Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/4.8.3.1
4.8.3.1 Feitelijke Overgave
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS399663:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Mezas 1985, p. 5. Zie voor het standpunt van de NVvR de Mededelingen van het hoofdbestuur in Trema 1984, p. 74. Mogelijk ook in die richting Bakels 1984, p. 482 die opmerkt dat de harde kern van de levering ex art. 3:90 lid 1 BW wordt gevormd door het verschaffen van een feitelijke machtspositie. Uiteindelijk lijkt hij echter uit te gaan van bezitsverschaffing onder opschortende voorwaarde. Zie i.h.b. p. 481, voetnoot 13.
Zo bijv. de NVvR die in Trema 1984, p. 74 opmerkt dat de ‘gegeven interpretatie ook los van het artikel al voor de hand ligt.’
Mezas 1985, p. 5.
M.v.A. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1238. Vermoedelijk ging ook Meijers uit van de gedachte dat de levering simpelweg door feitelijke overgave zou kunnen geschieden. Ook in het Ontwerp- Meijers, waarvan artikel 3:91 BW geen onderdeel uitmaakte, was een eigendomsvoorbehoud als overdracht onder opschortende voorwaarde namelijk mogelijk. Zie bijv. T.M., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 72-73, alwaar hij het mogelijk achtte dat ondanks de levering de eigendom werd voorbehouden. Ook als levering daar zou moeten worden begrepen als overdracht (zie hiervoor in voetnoot 47), zou dat in ieder geval veronderstellen dat de daarvoor benodigde leveringshandeling al heeft plaatsgevonden in zijn benadering. Daarvoor pleit ook dat Meijers ook onder het oude recht reeds verdedigde dat feitelijke overgave de eigenlijke leveringshandeling was. Zie Meijers 1908, p. 154 en hiervoor in voetnoot 108. Vgl. ook Reehuis 2010, nr. 102 die opmerkt dat ook zonder art. 3:91 BW een eigendomsvoorbehoud mogelijk zou zijn geweest, hetgeen wordt bevestigd in de M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 388. Zie voorts J.H.A. Lokin, ‘Bezitsverschaffing en bezitsoverdracht’, in: T. Hartlief e.a. (red.), CJHB, Deventer: Kluwer 1994, p. 245- 257, i.h.b. p. 247 die opmerkt dat eigenlijk elke levering machtsverschaffing is.
Klang/Klang 1950, § 426 ABGB, p. 316-317, Rummel/Spielbüchler 2000, § 425 ABGB, Rn. 2, Schwimann & Kodek/Klicka & Reidinger 2012, § 425 ABGB, Rn. 1 en Rummel & Lukas/Holzner 2016, § 425 ABGB, Rn. 2.
Zie Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 454, Rummel/Spielbüchler 2000, 357-360 ABGB, Rn. 5, Rummel/Aicher 2000, § 1063 ABGB, Rn. 24-25, Klang/Leupold 2011, § 358 ABGB, Rn. 44 en Schwimann & Kodek/Spitzer 2014, § 1063, ABGB. Rn. 18.Zie pregnant K. Spielbüchler, ‘Das Prinzip der kausalen Tradition’, in: C. Fischer-Czermak e.a. (red.), Festschrift 200 Jahre ABGB, Wien: Manzsche Verlags- und Universitätsbuchhandlung 2011, p. 1447-1448, die opmerkt dat het eigendomsvoorbehoud ‘nicht als Vorbehalt der Übergabe zu verstehen [ist], sondern als eine Bedingung, deren Eintritt die Übereignungswirkung erst nach geschenener Übergabe auslöst.’
Zie Klang/Leupold 2011, § 358 ABGB, Rn. 48 die opmerkt dat de heersende leer ‘folglich keinen Modus im Zeitpunkt der Zahlung der letzten Kaufpreisrate [konstruiert], der notwendig in einer Übergabe kurzer Hand bestünde, sondern (…) die vorherige Setzung des Modus in Form der körperlichen Übergabe ausreichen [lässt].’
Wieling 2006, p. 297-298. Kritisch: W. Wiegand, ‘Die Entwicklung der Übereignungstatbestände einschlieûlich der Sicherungsübereignung’, in: C.-W. Canaris & A. Heldrich (red.), 50 Jahre Bundesgerichtshof. Festgabe aus der Wissenschaft. Band 1. Bürgerliches Recht, München: C.H. Beck 2000, p. 765 die opmerkt dat er dan wel sprake is van een Übergabe, maar dat de Einigung ontbreekt waaruit duidelijk wordt dat hij de Übergabe feitelijk interpreteert. Zo ook Lieder 2015, p. 393 die opmerkt dat de Übergabe niet enkel ter bewerkstelliging van een overdracht geschiedt, maar ook in het kader van een huurovereenkomst.
