Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/VI
VI Leerboeken staatsinrichting vhmo 1900-1940 (gedetailleerde analyse)
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977079:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
P.C. Andreae, Beknopt overzicht van de staatsinrichting van het Koninkrijk der Nederlanden, Sneek: Van Druten 1908. De uitgave is voortgezet door W. Schenk.
Ibid., p. 203.
N. Oosterbaan, Staatsbestuur en Staatspartijen c.a., Goes: Oosterbaan & Le Cointre 1910.
Citaat: Zij die tot geen enkele politieke groep wenschten gerekend te worden, zouden als ‘de Wilden’ zijn aan te duiden. Onze huidige Kamer telt dergelijke leden niet’ (p. 116).
E.J. Beumer, Onze staatsregeling, 1e druk, Utrecht: Ruys 1912.
Vgl. J.J. van Geuns, Het recht van amendement van parlementaire vergaderingen, Ac. Pr. Utrecht 1863, p. 273.
G.H. Mouw, Oriënteerend handboek over de staatsinrichting van Nederland, Groningen: Wolters 1918, p. 3. De 2e druk komt in 1921. Het Voorwoord luidt: Ter voldoening aan den veelvuldig uitgesproken wensch - ook door Indische dagbladen bij hunne recensie - zijn de hoofdzaken van het bestuur onzer koloniën in de 2den druk vermeld (p. 4).
Ibid., p. 3.
Ibid., p. 3.
In de 2e druk in 1921 (221p.) is het koloniale bestuur opgenomen.
Ibid., p. 66.
Duyverman 1936, p. 203.
M. Spaander, Staatsinrichting van Nederland en zijn koloniën, Groningen: Noordhoff 1919. Spaander is publicist, schrijft lijvige boekwerken Handelsrecht, Staathuishoudkunde, Beknopte staathuishoudkunde en Vragen, Staatsinrichting (375 p. ) en Sociale economie. (En Vragen over handelsrecht (F. van Gunst) en Vragen over staatsinrichting (S. Kromsigt).
Uitgaven vermeld op de achterkant van Staatsinrichting van Nederland en zijn koloniën.
S. Kromsigt, Vragen bij Staatsinrichting van Nederland en zijn koloniën, behorende bij Spaanders Staatsinrichting van Nederland en zijn koloniën, Groningen: Noordhof 1938.
E.J. Beumer & P.A. Diepenhorst, Onze staatsinrichting, 2e druk, Utrecht: Ruys 1920. In 1925 komt de 3e druk uit. De uitgave is voortgezet door Diepenhorst, Onze staatsinrichting, 4e druk, Zutphen: Ruys 1931. In 1938 verschijnt de 6e druk.
J.M. van Sas, Grondbeginselen der Nederlandsche staatsinrichting, Maastricht: Boosten & Stols 1922.
H.J. Zijlstra, Inleiding tot de staatsinrichting van Nederland, Rotterdam: Nijgh 1923.
Ibid., p. 5.
Ibid., p. 7.
H.J. Zijlstra, Inleiding tot de staatsinrichting van Nederland, 2e druk, Rotterdam: Nijgh 1927.
NB: De Staten-Generaal en hun bevoegdheid is onzuiver (p. 118).
P.A. Diepenhorst, Onze staatsinrichting, 6e druk, Zutphen: Ruys 1938.
W.R. Drost, Bouwstoffen c.a., Alphen a/d Rijn: Samsom 1935.
B.C. de Savornin Lohman, Onze Constitutie, Utrecht: Kemink 1901.
Duyverman 1939, p. 314.
J. Hoogcarspel, De inrichting van het Nederlandse Staatsbestuur voor Hogere Burgerscholen en voor Zelfstudie, Zwolle: TjeenkW 1936.
Ibid., p. III.
Duyverman 1936, p. 202.
W. Lubberink, Elementaire Schets van het Nederlandsche Staatsrecht, Leiden: Handelswet. bibliotheek 1939.
Andreae, Beknopt overzicht van de staatsinrichting van het Koninkrijk der Nederlanden.1
Er is geen Voorwoord of Voorbericht. De rangschikking van de hoofdstukken is niet regulier en wijkt sterk af van wat andere auteurs als een optimale index beschouwen. Door het ontbreken van een Voorwoord met de doelstellingen, didactische overwegingen en instructies moeten we genoegen nemen met de opzet en indeling van de hoofdstukken.
