Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/4.8.3.3
4.8.3.3 Verschaffing van voorwaardelijk bezit
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS396132:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Schoordijk 1971, p. 459 en Mezas 1985, p. 5. Vgl. ook Asser/Beekhuis 3-I 1980, p. 286. Later (Schoordijk 1986, p. 361) gaat Schoordijk ervan uit dat de koper eerst houder is en vervolgens bezitter en lijkt daarmee zijn eerdere standpunt te verlaten, omdat uit diens opmerkingen lijkt voort te vloeien dat hij uitgaat van bezitsverschaffing onder opschortende voorwaarde. Weer later (H.C.F. Schoordijk, ‘Recensie. Over de scheidslijn tussen goederen- en verbintenissenrecht’, NJB 1992, p. 1206) lijkt hij echter toch weer aan te knopen bij zijn eerdere standpunt. Voor het Duitse recht heeft Letzgus 1938, p. 22 verdedigd dat de koper niet alleen houder is, maar ook bezitter onder opschortende voorwaarde. Daartegen o.m. Blomeyer 1939, p. 240 met het argument ‘daû es nur einen Eigenbesitzer gebe’ en Raiser 1961, p. 72 op grond van het feit dat het feitelijke karakter van bezit aan voorwaardelijkheid in de weg staat.
Zie Th.B. ten Kate, ‘Bezit, rechtsinstrument in het nieuwe B.W. (boek 3), in: J.F. Glastra van Loon, R.A.V. van Haersolte & J.M. Polak, Speculum Langemeijer, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1973, p. 271, voetnoot 22, Vriesendorp 1985a, p. 41, Nieskens-Isphording 1988, p. 298, Kortmann 1992, p. 206, Scheltema 2003, p. 239 voetnoot 49 en p. 324, Zwalve 2006, p. 10 en Verstijlen 2007, p. 827. Zie ook M.v.A. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1237. Ook de meerderheid in de Duitse literatuur benadert bezit als iets feitelijks, veelal echter niet toegespitst op bezit in de zin van ons BW (Eigenbesitz), maar op feitelijke macht (Besitz) in het algemeen. Zie Wieling 2006, p. 135-136, Westermann/Westermann, Gursky & Eickmann 2011, p. 85-87 en MünchKomm-BGB/Joost 2017, Vorbemerkungen zu § 854 ff, Rn. 10 met verdere verwijzingen. Niettemin wordt ook de wil om de zaak ‘als ihm gehörend zu besitzen’ (zie § 872 BGB; Eigenbesitz) beschouwd als een ‘natürlicher Wille’ (zie bijv. MünchKomm-BGB/Joost 2017, § 872 BGB, Rn. 4) waarmee ook het Eigenbesitz rechtskarakter wordt ontzegd. Bij dit alles moet worden bedacht dat bij het Duitse bezitsbegrip de nadruk ligt op de Besitzschutz d.w.z. de bescherming tegen eigenrichting. Vgl.T.M., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 424. Ook in het Oostenrijkse recht wordt bezit tegenwoordig als feit begrepen. Zie Klang/Kodek 2011, § 309 ABGB, Rn. 9 e.v., Koziol & Welser/Kleteoka 2014, p. 283 en Iro 2016, p. 19 en p. 28. Vgl. ook G. Iro, Besitzerwerb durch Gehilfen, Wien: Verlag Österreich 1982, p. 25 e.v.
Vgl. A. Pitlo, Korte uitleg van enige burgerlijk rechtelijke hoofdstukken, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1952, p. 44.
Vgl. Schoordijk 1986, p. 361, Kodek 2002, p. 553, Fesevur 2005, p. 80 en Stolz 2015, p. 863-864.
Zie hiervoor in paragraaf 4.8.3.2.
Zie hoofdstuk 8, paragraaf 8.11.
Vgl. Larenz 1986, p. 113.
Stolz 2015, p. 875-879.
Stolz 2015, p. 876-877.
Zie over de onmogelijkheid van geïsoleerde bezits- of rechtsoverdracht hierna in hoofdstuk 8, paragraaf 8.11.
M.v.A. II Inv., Parl. Gesch. Boek 6 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1216. Vgl. Scheltema 2003, p. 357-358 en Van Schaick 2014, nr. 10. Zie ook M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 152.
Zie hoofdstuk 8, paragraaf 8.11.
