Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.6.1
8.6.1 Bevoegdheden jegens derden
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS400819:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Vriesendorp 1985a, p. 61.
Zie daarover kritisch met name A.W.F. Middelberg, ‘Bezit en bezitsbescherming in de Nederlandse Wetboeken en Ontwerp-Wetboeken’, WPNR 1956 (4435), p. 97-99, H.C.F. Schoordijk, ‘Enige opmerkingen over de bescherming van bezitters en houders in de zienswijze van Van Oven, naar het oud-nederlads recht van voor en na Hugo de Groot, naar Engels recht en naar Nieuw BW’, in: J.M. van DunnÉ e.a., Na oorlog en vrede, Arnhem: Gouda Quint 1984, p. 79-95 (waarover M.v.A. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1270-1271 en de reactie van Schoordijk 1986, p. 400-403) en Van Schaick 2014, nr. 61.
Zo ook N.E.D. Faber & S.C.J.J. Kortmann in punt 8 van hun noot onder HR 3 juni 2016, JOR 2016, 287 (Rabobank/Reuser) en Schuijling 2017, p. 20. Anders: Rongen 2017, p. 223. Onduidelijk: Scheltema 2017, p. 100 volgens wie de koper niet de volle eigendom kan revindiceren, maar eventueel wel het voorwaardelijk eigendomsrecht.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 5 BW, p. 71, alwaar wordt opgemerkt dat art. 5:2 BW in zekere zin overbodig is, omdat de rechtsvordering reeds voortvloeit uit art. 3:296 BW. Vgl. J.E. Jansen, ‘Goederenrechtelijke rechtsvorderingen tot afgifte’, RMThemis 2014, p. 275.
Zie over de voorwerking als verklaring van het voorwaardelijk eigendomsrecht en de daaruit voortvloeiende bevoegdheden hiervoor in paragraaf 8.2.5 en 8.4.2.
Vgl. Klang/Kodek 2011, § 309 ABGB, Rn. 22 die opmerkt dat in dergelijke gevallen sprake is van ‘doppelter Besitz’.
Wolff & Raiser 1957, p. 12, voetnoot 17 en Brox 1984, p. 660. Zie echter ook Raiser 1961, p. 75-76.
Vgl. Forkel 1962, p. 210-211 en Lux 2004, p. 152. Bij de samenloop van de rechtsvorderingen van de eigenaar en de beperkt gerechtigde heeft de wetgever het problematisch geacht dat de derde op dezelfde rechtsgrond door twee verschillende personen kan worden aangesproken, waardoor hij heeft bepaald dat de een de ander tijdig in het geding moet roepen. Zie bijv. t.a.v. art. 3:245 BW M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 770. Dat is evenmin een bezwaar tegen de hier bepleite benadering, nu het probleem zich laat voorkomen door een regel met een dergelijke strekking ook te aanvaarden in dit geval. Zie t.a.v. het vergelijkbare probleem van houderschapsbescherming Van Schaick 2014, nr. 61 onder verwijzing naar HR 24 januari 1992, NJ 1992, 280 (Van Aken/Heideman). Zie ook Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 576 onder verwijzing naar § 348 ABGB.
Zie met verdere verwijzingen Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 572 e.v. en Klang/Kodek 2011, § 372 ABGB, Rn. 13. Zie ook voor Duitsland MünchKomm-BGB/Baldus 2017, § 1007 BGB, Rn. 11 over de toepasselijkheid van § 1007 BGB op de koper onder eigendomsvoorbehoud, die opmerkt dat wanneer men aanneemt dat de koper kan ageren op grond van § 985 BGB aan toepassing van § 1007 BGB geen behoefte is en omgekeerd.
Zie de verwijzingen in voetnoot 306.
Anders: Vriesendorp 1985a, p. 33-45, die op p. 61-62 dan ook tot rechtstreekse toepasselijkheid van art. 3:125 BW kan concluderen.
Zie daarover hierna in paragraaf 8.9.2.
Kennelijk anders Rongen 2017, p. 223.
Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 574-575. Zie ook Rummel/Aicher 2000, § 1063 ABGB, Rn. 70, Klang/Kodek 2011, § 372 ABGB, Rn. 13 en Schwimann & Kodek/Spitzer 2014, § 1063 ABGB, Rn. 35. Voor Duitsland wordt een analoge toepassing van § 1007 BGB op vergelijkbare gronden bepleit door MünchKomm-BGB/Baldus 2017, § 1007 BGB, Rn. 11.
Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 574-575.
Indien een derde een inbreuk maakt op de verkochte zaak, bijvoorbeeld door deze de koper te ontvreemden, kan de verkoper op grond van zijn eigendomsrecht afgifte vorderen van de dief. Aan de eigenaar komt immers de bevoegdheid toe de zaak van een ieder op te vorderen die haar zonder recht houdt (art. 5:2 BW). Wanneer de verkoper de zaak vervolgens weer onder zich krijgt, zal hij verplicht zijn de koper weer de feitelijke macht over de zaak te verschaffen, nu uit de koopovereenkomst voortvloeit dat de koper gerechtigd is tot het gebruik van de zaak.
