Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/8.4.1
8.4.1 Rechtsinbreukmakende besluiten
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284605:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Het overheidslichaam zal in de regel ook een bestuursrechtelijke norm schenden (anders zou de inbreuk gerechtvaardigd zijn). In het kader van die onrechtmatigheidsgrond is de strekking van de geschonden norm natuurlijk wel relevant. Die norm zal echter veelal niet strekken tot bescherming van de gelaedeerde tegen diens schade, zodat men weer terugvalt op het beschermingsbereik van het geschonden recht. Dat geldt bijvoorbeeld voor rechtsinbreukmakende besluiten die ook strijden met processuele normen. Die normen beschermen niet tegen schade (zie §8.4.2.1.1 en §8.4.2.3).
Zie bijv. CBb 3 augustus 2001, ECLI:NL:CBB:2001:AB5295 (X/Staatssecretaris LNV).
651. We zagen in hoofdstuk 7 dat de relativiteitsvraag bij rechtsinbreuk in twee delen uiteen valt. Als uitgangspunt is de persoonlijke relativiteit beperkt tot de rechthebbende van het subjectieve recht. De aard, inhoud en het doel van het geschonden recht bepalen vervolgens de zakelijke en intredingsrelativiteit (§7.2.4.1).
652. De rechtspraak heeft zich niet expliciet uitgelaten over het beschermingsbereik van het eigendomsrecht of andere rechten of over de wijze waarop dat bereik vastgesteld moet worden. Dat geldt dus teminder voor de besluitenaansprakelijkheidsrechtspraak. De literatuur heeft zich evenmin uitvoerig op het terrein van dat beschermingsbereik begeven. De relevante bronnen besprak ik in §7.2.4.1. Het is op dit terrein dus enigszins pionieren. Volgens mij kan over het beschermingsbereik van die rechten binnen de context van het besluitenaansprakelijkheidsrecht wel het een en ander gezegd worden. Ik licht dat toe.
653. De onrechtmatigheid schuilt in de rechtsinbreuk. Daarom bepalen in het kader van stap 1 en 2 de aard, de inhoud en het doel van het geschonden recht of de schade duidelijk binnen of buiten het beschermingsbereik daarvan valt. Aan het type besluit of de bij het nemen van het besluit geschonden bestuursrechtelijke regel komt in dat verband dus geen betekenis toe.1 Het zou dus voor de beantwoording van de vraag welke schade voor vergoeding in aanmerking komt niet moeten uitmaken of de rechtsinbreuk schuilt in bijvoorbeeld een onteigeningsbesluit, een bouwverbod, een gedwongen herverkaveling op grond van de Wet Inrichting Landelijk gebied (Wilg), een vervoersverbod voor dieren op grond van art. 30 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwd) of een op art. 17Gwd gebaseerd fokverbod.2 Het gaat in deze gevallen immers steeds om een inbreuk op het eigendomsrecht, het huurrecht, het erfpachtrecht etc.
654. Sommige rechten kennen een eigen uitwerking in de wet of een verdrag (met name art. 1 EP EVRM). Die uitwerking – en de bijbehorende rechtspraak en wetsgeschiedenis – zal soms al meer richting geven bij het vinden van het beschermingsbereik. Dat kwam in §7.2.4.1 al aan de orde. Daarnaast biedt volgens mij de Onteigeningswet (Ow), waarin voor rechtsinbreukmakende onteigeningsbesluiten – indien geldig – een schadevergoedingsregeling is uitgewerkt, aanknopingspunten, een blauwdruk, voor de zoektocht naar het beschermingsbereik van die rechten. Die schadevergoedingsregeling vindt haar grondslag namelijk weer in de rechtsinbreuk. Ik zal hierna deze blauwdrukhypothese verder toetsen aan de hand van het onteigeningsbesluit, het bouwverbod en gedoogplichten uit de Belemmeringenwet Privaatrecht en de Waterwet.
8.4.1.1 Het onteigeningsbesluit8.4.1.2 Het bouwverbod8.4.1.3 Gedoogplichten8.4.1.4 Conclusie