De index beslaat de Inleiding (‘De grondwet bevat de grondslagen van het bestuur over den staat. In 't algemeen gesproken is eene grondwet niet onmisbaar. Zoo b.v. is in Engeland de samenstelling der bestuursorganen en de verhouding tusschen dezen, alleen in o r g a n i e k e wetten geregeld. Dit zijn bij ons wetten die de grondwet eischt’) (p. 6).
Na de Inleiding volgen: H I Wetgevende Macht (p. 7-20), H II Uitvoerende Macht (p. 22-26), H III Overige bevoegdheden van den Koning, H IV Rechterlijke Macht (36-44), H V Van de Financiën, H VI Bestuur provincie en gemeente, H VII De Koning, H VIII Waterstaat, H IX Nederlanders en vreemdelingen, H X Rechten (p. 94-99), H XI Defensie, H XII Armbestuur, H XIII Onderwijs, H XIV Koloniën en Bezittingen (p. V-VII). Burgerplichten zijn niet vermeld. De Inleiding beslaat de vaderlandse geschiedenis: ‘De geschiedenis van ons staatsrecht vangt aan met het jaar 1798, omdat toen de eenheidsstaat is geboren, gelijk Nederland die thans is (p. 5)’. Er zijn meer passages voor verbetering vatbaar: ‘Koning is hier eene verkorte uitdrukking voor Koning en minister; samenvormende en genoemd de Kroon’ (p. 5).
Vermeld is de verdeling van de kiesgerechtigden op grond van de Kieswet van 1896 in 5 klassen kiezers: a. belastingkiezers, b. woningkiezers, c. loonkiezers, d. spaarkiezers en e. examen - of capaciteitskiezers (p. 8-9).
De trias politica als systeemkern is niet beschreven, maar komt in de eerste hoofdstukken zijdelings aan de orde bij de staatsmachten. De ministeriële verantwoordelijkheid is in hoofdstuk II opgenomen. De decentralisatie staat in hoofdstuk VI. Het Beknopt overzicht van Andreae (en Schenk) is in 1936 in Duyvermans overzicht op negen Rijks-hbs′en, vijftien gem. hbs′en, drie bijz. hbs′en, twee gem. lycea en twee bijz. lycea in gebruik.2
Oosterbaan, Staatsbestuur en Staatspartijen, voor inrichtingen van onderwijs en zelfstudie, gericht op het examen (hoofd)onderwijzer.3
Het Voorwoord spreekt over het door de auteur herhaaldelijk opvallen van de gebrekkige kennis van de geschiedenis der staatsinstellingen die men ‘zoo abstract, zoo dor en vervelend vindt’. Enige bekendheid met ons staatsbestuur is volgens de auteur in onze tijd voor iedereen gewenst. Een slothoofdstuk is gewijd aan het partijwezen omdat onze parlementaire geschiedenis zich grotendeels groepeert om de strijd der staatkundige partijen (p. 5).
De uitgave bevat XI hoofdstukken, een bijlage over de Wet van 12 augustus 1890, Stb.148) en opent met H I De regeeringsvorm, gevolgd door II De Fransche tijd, III De soevereiniteit van Oranje, IV Grondwetsherziening, V Onze Grondwet, VI Van den Koning, VII De Staten-Generaal e.v. Grondwetsartikelen, X Koloniaal Bestuur, XI Staatspartijen (politieke partijen). 4
De trias politica is niet vermeld: de staatsmachten zijn apart vermeld bij de Grondwetsartikelen: de wetgevende en uitvoerende macht (p. 52) en justitie (p. 89). Het hoofdstuk begint met de vermelding van ’Justitia, de bekoorlijke jonkvrouw der Romeinen, met haar diadeem op het voorhoofd, eene weegschaal in de rechterhand en in de linker het zwaard der gerechtigheid of een hoorn des overvloeds, is nog altijd het aantrekkelijke symbool der justitie, welke tot taak heeft de gerechtigheid te handhaven, eerbied voor de wetten te verzekeren. Stipte eerlijkheid, onkreukbare rechtvaardigheid, en onafhankelijkheid, ook ten opzichte der Regeering, zijn eischen, welke bij r e c h t s p r a a k op den voorgrond staan’ (p. 89).
Beumer, Onze staatsregeling.5
De titel van Beumers Onze staatsregeling doet op het eerste gezicht vreemd aan, maar is welbewust gekozen (p. 8: constitutie of staatsregeling; schriftelijke vaststelling is grondwet). De Inleiding opent met ‘In een zijner geschriften deed Frédéric Bastiat het voorstel, een millioen francs als prijs uit te loven voor eene goede omschrijving van het begrip Staat. Hoewel niemand zich geroepen voelde zoodanigen prijs beschikbaar te stellen, hebben velen getracht eene juiste definitie te geven. Echter zonder succes. Ja, de mogelijkheid om tot een bevredigend resultaat te komen, is door meerderen geloochend (enz.) (p. 1).