Het is de vraag of deze bevoegdheid uitsluitend aan het actieve, werkende eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde is verbonden, of dat ook de koper op grond van zijn eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde zelfstandig jegens de derden kan ageren door de zaak van hem op te vorderen. Komt ook aan de koper, al dan niet bij wijze van analogie, de revindicatievordering van artikel 5:2 BW toe? Voor de koper is de mogelijkheid om de zaak van derden op te vorderen met name van belang in het geval dat de verkoper niet overgaat tot opvordering van de zaak, waartoe voor hem (vooralsnog) minder aanleiding bestaat, omdat de koper gehouden blijft de koopprijs te voldoen.1
Het toekennen van een opeisingsbevoegdheid aan de koper lijkt op gespannen voet te staan met de exclusiviteit van het eigendomsrecht, omdat zij leidt tot een verdubbeling van de aan het eigendomsrecht verbonden bevoegdheden, althans in ieder geval een verdubbeling van de revindicatiebevoegdheid. Door een aantal Duitse auteurs wordt om die reden aangenomen dat aan de koper niet de bevoegdheid toekomt om de zaak van derden op te vorderen (§ 985 BGB). Zo merkt Westermann op dat de opeisingsbevoegdheid ‘durch die bedingte Verfügung nicht verdoppelt werden kann.’2 Een meerderheid in de Duitse literatuur aanvaardt daarentegen dat ook de koper de bevoegdheid heeft om de zaak van een derde op te eisen.3 De schrijvers die een zodanige bevoegdheid niet aannemen, gaan er veelal van uit dat de verkoper de koper in ieder geval kan machtigen om de zaak van derden op te vorderen, waarbij bovendien vaak wordt opgemerkt dat een zodanige machtiging als stilzwijgend overeengekomen besloten ligt in de koopovereenkomst op grond waarvan de koper de zaak voor de verkoper houdt.4 Voor het Duitse recht is deze kwestie echter minder van belang, nu het Duitse recht iedere houder als Besitzer aanmerkt. Als Besitzer kan de koper onder eigendomsvoorbehoud alle op de politionele functie van het Besitz gebaseerde rechtsvorderingen instellen, zoals de aanspraak op Wiedereinräumung van het Besitz jegens degene die door ‘verbotene Eigenmacht’ de koper de feitelijke macht over de zaak heeft ontnomen (§ 861 BGB). Daarnaast verleent § 1007 BGB aan de voormalige Besitzer ook een quasi-goederenrechtelijke opvorderingsbevoegdheid, die enigszins doet denken aan de op de goederenrechtelijke functie van het bezit gebaseerde rechtsvordering.5 Relevantie heeft de aanspraak van § 985 BGB dan slechts voor gevallen waarin deze bezitsbescherming niet kan slagen.
Het Nederlandse recht kent daarentegen geen rechtsvorderingen ter bescherming van houderschap,6 waardoor het van praktisch belang is of de koper een goederenrechtelijke opeisingsbevoegdheid heeft. Dat is naar mijn mening het geval.7 Daarvoor is beslissend dat het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde, zoals hiervoor is onderbouwd, een goederenrechtelijk recht is, dat de koper aan derden kan tegenwerpen. Inherent aan het goederenrechtelijk karakter van dit recht is dat derden zich moeten onthouden van inbreuken en dat de rechthebbende tegen inbreuken kan optreden.8 Deze bevoegdheid om de zaak van derden op te vorderen kan rechtstreeks worden gebaseerd op artikel 3:296 BW, dat de grondslag vormt voor alle goederenrechtelijke opeisingsbevoegdheden.9 De opvorderingsbevoegdheid van de koper laat zich daarnaast verklaren als uitvloeisel van de voorwerkingen van de voorwaardelijke beschikking, waaruit voortvloeit dat aan de koper de bevoegdheden toekomen die noodzakelijk zijn tot behoud en verkrijging van diens rechtspositie.10
De in de Duitse literatuur wel genoemde bezwaren die pleiten tegen toekenning van een opvorderingsbevoegdheid aan de koper, acht ik daarbij niet doorslaggevend. Dat hierdoor sprake is van een vermenigvuldiging van de revindicatie bevoegdheid, is juist, maar niet bezwaarlijk. De vermenigvuldiging van de opvorderingsbevoegdheid is geenszins een bijzonderheid van de overdracht onder voorwaarde. Ook de vestiging van een beperkt recht leidt immers in zekere zin tot een verdubbeling van de aan de aan het eigendomsrecht verbonden revindicatiebevoegdheid, nu na vestiging van het beperkte recht zowel aan de eigenaar als aan de beperkt gerechtigde een goederenrechtelijke opeisingsbevoegdheid toekomt.11 Evenmin overtuigend acht ik het in de Duitse literatuur genoemde bezwaar dat hierdoor sprake zou zijn van twee ‘konkurrierende Eigentumsansprüche wegen der gleichen Sache’,12 nu de beide opeisingsbevoegdheden per saldo niet met elkaar conflicteren, nu ook de verkoper uiteindelijk verplicht is de zaak weer aan de koper af te staan.13
