Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/1:1 Het Nederlandse strafrecht in zijn hedendaagse context
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/1
1 Het Nederlandse strafrecht in zijn hedendaagse context
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200737:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Nederland geniet internationaal grote bekendheid vanwege zijn liberale klimaat. Sommige drugs zijn toegestaan of worden gedoogd, abortus is binnen grenzen toegestaan, net als euthanasie. Ook het Nederlandse Wetboek van Strafrecht van 1886 wordt veelal in de klassiek liberale traditie geplaatst. De individuele burger en zijn vrijheid, en een beperkte reikwijdte van het strafrecht waren destijds belangrijke uitgangspunten. Tegenwoordig lijkt het ‘veiligheidsdenken’ te domineren en beperkt de staat zich minder tot een rol van ‘scheidsrechter’ die het strafrecht als ultimum remedium in stelling brengt (vgl. De Hullu, 2015: 10-11). De huidige samenleving heeft hoge verwachtingen van het vermogen van het strafrecht om criminaliteit en overlast te beteugelen. Daarbij is sprake van maatschappelijk en politiek onbehagen over de betekenis van het strafrecht voor de maatschappelijke veiligheid (De Roos, 2000). Het debat hierover is de afgelopen decennia ook in Nederland verhevigd. In dit onderzoek staat de vraag centraal hoe door politiemensen, officieren van justitie en rechters over het strafrecht1 wordt gedacht: welke eisen stellen zij aan strafrecht en strafrechtspleging?
Steeds opnieuw doen zich bedreigingen van de maatschappelijke veiligheid voor en ontstaan nieuwe vormen van criminaliteit. Denk bijvoorbeeld aan nieuwe bronnen van terroristisch gevaar en de recente opkomst van cybercrime. Effectiviteit en legitimiteit van de strafrechtspleging zijn daarbij vaak onderwerp van discussie. Het recent in zwang gekomen begrip ‘ondermijning’ tekent de onrust rond het strafrecht. Het nieuwe begrip is niet meer weg te denken uit media en politiek. Dit ‘succes’ kan misschien worden verklaard doordat ‘ondermijning’ niet alleen verwijst naar georganiseerde criminaliteit, maar evenzeer naar de ernstige, mogelijk onbeheersbare uitwerking ervan op langere termijn. Daarmee is ‘ondermijning’ geen neutrale aanduiding voor drugscriminaliteit of criminele verschijnselen in het algemeen: het begrip is geladen met urgentie en houdt zo een pleidooi in voor meer politiecapaciteit en intensivering van de bestuurlijke en strafrechtelijke aanpak van georganiseerde misdaad.
Niet alleen is er regelmatig maatschappelijk en politiek ‘onbehagen’ over de betekenis van het strafrecht voor de maatschappelijke veiligheid, ook kan worden gesproken van ‘uitdijend strafrecht’ (De Roos, 2000: 23). Uit het debat blijkt vaak een sterke behoefte criminaliteit te vergelden en de morele orde te herstellen. Er is weinig sprake van decriminalisering, wel van ruimere aansprakelijkheid en van strafverzwaring. Daarnaast hebben politie en justitie meer bevoegdheden gekregen (idem: 42). In internationaal perspectief is het Nederlandse strafrecht ‘een gewoon stelsel’ (De Hullu, 2015: 13), toch luidt de conclusie (van Klip): ‘Het strafrecht dijt voortdurend uit: in strafbare feiten, de betrokken personen, de plaats van het delict en in de tijd; het strafrecht heeft als instrument een onaantastbare status bereikt met een flinke morele lading.’ (In: De Hullu, 2015: 10-11)
Bij de invoering van het Wetboek van Strafrecht sprak minister Modderman al over de ontwikkeling van denkbeelden rond strafrecht, ze zijn ‘in hunne vaart niet te stuiten’ (2015: 5). De veranderingen in het strafrecht zijn elkaar in de afgelopen decennia inderdaad in hoog tempo opgevolgd, waarbij het bereik ervan zich meestal uitbreidde (ibidem). De langdurige onrust rond het strafrecht roept de vraag op hoe (mogelijk onder invloed daarvan) door politiemensen, officieren van justitie en rechters over het strafrecht wordt gedacht. Hoe kijken zij aan tegen de hiermee verbonden fundamentele spanningen en: hoe komen zij tot hun opvattingen?