Zie Blomeyer 1939, p. 237: ‘Die Wirksamkeit der bedingten Übereignung setzt die Übergabe der Sache an den Käufer voraus.’
Enkel Ernst 1992, p. 76 merkt op dat bij het eigendomsvoorbehoud sprake zou zijn van een traditio brevi manu onder opschortende voorwaarde, zonder de consequenties hiervan nader te problematiseren. Door MünchKomm-BGB/Oechsler 2017, § 929 BGB, Rn. 19 lijkt bij een eigendomsvoorbehoud te worden uitgegaan van een levering sui generis, namelijk een soort omgekeerd constitutum possessorium. Vgl. ook Wilhelm 2010, p. 363.
Dit valt bijvoorbeeld af te leiden uit het veelgenoemde rechtsgevolg dat de overdracht onder opschortende voorwaarde met de totstandkoming van de Einigung en de Übergabe ‘tatbestandlich vollendet ist.’ Zie bijv. BGH 21 september 1994, NJW 1994, 3227 en uit de literatuur bijv. Serick 1963, p. 411-414, Staudinger/ Bork 2015, § 158 BGB, Rn. 18 en MünchKomm-BGB/Westermann 2015, § 158 BGB, Rn. 8.
Anders dan de M.v.A. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1237 suggereert, is het dus niet zozeer de omstandigheid dat de het Duitse recht een ander bezitsbegrip heeft waardoor het Duitse recht met betrekking tot de levering geen problemen kent, maar de omstandigheid dat het leveringsvereiste meer feitelijk wordt geïnterpreteerd.
Zie ook M.v.A. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1238 die opmerkt dat de constructie ook bij gebreke van art. 3:91 BW voor de hand zou liggen, maar ‘dat de wetstoepasser hier gemakkelijk op een dwaalspoor kan raken, makkelijker dan in het huidige recht waar artikel 667 B.W. geen “bezitsverschaffing” maar “enkele overgave” eist.’
Vgl. Stolz 2015, p. 883.
Door Mezas en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak is opgemerkt dat de levering in het kader van het eigendomsvoorbehoud simpelweg zou kunnen geschieden door feitelijke overgave.1 Strikt genomen wordt daarmee geen bezwaar aangevoerd tegen artikel 3:91 BW, nu de bepaling dit juist uitdrukkelijk bevestigt. De bezwaren lijken zich dan ook met name te richten tegen de mogelijkheid dat het artikel te veel zou worden verzelfstandigd, zodat het aanleiding zou kunnen geven tot onduidelijkheden. Met andere woorden: ook zonder artikel 3:91 BW kan de levering terstond geschieden door machtsverschaffing,2 terwijl het scheppen van een afzonderlijke bepaling alleen maar vragen oproept.
Voor de opvatting dat de levering bij gebreke van artikel 3:91 BW ook zou kunnen geschieden door machtsverschaffing, valt veel te zeggen. Niet ten onrechte merkt Mezas op ‘dat men nooit de geldigheid van de feitelijke overgifte als overdrachtshandeling voor de onvoorwaardelijke eigendomsoverdracht in twijfel heeft getrokken’ en dat er geen reden bestaat om aan te nemen dat een zodanig overgifte haar geldigheid zou verliezen wanneer partijen ervoor kiezen om slechts een overdracht onder opschortende voorwaarde tot stand te brengen.3 Zoals hiervoor reeds bleek, werd onder het oude recht op grond van artikel 667 BW (oud) een feitelijke overgave van de zaak geëist. In de loop der tijd is men de overgave van artikel 667 BW (oud) steeds meer gaan interpreteren als bezitsverschaffing, teneinde het mogelijk te maken om de zaak ook te leveren in gevallen waarin de zaak niet feitelijk werd overhandigd. Artikel 3:90 lid 1 BW vormt een codificatie van deze rechtsontwikkeling. Ondanks de nadruk op de verschaffing van het bezit, is echter de geldigheid van de feitelijke overhandiging van de zaak als leveringshandeling nimmer ter discussie gesteld. Op zichzelf is daarmee goed denkbaar dat ook bij gebreke van artikel 3:91 BW reeds op grond van een redelijke wetsuitleg zou kunnen worden aangenomen dat machtsverschaffing voldoende is als leveringshandeling in het kader van een overdracht onder opschortende voorwaarde. Ook de wetgever onderkende dat:
