseconoom Coase ontwikkelde theorema veronderstelt echter dat partijen via onderhandelingen tot een optimale transactie zullen komen, mits bekend is hoe de rechten zijn verdeeld en er geen belemmeringen zijn die mensen beletten om een wederzijds profijtelijke overeenkomst te sluiten.7 Deze belemmeringen zijn de zogenoemde transactiekosten. Door deze onderhandelingen zullen de private kosten en de externe kosten met elkaar in balans worden gebracht. Het Coase theorema stelt dat de beste oplossing van een probleem tussen partijen door onderhandelingen wordt bereikt, omdat het in de interessesfeer van alle partijen ligt en het een resultaat is van de instemming van de partijen.8