Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context
Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.3.4.2:4.3.4.2 Herziening van het dispositievereiste in BNB 2022/10
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.3.4.2
4.3.4.2 Herziening van het dispositievereiste in BNB 2022/10
Documentgegevens:
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661250:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rechtbank Den Haag 18 juli 2019, nr. SGR 19/1188 (geciteerd in de conclusie van A-G Niessen onder punt 2.10), r.o. 10.
Hof Den Haag 4 augustus 2020, nr. BK-19/00528, V-N 2020/57.1.7, r.o. 5.10-5.18.
Conclusie A-G Niessen bij HR 5 november 2021, nr. 20/03173, BNB 2022/10, punt 6.
Zie BNB 2022/10, r.o. 4.2.2.
HR 5 november 2021, nr. 20/03173, BNB 2022/10, r.o. 4.2.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In BNB 2022/10 heeft de Hoge Raad de invulling van het dispositievereiste herzien. Aanleiding voor deze aanpassing betreft een zaak waarin een burger zich bij de afkoop van een lijfrenteverzekering had laten leiden door informatie van de Belastingdienst en vervolgens onverwachts met revisierente werd geconfronteerd. Uitgaande van de uitleg van het dispositievereiste in BNB 1979/311, zou belanghebbende niet aan het vereiste voldoen. De Hoge Raad vond in deze zaak aanleiding voor een koersaanpassing.
Toelichting casus BNB 2022/10
De belanghebbende had eind jaren tachtig een lijfrenteverzekering afgesloten en overwoog die voortijdig af te kopen. Uit de informatie op de website van de Belastingdienst leidde belanghebbende af dat bij afkoop geen revisierente is verschuldigd. Vervolgens koopt hij, afgaande op die informatie, zijn lijfrenteverzekering in 2015 af. Tegen zijn verwachting in brengt de Inspecteur ter zake van de afkoop revisierente in rekening (€ 37.465). De belanghebbende beroept zich op het vertrouwensbeginsel. Bezien vanuit de hoofdregel van BNB 1979/311 is de vraag of belanghebbende aan het niet-kenbaarheidsvereiste en het dispositievereiste voldoet. Dat laatste vormt hier het knelpunt en daarbij specifiek het derde element van schade. Rechtbank Den Haag,1 Hof Den Haag2 en A-G Niessen3 zijn eensgezind: volgens hen vormt revisierente ‘daarenboven geleden schade’, zodat aan beide criteria was voldaan en belanghebbende zich met succes beriep op het vertrouwensbeginsel. Volgens de Hoge Raad is revisierente niet aan te merken als ‘daarenboven geleden schade’, waardoor het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel niet zou slagen.4
De Hoge Raad grijpt de zaak in BNB 2022/10 aan om de invulling van het dispositievereiste bij te stellen. Nadat de Hoge Raad heeft overwogen dat revisierente niet is aan te merken als daarenboven geleden schade, herijkt de Hoge Raad het dispositievereiste:
‘De Hoge Raad ziet evenwel aanleiding zijn rechtspraak op dit punt te herzien. Met huidige rechtsopvattingen is niet te verenigen dat een beroep op door uitlatingen van de Belastingdienst gewekt vertrouwen moet worden afgewezen op de enkele grond dat het ondervonden nadeel is gelegen in hetgeen bij een juiste wetstoepassing zou moeten worden geheven. De in het arrest van 26 september 1979 vervatte beperking van het begrip schade tot ‘daarenboven geleden schade’ kan daarom niet worden gehandhaafd. In gevallen waarin de belastingplichtige, afgaande op – achteraf bezien onjuiste – informatie, een handeling heeft verricht of nagelaten ten gevolge waarvan een hoger bedrag van hem wordt geheven dan hij op basis van die informatie meende als gevolg van die handeling of dat nalaten te moeten betalen, zal doeltreffende rechtsbescherming tegen inbreuken op het vertrouwensbeginsel in de regel het oordeel rechtvaardigen dat het meerdere niet van de belastingplichtige mag worden geheven.’5
Met dit oordeel is de beperkte opvatting van het dispositievereiste – preciezer: het derde element van het vereiste – van schade tot ‘daarenboven geleden schade’ losgelaten, en geldt vanaf nu een ruimere invulling, waardoor in zoverre eerder aan het vereiste kan worden voldaan. Wat voor het schade-element vanaf nu in de plaats wordt gesteld, bespreek ik hieronder.