In het Oostenrijkse recht wordt geen aandacht besteed aan de vraag of de koper een revindicatiebevoegdheid heeft, maar concentreert de discussie zich rond de vraag of aan de koper de publizianische Klage van § 372 ABGB toekomt.14 Op grond van die bepaling wordt de voormalig bezitter die ‘den gültigen Titel und die echte Art, wodurch er zu ihrem Besitze gelangt ist’, bewijst ten opzichte van de huidige bezitter van de zaak ‘der keinen, oder nur einen schwächern Titel seines Besitzes anzugeben vermag’ als de ‘wahren Eigenthümer’ beschouwd, als gevolg waarvan de bezitter met het betere recht de zaak kan opvorderen van de bezitter met het mindere recht. Hiermee heeft het Oostenrijkse recht de actio Publiciana gecodificeerd, die ertoe strekt de bezitter die bezig is door verjaring eigenaar te worden te beschermen tegen bezitsverlies door derden met een minder recht door hem jegens die derden te beschouwen als eigenaar.15 Deze op de goederenrechtelijke functie van het bezit gebaseerde vordering kent het Nederlandse recht in artikel 3:125 BW, dat aan degene die het bezit van een goed heeft verkregen de bevoegdheid verleent om jegens derden dezelfde rechtsvorderingen in te stellen als de rechthebbende, tenzij de derde een beter recht heeft tot het houden van het goed. Voor het Nederlandse recht laat zich op vergelijkbare wijze de vraag stellen of de koper de bevoegdheden van artikel 3:125 BW toekomen, hetgeen met name van belang is indien men zou aannemen dat de koper geen opvorderingsbevoegdheid kan ontlenen aan artikel 3:296 BW of het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde, waarop de bevoegdheid van artikel 3:296 BW kan worden gebaseerd, niet rechtsgeldig tot stand is gekomen.
Artikel 3:125 BW is, net als de overige bezitsbepalingen van het BW, niet beperkt tot het bezit van zaken, maar heeft ook betrekking op bezit van goederen. Hoewel de koper weliswaar geen bezitter van de zaak is,16 is hij wel bezitter van zijn voorwaardelijk eigendomsrecht.17 Als bezitter van zijn voorwaardelijk eigendomsrecht kan hij dus zonder meer de rechtsvorderingen van artikel 3:125 BW instellen tegen derden.18 Daarvoor pleit bovendien dat de figuur van rechtsbezit juist tot ontwikkeling is gekomen om aan goederenrechtelijk gerechtigden die weliswaar feitelijke macht over een zaak uitoefenen, maar haar niet bezitten, op vergelijkbare wijze bezitsbescherming te verlenen als aan de bezitter van een zaak.19 In de Oostenrijkse literatuur is door Bydlinski bovendien op overtuigende gronden uiteen gezet dat ook een inhoudelijke vergelijking van de positie van de koper onder eigendomsvoorbehoud en de bezitter noopt tot een overeenkomstige toepassing van de publizianische Klage van § 372 ABGB, die slechts betrekking heeft op het bezit van zaken, op de koper onder eigendomsvoorbehoud.20 Beschouwt men namelijk § 372 ABGB en artikel 3:125 BW als bepalingen die onder meer bescherming bieden aan het ‘wordende eigendom’,21 dat wil zeggen: de bescherming van degene die op weg is (door verjaring) het goed te verkrijgen ten opzichte van degene die een minder sterk recht hebben, dan ligt analoge toepassing op de koper onder eigendomsvoorbehoud sterk voor de hand. Deze is immers zonder twijfel ook op weg de (onvoorwaardelijke) eigendom van de zaak te verkrijgen. Waar de verjaringsbezitter wordt beschermd omdat zijn rechtsverkrijging enkel nog afhangt van het verstrijken van een bepaalde tijd, ligt het voor de hand de koper onder eigendomsvoorbehoud dienovereenkomstig te behandelen, nu zijn rechtsverkrijging enkel nog afhankelijk is van de betaling van de koopprijs. Terecht merkt Bydlinski op dat de vergelijking van hun beider posities zelfs a fortiori voor de bescherming van de koper pleit: als de wet het verkrijgingsvooruitzicht van de verjaringsbezitter beschermt, moet dat des te meer gelden voor de koper.22 Terwijl de verwachting van de verjaringsbezitter minder sterk is, nu diens rechtsverkrijging op ieder moment gefrustreerd kan worden door opvordering van de zaak door de echte eigenaar, is de positie van de koper sterker, nu zijn rechtsverkrijging op geen enkele wijze kan worden verhinderd en enkel afhankelijk is van de betaling van de koopprijs, hetgeen hij zelf in de hand heeft. Om deze redenen moet worden aangenomen dat aan de koper niet alleen de opvorderingsbevoegdheid van artikel 3:296 BW toekomt, maar ook de op het bezit van zijn voorwaardelijk eigendomsrecht gebaseerde vorderingen van artikel 3:125 BW.