De burger wordt door strafrecht beperkt en beschermd. Strafrechtspleging beperkt de vrijheid van de ene burger om de vrijheid van andere te beschermen en de burger wordt erdoor beschermd tegen de staat als die zijn rechten ongeoorloofd dreigt te schenden. Anders gezegd kan strafrecht bijdragen aan het tegengaan van criminaliteit en moet het tegelijkertijd onze vrijheden waarborgen (vgl. Packer, 1968: 9). Het spanningsveld tussen deze verschillende waarden ligt aan de rechtsstaat ten grondslag, maar de status quo stemt niet iedereen tevreden. Vanuit empirisch onderzoek is er weinig systematische aandacht voor de feitelijke verhouding tussen verschillende en vaak met elkaar strijdige waarden in het strafrecht. Dit onderzoek maakt inzichtelijk welke opvattingen politiemensen, officieren van justitie en rechters hebben over hoe het strafrecht functioneert en in hun ogen zou moeten functioneren. Daarbij komt vooral aan de orde hoe verschillende waarden zich volgens hen tot elkaar verhouden.
Voor deze studie is gebruikgemaakt van diverse onderzoeksmethoden. Bij de start in 2012 zijn open interviews gehouden met politiemensen. Ook is binnen vier eenheden van de Nationale Politie, onder een groot aantal politiemensen een enquête afgenomen. Vervolgens zijn in 2015 door middel van open interviews reacties verzameld van officieren van justitie en rechters op opvattingen die politiemensen over het strafrecht hebben. Hierbij zijn ook hun eigen opvattingen over het functioneren van het strafrecht in kaart gebracht.
Een analyse van de strafrechtspleging op basis van opvattingen die daarbinnen een rol spelen, maakt geen gebruik van het veelgebruikte perspectief van samenhang en afstemming in de ‘strafrechtsketen’ (vgl. De Vries, 2001). Centraal staat ook niet de positie die politie, Openbaar Ministerie (OM) en rechtspraak tot elkaar innemen in het stelsel van de machtenscheiding, waarbij de politie in de Trias-leer tot de uitvoerende macht behoort en het OM deel uitmaakt van de rechterlijke macht. De gedachte dat ‘het uniform’ burgergericht is en de criminaliteit bestrijdt, en dat ‘de toga’ staat voor recht en rechtsbescherming (vgl. Kuijs, Kwanten & Tops, 2009), lijkt op voorhand te eenvoudig. Daarmee zou immers voorbij kunnen worden gegaan aan fundamentele aan het strafrecht onderliggende spanningen, waarmee zowel politie, OM als rechtspraak te maken kunnen krijgen. Dit onderzoek beoogt hierop beter zicht te krijgen door inzichtelijk te maken hoe binnen deze belangrijkste strafrechtelijke instituties wordt gedacht over het functioneren van het strafrecht.
Voordat in hoofdstuk 2 de gebruikte begrippen uitgebreid worden besproken en in hoofdstuk 3 vraagstelling en onderzoeksopzet worden gepresenteerd, wordt in dit hoofdstuk allereerst een beschrijving gegeven van de hedendaagse context van de strafrechtspleging, om de aanleiding voor dit onderzoek te verhelderen. Er is veel politieke en maatschappelijke discussie en ‘onrust’ rond het strafrecht.
Teneinde het huidige maatschappelijke klimaat voor de strafrechtspleging te schetsen, wordt om te beginnen de toegenomen aandacht voor onveiligheid als sociaal probleem toegelicht en wordt aangegeven op welke wijze het thema onveiligheid en het strafrecht onderdeel zijn geworden van ‘nieuwe discoursen’ (§1.1). Vervolgens worden de belangrijkste hierbij aansluitende ontwikkelingen in het Nederlandse criminaliteitsbeleid en de strafwetgeving besproken (§1.2). In §1.3 wordt verder ingegaan op de maatschappelijke context van het hedendaagse strafrecht. Hierin worden de patronen besproken die Nederlandse strafrechtsjuristen en criminologen zien in de ontwikkeling van beleid en wetgeving. Ook de problemen van de strafrechtspleging en met name de reeds genoemde onrust daaromheen vormen aanleiding om opvattingen over het functioneren van het strafrecht te onderzoeken, hierover gaat §1.4. In §1.5 wordt de aandacht gericht op de onderzochte strafrechtelijke instituties. Hun onderscheiden taken en bevoegdheden2 worden beschreven, evenals de opleiding van de functionarissen die daarbinnen werken. Zo worden de achtergronden van de onderzochte groepen vanuit diverse invalshoeken belicht. Dit hoofdstuk sluit af met een meer uitgebreide beschrijving van de aanleiding voor dit onderzoek (§1.6) en een leeswijzer voor de rest van dit boek (§1.7).
1.1 Nieuwe discoursen voor onveiligheid en strafrecht1.2 Enkele ontwikkelingen in criminaliteitsbeleid en strafwetgeving1.3 Kritiek van strafrechtsgeleerden en criminologen1.4 Onrust rond het strafrecht1.5 Drie formele strafrechtelijke instituties1.6 Aanleiding voor dit onderzoek1.7 Leeswijzer