‘Niet kan worden ontkend dat deze constructie ook zonder uitdrukkelijke bepaling voor toepassing in aanmerking zou komen, omdat zij het beste in het stelsel van de wet past en tot redelijke resultaten leidt.’4
Een dergelijke benadering ligt impliciet ten grondslag aan het Oostenrijkse recht. Het Oostenrijkse recht stelt (onder meer) als vereiste voor overdracht dat sprake is van een Übergabe (§ 380 ABGB jo. § 425 ABGB). Deze Übergabe wordt voor roerende zaken aldus begrepen dat aan de verkrijger het bezit moet worden verschaft (§ 309 ABGB).5 Bij het eigendomsvoorbehoud stuit deze eis ogenschijnlijk op bezwaren, omdat de koper de zaak vooralsnog niet bezit. Desalniettemin neemt de Oostenrijkse literatuur, zonder de kwestie ook maar te problematiseren, algemeen aan dat terstond is voldaan aan het Übergabe-vereiste, zodat ook de overdracht terstond tot stand komt.6 Impliciet neemt ook het Oostenrijkse recht derhalve aan dat voor de levering in het kader van het eigendomsvoorbehoud machtsverschaffing volstaat.7
Vergelijkbaars geldt voor het Duitse recht, dat het Übergabe-begrip sowieso meer feitelijk lijkt te interpreteren. Veelal wordt namelijk aangenomen dat onder de Übergabe de verschaffing van de feitelijke macht over de zaak dient te worden volstaan.8 Een aantal auteurs begrijpt de Übergabe-eis daarentegen wel als de verschaffing van het bezit (Eigenbesitz) over de zaak.9 Met andere woorden: het gaat er niet alleen om dat de verkrijger de feitelijke macht verwerft over de zaak, maar deze ook ‘als ihm gehörend’ (§ 872 BGB) gaat houden.10 De verschaffing van de feitelijke macht waarbij de verkrijger slechts houder (Fremdbesitzer) wordt, heeft volgens deze auteurs dan ook niet te gelden als Übergabe, zodat zij geen overdracht kan bewerkstelligen.11 Deze visie leidt bij de overdracht onder opschortende voorwaarde tot problemen, omdat de koper vooralsnog slechts houder wordt en strikt genomen dus nog geen (voorwaardelijke) overdracht tot stand zou kunnen komen.12 Opvallend genoeg wordt aan deze kwestie nauwelijks enige aandacht besteed.13 Integendeel, er wordt algemeen van uitgegaan dat de Übergabe plaatsvindt op het moment dat de macht aan de koper wordt verschaft.14 Uiteindelijk lijkt men in het Duitse recht de Übergabe der halve voornamelijk feitelijk op te vatten, in die zin dat de overhandiging van de zaak aan de verkrijger afdoende is.15
Tegen deze achtergrond zou het niet ondenkbaar zijn om ook naar Nederlands recht een meer feitelijke interpretatie te geven aan de leveringseis van artikel 3:90 lid 1 BW. Daarbij dient echter wel bedacht te worden dat het meer feitelijke begrip ‘Übergabe’ zich eenvoudiger leent voor een zodanige interpretatie dan het Nederlandse begrip ‘bezitsverschaffing’. Het is naar mijn mening om die reden een verstandige keuze van de wetgever geweest om het niet op een soepele interpretatie te laten aankomen, door buiten twijfel te stellen hoe de levering kan geschieden bij een eigendomsvoorbehoud. Het uitdrukkelijk uitgangspunt van het huidige recht is namelijk dat de levering dient te geschieden door middel van bezitsverschaffing.16 In verband met de rechtszekerheid, in het bijzonder gelet op de gevolgen van het ontbreken van een levering voor de positie van de koper, is het gewenst dat artikel 3:91 BW hieromtrent duidelijkheid verschaft. Daarmee staat buiten twijfel dat de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde is gewaarborgd. Het bezwaar dat artikel 3:91 BW te zeer zou worden verzelfstandigd, is niet overtuigend. Zolang men bij de interpretatie van artikel 3:91 BW maar voor ogen houdt dat de wetgever met artikel 3:91 BW niet zozeer een bijzondere dogmatische figuur heeft willen introduceren, maar vooral de eventuele onmogelijkheid van levering in verband met het feit dat de koper vooralsnog geen bezitter wordt uit de weg heeft willen ruimen, zal de bepaling niet tot onoverkomelijke problemen leiden.17