Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel
Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/8.1.3:8.1.3 Het recht een standpunt kenbaar te mogen maken en invordering
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/8.1.3
8.1.3 Het recht een standpunt kenbaar te mogen maken en invordering
Documentgegevens:
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS363036:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Het betreft dan blijkens artikel 49.2a van de Leidraad Invordering 2008 de beschikkingen aansprakelijkstelling omzetbelasting, accijns, energiebelasting of rechten bij invoer en bij uitvoer als bedoeld in artikel 7:3 van de Algemene douanewet.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals hiervoor is omschreven, regelen de Awb, de AWR en het Besluit Fiscaal Bestuursrecht grotendeels het recht een standpunt kenbaar te mogen maken en de uitzonderingen daarop voor fiscale procedures. Voor fiscale zaken is daarnaast ook de IW 1990 en de Leidraad Invordering 2008 relevant. In artikel 49.2a van de Leidraad Invordering 2008 is neergelegd dat voordat de belastingdienst een beschikking aansprakelijkstelling uitbrengt waarin omzetbelasting, accijns, energiebelasting of rechten bij invoer en bij uitvoer als bedoeld in artikel 7:3 van de ADW zijn begrepen, de belastingdienst een vooraankondiging moet sturen.1 De vooraankondiging moet de gronden, waarop de aansprakelijkstelling is gebaseerd, bevatten. De belastingdienst moet als bijlage de conceptbeschikking meesturen en vervolgens de belanghebbende drie weken de tijd geven om een standpunt kenbaar te maken en aan te geven of de belanghebbende wenst te worden gehoord.
Naast dit artikel van de Leidraad Invordering 2008 is artikel 10 van de IW 1990 relevant. Artikel 10, eerste lid, van de IW 1990 somt een aantal situaties op waarin versnelde invordering mogelijk is. Alhoewel artikel 10 van de IW 1990 slechts de invordering regelt, heeft de toepassing van dit artikel in de praktijk tot gevolg dat een belanghebbende ten aanzien van het bezwarende besluit ook niet in de voorfase het recht krijgt een standpunt kenbaar te mogen maken. De belastingdienst reikt zonder horen het bezwarende besluit uit en vangt direct aan met de invorderingshandelingen. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de IW 1990 wordt een belastingaanslag van de belastingschuldige die een te innen bedrag behelst terstond en tot het volle bedrag invorderbaar als:
de belastingschuldige in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard en die belastingaanslag onder de werking van de schuldsaneringsregeling valt;
de ontvanger aannemelijk maakt dat gegronde vrees bestaat dat goederen van de belastingschuldige zullen worden verduisterd;
de belastingschuldige Nederland metterwoon wil verlaten dan wel zijn plaats van vestiging wil overbrengen naar een plaats buiten Nederland, tenzij hij aannemelijk maakt dat de belastingschuld kan worden verhaald;
de belastingschuldige buiten Nederland woont of gevestigd is dan wel in Nederland geen vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft en de ontvanger aannemelijk maakt dat gegronde vrees bestaat dat de belastingschuld niet kan worden verhaald;
op goederen waarop een belastingschuld van de belastingschuldige kan worden verhaald beslag is gelegd voor zijn belastingschuld;
goederen van de belastingschuldige worden verkocht ten gevolge van een beslaglegging namens derden;
ten laste van de belastingschuldige een vordering wordt gedaan als bedoeld in artikel 19, tenzij hij aannemelijk maakt dat de belastingschuld kan worden verhaald; of
met inachtneming van artikel 198 van het Communautair douanewetboek ten laste van de belastingschuldige aanvulling of vervanging van een gestelde zekerheid is geëist, doch die aanvulling of vervanging niet tijdig overeenkomstig het krachtens artikel 2:1, aanhef en onder j, van de Algemene douanewet bepaalde, wordt verricht.