Einde inhoudsopgave
Instellingen voor collectieve belegging in effecten (O&R nr. 119) 2020/5.2.1.3
5.2.1.3 Een nieuw kader voor kapitaalsvereisten van beleggingsondernemingen
mr. drs. J.E. de Klerk , datum 01-02-2020
- Datum
01-02-2020
- Auteur
mr. drs. J.E. de Klerk
- JCDI
JCDI:ADS193667:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover onder andere Joosen en Louisse (2018a), Joosen en Louisse (2018b) en Kerckhaert en Bierman (2018).
EBA/Op/2015/20.
Kerckhaert en Bierman (2018).
Zie Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) 1093/2010, (EU) 575/2013, (EU) 600/2014 en (EU) 806/2014 en Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU .
Art. 66 lid 2 IFR.
Art. 1 lid 1 IFR.
Zie ook Groffen (2019), waarin de auteur stelt dat IFR en IFD niet op beheerders van toepassing zijn.
Art. 1 lid 2 IFR.
Art. 12 IFR.
Art. 11 lid 1 en 2, art. 13 en 14 IFR en art. 8 IFD.
Art. 15 en verder IFR.
Art. 11 lid 1 IFR
Art. 15 lid 1 IFR.
Art. 43 lid 1 IFR.
Zie hierover ook Joosen en Louisse (2018a).
De hiervoor beschreven kapitaalsvereisten ten aanzien van beleggingsondernemingen worden binnenkort aangepast.1 De samenvoeging van de prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en kapitaalinstellingen beviel niet bijzonder goed. Al in 2015 concludeerde de EBA dat een separaat kader gewenst is voor beleggingsondernemingen, anders dan grote en systeemrelevante beleggingsondernemingen.2 Beleggingsondernemingen kennen een grotere verscheidenheid dan CRR en CRD IV doen vermoeden. Daarom bestond het algemene idee dat de kapitaalsvereisten eigenlijk niet passen op de risico’s van beleggingsondernemingen.3
Om die reden staat er een nieuw wetgevingskader voor beleggingsondernemingen op stapel.4 Dit kader zal wederom bestaan uit een Verordening en een Richtlijn. Het betreft de Investment Firm Regulation (aangeduid als IFR) en de Investment Firm Directive (aangeduid als IFD).5 De nieuwe vereisten worden 26 juni 2021 van toepassing op beleggingsondernemingen.6 Wederom valt de reikwijdte op. De Verordening is van toepassing op beleggingsondernemingen die een vergunning hebben uit hoofde van MiFID II.7 Beheerders hebben deze vergunning niet. Dat betekent dat ze niet onder de reikwijdte van deze Verordening vallen.8 Het is opvallend dat na de discussies omtrent de toepasselijkheid van CRD IV en CRR op beheerders, de wetgever er wederom en zelfs nog explicieter voor kiest om beheerders van deze vereisten uit te zonderen.
Het is de vraag of lidstaten zich aan deze reikwijdte zullen houden. Als beheerders dezelfde diensten mogen verlenen als beleggingsondernemingen, is het niet onlogisch om ze voor dat deel onder dezelfde regels te laten vallen. Aangezien de Icbe-Richtlijn een minimum harmoniserend karakter heeft, mogen lidstaten bovendien zelf bepalen of ze aanvullende kapitaalsvereisten willen opleggen aan beheerders die beleggingsdiensten verlenen. Het zou in dat geval niet vreemd zijn om aan te haken bij de eisen die worden gesteld aan beleggingsondernemingen. Voor een uniform speelveld in Europa is het wenselijk om dit op te nemen in de reikwijdtebepaling van in de IFR en IFD.
In het nieuwe kader bepalen de omvang en de activiteiten van een beleggingsonderneming de relevante vereisten. De grootste beleggingsondernemingen dienen nog steeds te voldoen aan CRD IV en CRR.9 Beleggingsondernemingen die aan een lijst van criteria voldoen waarin onder andere is opgenomen dat ze geen klantgeld bewaren en dat ze een maximaal vermogen beheren van EUR 1,2 miljard, worden gezien als kleine beleggingsondernemingen. Deze ondernemingen hoeven slechts aan beperkte vereisten te voldoen.10 Het vereiste eigen vermogen is het hoogste bedrag dat voortvloeit uit het minimum aanvangskapitaalsvereiste en de vastekosteneis.11
Grotere beleggingsondernemingen dienen ook kapitaalsvereisten op basis van K-factoren te berekenen.12 Zij moeten het hoogste bedrag aanhouden dat voortkomt uit het minimum aanvangskapitaalsvereiste, de vastekosteneis en de k-factoren.13 De k-factoren zijn nieuw en kunnen voor beleggingsondernemingen grote gevolgen hebben in de minimum kapitaalsvereisten. De k-factoren beogen om de kapitaalsvereisten aan te laten sluiten bij de risico’s van de beleggingsonderneming. Er worden drie van dergelijke risico’s onderscheiden: klantrisico, instellingsrisico en marktrisico.14 Dit is niet de plek om uitgebreid de inhoud van deze vereisten te schetsen.
Naast de kapitaalvereisten zijn ook liquiditeitsvereisten, governance- en remuneratiebepalingen opgenomen in IFR en IFD. Zo dienen beleggingsondernemingen een bedrag aan liquide activa aan te houden dat minstens gelijk is aan een derde van de vastekosteneis.15 Dat komt dus neer op liquide activa ter waarde van één maand aan kosten. Dat is een bescheiden verplichting.16