Soortgelijke bezwaren gelden voor de opvatting van Schoordijk en Mezas, die aannemen dat artikel 3:91 BW overbodig is, omdat de koper (terstond) bezitter onder opschortende voorwaarde wordt.1 Problematisch daaraan is in de eerste plaats dat men daarvoor dient te aanvaarden dat bezit een voorwaardelijk karakter kan hebben, hetgeen zich moeilijk laat rijmen met het overwegend feitelijke karakter van bezit.2 Bezit is het houden van een goed voor zichzelf (art. 3:107 lid 1 BW). Het valt niet goed in te zien hoe iemand een goed voorwaardelijk voor zichzelf kan houden. Men houdt een goed ofwel voor zichzelf, ofwel voor een ander.3 Een voorwaardelijke variant daarvan bestaat niet.
Weliswaar is denkbaar dat aan verklaringen of rechtshandelingen die van invloed zijn op het bezit of de bezitswil, een voorwaarde wordt verbonden, maar dat heeft niet tot gevolg dat het bezit als zodanig een voorwaardelijk karakter krijgt.4 Deze voorwaarden kunnen hoogstens bewerkstelligen dat het bezit op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat overgaat op een ander. Zo is denkbaar dat partijen aan een constitutum possessorium een opschortende voorwaarde verbinden, maar deze opschortende voorwaarde heeft dan tot gevolg dat de werking van het constitutum possessorium – en daarmee de bezitsverkrijging – is uitgesteld totdat de voorwaarde in vervulling gaat.5 Het bezit zelf wordt daardoor niet voorwaardelijk. Ook zou men de rechtsverhouding op grond waarvan de koper in geval van een eigendomsvoorbehoud de zaak voor de verkoper houdt, kunnen typeren als een rechtsverhouding onder ontbindende voorwaarde.6 Men dient dan echter wel te beseffen dat de koper tot het wegvallen van die rechtsverhouding door de vervulling van de voorwaarde de zaak dus houdt voor de verkoper, zodat hij als houder heeft te gelden. Wanneer men spreekt over ‘voorwaardelijk bezit’ kan daarmee dan ook niet meer zijn bedoeld dan dat diegene in de toekomst (mogelijk) bezitter kan worden, namelijk zodra de voorwaarde in vervulling gaat.7 Aangezien diegene tot het moment nog geen bezitter is, is tot dat moment ook niet voldaan aan de eis van bezitsverschaffing van artikel 3:90 lid 1 BW.
Meer recent is Stolz daarentegen – zij het behoorlijk tentatief – tot de conclusie gekomen dat voorwaardelijk bezit mogelijk is, althans dat deze mogelijkheid niet kan worden uitgesloten.8 Het beslissende argument is voor hem namelijk dat, als men eenmaal aanvaardt dat bezit een recht is en dit recht bovendien goederenrechtelijk van aard is, bezit wel voorwaardelijk moet kunnen zijn, omdat partijen anders de mogelijkheid zouden hebben om bezit en eigendom te scheiden, hetgeen hij voor onmogelijk houdt.9 De argumentatie berust daarmee op een petitio principii omdat de conclusie dat het bezit wel voorwaardelijk moet zijn, gebaseerd wordt op de omstandigheid dat bezit en eigendom niet kunnen worden gescheiden, terwijl de eventuele onvoorwaardelijkheid van het bezit juist tot de slotsom zou kunnen leiden dat bezit en eigendom wel degelijk uiteen kunnen vallen.