Het boek (276 p.) omvat: Inleiding (met de parlementaire vertrouwensregel, p. 9-11) en IX hoofdstukken: I Geschiedenis der grondwet, II Grondgebied en onderdanen, III Plichten en rechten der onderdanen, IV De Koning, V De Staten-Generaal, VI Het tot stand komen eener wet, VII Staatsbemoeiïng, VIII Finantiën, IX Provincie en gemeente en Verwijzingen (Ook naar de Handelingen der Staten-Generaal).6 De uitgave bevat daarnaast vele voetnoten (als ‘In korten tijd heb ik meer dan 100 maal de fout aangetroffen, dat men het doet voorkomen, alsof het kabinet de Regeering ware). Toch is er tusschen beide eenig verschil (p. 117, noot*) en bij Grondwetsartikelen zijn aantekeningen van Buys, De Savornin Lohman en Oppenheim.’
Het boek wemelt van de KB’s en is ondoorzichtig. Het is bovendien niet eenvoudig de trias politica op het spoor te komen: ‘Bij eene gezonde opvatting der constutioneele monarchie moet niet alleen tegen verkorting van de rechten der Regeering worden gewaakt, maar evenzeer worden opgekomen voor eene juiste waardeering der Staten-Generaal’ (p. 129).
Mouw, Oriënteerend handboek over de staatsinrichting van Nederland.7
Het Voorwoord opent met ‘Dit oriënteerend handboek over de Staatsinrichting van het Rijk behandelt de stof op andere wijze dan de bestaande leerboeken voor de hbs′en. Het biedt voor ieder die belang stelt in het bestuur van het Rijk in Europa die beginselen van ons staatsrecht, welke onontbeerlijk geacht mogen worden voor den medelevenden staatsburger’.8 Mouw acht de lestijd in het Normaalprogramma 1916 voor staatsinrichting een belemmering voor de behandeling van die onderwerpen die hierin niet aan bod kunnen komen, immers ‘De hoofddoelstelling is niet parate kennis uit de grondwet en wetten bij te brengen, maar ook en vooral het vloeiende en zich vervormende in onze rechtsontwikkeling te schetsen. De historische ontwikkeling van de staat en het recht in volksovertuiging en wet is van belang’.9 Herkenbaar is. dat ‘zodra meer tijd beschikbaar [is] voor de sociale wetenschappen en de regeering het belang daarvan inziet, een verhandeling over het bestuursrecht […] kan verschijnen’.10
29 korte hoofdstukken bevatten ‘Enkele grepen uit onze parlementaire geschiedenis, Inleiding, Nederland als parlementair-constitutionele monarchie, grondrechten, trias politica in onderdelen, Provincie, Gemeente en de koloniën’. Te signaleren valt de behandeling van de machtenscheiding tegelijk met die van ‘de gedeelde macht van de Koning’: ‘De Koning bij de wetgeving, bij de uitvoering en bij de rechtspraak’ vormen drie hoofdstukken’ (p. 71-90).11 Mouw’ is in 1936 nog op twee rijkhbs′en, twee gem. hbs′en en twee bijz. hbs′en in gebruik.12
Spaander, Staatsinrichting van Nederland en zijn koloniën voor HBS, HHS, gymnasia, kweek- en normaalscholen, candidaat-hoofdonderwijzer(essen) en zelfstudie.13
Spaander is een productieve auteur over de staatswetenschappen en handelsrecht. Van zijn hand zijn in 1930 verschenen: 1. Handelsrecht, 2. Vragen over Handelsrecht, 3. Verzameling van wetsartikelen, 4. Staathuishoudkunde, 5. Beknopte Staathuishoudkunde, 6. Vragen bij Beknopte Staathuishoudkunde, 7. Staatsinrichting van Nederland c.a., 8. Vragen bij Staatsinrichting van Nederland en zijn koloniën (door S. Kromsigt) en 9. Sociale economie.14 Het Vragenboekje, te gebruiken bij Staatsinrichting van Nederland en zijn koloniën verschijnt in 1938.15
Het Voorbericht maakt gewag van de ‘groote zorg die is besteed voor een zeer geleidelijke ontwikkeling der te behandelen begrippen en sterk is overal de nadruk gelegd op het historische’. Spaander noteert (375 p.): ‘op het gebied der staatswetenschappen wreekt zich al heel spoedig een tekort aan feitenmateriaal Hoeveel averechtse oordelen op economisch en staatsrechtelijk gebied in onze gecompliceerde maatschappij zijn niet te wijten aan gebrek aan feitenkennis!’. Hij signaleert ‘geringschatting van het vak en de belangstelling dodend, leidend tot een portie on-onvruchtbare geheugenkennis’ (Voorbericht, ongepagineerd).
