Eigendomsvoorbehoud
Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/4.8.3.4:4.8.3.4 Verschaffing van bezit van het voorwaardelijk eigendomsrecht
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/4.8.3.4
4.8.3.4 Verschaffing van bezit van het voorwaardelijk eigendomsrecht
Documentgegevens:
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS401990:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Mezas 1985, p. 5 en p. 44. Zie over het bezit van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde uitgebreid hierna in hoofdstuk 8, paragraaf 8.9.2.
Zie punt 11 van hun noot onder HR 3 juni 2016, JOR 2016/287 (Rabobank/Reuser).
Vgl. Scheltema 2003, p. 357: ‘Het is hierbij irrelevant of een beperkt gerechtigde de ‘bezitter’ is van zijn beperkte of niet, omdat enkel van belang is wie bezitter van de zaak zelf is.’
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tot slot is door Mezas opgemerkt dat artikel 3:91 BW overbodig is omdat de levering aan de koper simpelweg zou kunnen geschieden door de koper het bezit van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde te verschaffen.1 Naar aanleiding van het arrest Rabobank/Reuser hebben Kortmann en Faber zich in vergelijkbare zin uitgelaten.2 De omstandigheid dat de koper bezitter van een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde wordt, maakt artikel 3:91 BW echter niet overbodig.
Bedacht moet worden dat het voorwerp van overdracht ook bij een overdracht onder opschortende voorwaarde de zaak zelf is, althans de onvoorwaardelijke eigendom van de zaak. Noodzakelijk is derhalve dat het leveringsvoorschrift ten aanzien van dat recht wordt nageleefd. Artikel 3:90 lid 1 BW vereist in het kader van een overdracht van (de onvoorwaardelijke eigendom van) de zaak dat het bezit over de zaak wordt verschaft. De verschaffing van het bezit over het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde is derhalve onvoldoende om te voldoen aan het leveringsvereiste van artikel 3:90 lid 1 BW, omdat aldus het leveringsvoorschrift wordt nageleefd ten aanzien van een ander object dan hetgeen partijen (willen) overdragen. De opvatting van Mezas, Kortmann en Faber lijkt impliciet samen te hangen met hun opvatting dat de overdracht onder opschortende voorwaarde per saldo een overdracht is van een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde. Die opvatting is in paragraaf 4.5 reeds bestreden. Ook wanneer partijen de modaliteiten van de overdracht aanpassen, blijft het object van overdracht uiteindelijk (de onvoorwaardelijke eigendom van) de zaak zelf. Net zo min als de verschaffing van het bezit van een recht van vruchtgebruik voldoende is om een levering in de zin van artikel 3:90 BW en dientengevolge een eigendomsoverdracht te bewerkstelligen, is de verschaffing van bezit van een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde afdoende om als levering in de zin van artikel 3:90 BW ten aanzien van de zaak in aanmerking te komen.3