Maar ook afgezien daarvan overtuigt zijn argumentatie niet. De redenering houdt in dat bezit wel voorwaardelijk moet zijn, omdat het intreden van de voorwaarde anders zou kunnen bewerkstelligen dat de eigendom van de zaak overgaat op een ander, terwijl dat niet zou gelden voor het bezit, omdat dit bezit niet voorwaardelijk is. Aldus zou de een bezitter blijven, terwijl de ander eigenaar is geworden. Die mogelijkheid bestaat inderdaad, maar staat niet op gespannen voet met de leer van de onmogelijkheid van geïsoleerde bezits- of rechtsoverdracht en leidt evenmin tot de slotsom dat het bezit dus wel voorwaardelijk moet zijn.10 Dat kan worden geïllustreerd aan de hand van de overdracht onder ontbindende voorwaarde. Gedurende de periode van onzekerheid is de verkrijger onder ontbindende voorwaarde bezitter van de zaak. Zodra de voorwaarde in vervulling gaat, vervalt het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde van de verkrijger en verkrijgt het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde van de vervreemder werking, als gevolg waarvan het een onvoorwaardelijk eigendomsrecht wordt. In de regel zal de rechtsverhouding die ten grondslag ligt aan de overdracht met zich brengen dat de verkrijger vanaf het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat verplicht is de zaak voor de vervreemder te houden en zal de verkrijger dit ook gaan doen. Uit de overdracht onder ontbindende voorwaarde valt namelijk niet alleen af te leiden dat de verkrijger eigenaar en bezitter wordt van de zaak totdat de voorwaarde in vervulling gaat, maar eveneens dat de verkrijger instemt met het feit dat de vervreemder weer eigenaar wordt van de zaak zodra de voorwaarde in vervulling gaat. Gewoonlijk zal hij het eigendomsrecht van de vervreemder vanaf het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat derhalve respecteren, zodat hij vanaf dat moment als houder heeft te gelden. De vervreemder wordt door vervulling van de voorwaarde dan niet alleen weer (onvoorwaardelijk) eigenaar, maar eveneens bezitter, zodat eigendom en bezit niet zijn gescheiden.
Het is echter denkbaar dat de verkrijger niet op de hoogte is van het feit dat de voorwaarde in vervulling is gegaan of dit betwist. In dergelijke situaties zal de verkrijger zich nog beschouwen als eigenaar (onder ontbindende voorwaarde) en als bezitter manifesteren. In een zodanig geval blijft hij dan ook bezitter, hetgeen wordt bevestigd in de parlementaire geschiedenis.11 Er is dan sprake van een scheiding van bezit en eigendom, omdat de verkrijger bezitter van de zaak is, terwijl de vervreemder onvoorwaardelijk eigenaar is. Dat staat evenwel niet op gespannen voet met de onmogelijkheid van geïsoleerde bezits- of rechtsoverdracht. Afgezien van het feit dat de scheiding van eigendom en bezit hier geen gevolg is van een handeling van partijen, maar van het feit dat de voorwaarde in vervulling gaat Én – vooral – van de omstandigheid dat de verkrijger daarmee onbekend is of dit betwist, moet worden bedacht dat de reden voor de onmogelijkheid van geïsoleerde bezits- of rechtsoverdracht is gelegen in de omstandigheid dat een zodanige overdracht neerkomt op een innerlijk tegenstrijdige houding van de betrokken partijen.
Daarop zal nader in hoofdstuk 8 worden ingegaan.12 Hier kan worden volstaan met de constatering dat aan de onmogelijkheid van geïsoleerde bezits- of rechtsoverdracht ten grondslag ligt dat iemand zich niet enerzijds bewust kan ontdoen van zijn eigendomsrecht, maar zich anderzijds kan blijven beschouwen als bezitter, omdat bezit de pretentie van eigendom inhoudt. Voor de hiervoor beschreven situatie rond de vervulling van een voorwaarde geldt dat echter niet. Hier gedraagt de verkrijger zich niet innerlijk tegenstrijdig door zichzelf te beschouwen als bezitter, omdat hij niet op de hoogte is van het feit dat de eigendom is overgegaan. Het uiteenvallen van bezit en eigendom volgt dus niet uit een bewuste splitsing van bezit en eigendom, maar uit de omstandigheid dat degene die de zaak onder zich heeft onkundig is van het feit dat de eigendom intussen is overgegaan op de ander. En als de verkrijger betwist dat de voorwaarde in vervulling is gegaan, is evenmin sprake van een innerlijke tegenstrijdigheid, omdat de verkrijger dan ook zal betwisten dat de vervreemder weer eigenaar is geworden, zodat zijn gemoedstoestand ten aanzien van het bezit en de eigendom volledig parallel loopt.
Al met al kan deze situatie rond de vervulling van de voorwaarde niet het bestaan van de voorwaardelijkheid van het bezit bewijzen. Integendeel, uit de omstandigheid dat denkbaar is dat de verkrijger onder ontbindende voorwaarde na vervulling van de voorwaarde desondanks bezitter blijft, volgt juist dat het bezit geen voorwaardelijk karakter heeft. De mogelijkheid van verschaffing van voorwaardelijk bezit als wijze van levering in het kader van een overdracht onder opschortende voorwaarde moet derhalve worden verworpen.