De index beslaat 32 hoofdstukken. De opzet is afwijkend: eerst volgt de Nederlandse Staat (p. 1-17), dan de wetgevende macht in den Staat (‘Soms neemt de Eerste Kamer een voorstel aan onder voorwaarde dat de minister daarop nog een wijziging – een z.g. novelle – bij de Tweede Kamer aanhangig zal maken (p. 43)’, provinciën en gemeente (p. 18-68) en vervolgens de uitvoerende macht in den Staat, provincie en gemeente (p. 70-133). Justitie volgt verder op de index (p. 229-253), evenals de Administratieve rechtspraak (p. 257-265).
Spaander behandelt de Nederlandse Staat, de Wet op het Nederlanderschap en ingezetenschap (p. 5-18), daarna wetgevende en uitvoerende macht op drie niveaus (Staat, provincie, gemeente). Dan kiesrecht, rechtspraak en Rijks-, provinciale en gemeentelijke organen. De Grondwet volgt achterin het boek (‘Onze Gw. of constitutie is een staatsstuk, waarin in hoofdtrekken de inrichting van het Staatsbestuur […] is geregeld’ (p. 270-303). Het materiële en formele wetsbegrip figureren voorin (p. 20-21). De koloniën en de Volkenbond sluiten af. De trias politica (p. 70) is organisch weergegeven, niet functioneel. Vanaf de vierde druk zijn een zaken- en personenregister toegevoegd (p. 367-375).
Beumer/Diepenhorst, Onze staatsinrichting.16
In het Woord vooraf stellen de schrijvers ‘het werkje bedoeld te hebben als een leerboek voor het middelbaar onderwijs. Bij de indeeling en bij de vaststelling van den omvang der te behandelen stof is voornamelijk rekening gehouden met de eischen, ‘die op het eindexamen der hbs’en worden gesteld. […]. Behandeling is beperkt gebleven tot eene uiteenzetting van geldende wetgeving (p. 5). P.A. Diepenhorst heeft de bewerking overgenomen.
Van Sas, Grondbeginselen der Nederlandsche staatsinrichting.17
‘De Grondwetsherziening was een gereede aanleiding om uitvoering te geven aan een reeds lang gekoesterd plan een handboek, betreffende de Staatsinrichting, het licht te doen zien’, schrijft Van Sas in Bij den eersten druk (p. 3). De titel luidt: Grondbeginselen en niet Gronden. Het bevat XII hoofdstukken (Index p. 217). Aan de artikelsgewijze behandeling van de Grondwet gaat een Inleiding vooraf met bespreking van Staatsregelingen en Grondwetten tot en met de herziening van 1922. De organieke wet is onderscheiden van de utiliteitswet.
De Grondwet is artikelsgewijs beschreven. De bespreking van de trias politica is over drie hoofdstukken verdeeld: wetgevende macht (H.III, vijfde afdeling), uitvoerende macht (H. III, vierde afdeling) en rechterlijke macht (H.V, tweede afdeling).
Zijlstra, Inleiding tot de Staatsinrichting van Nederland.18
Uitgangspunten: 1. Het encyclopedisch schoolboek is gericht op het bevattingsvermogen van 15 tot 17 jarigen, 2. De stof moet behoorlijk kunnen worden doorgewerkt, 4. Een artikelsgewijze behandeling der Grondwet komt ongewenscht voor, 5. Kennismaking met artikelen is wenschelijk, 6. Leerboeken in denzelfden geest over economie en recht zijn in bewerking. De uitgave telt 60 lessen, 600 paragrafen, 600 vragen en 304 pagina's. Kennismaking met Grondwetsartikelen is ‘zeer wenschelijk´.19 Vragen zijn opgenomen. In de Eerste Afdeeling, par. 7, zijn de organieke en utiliteitswet vermeld.20 Van Montesquieu zijn in de Grondwet nog sporen (par. 16, p. 12). De bladinrichting is met paragrafen: par. 2: Naar den vorm van het Bestuur, den Regeeringsvorm, is de Staat een Monarchie of een Republiek (p. 7). De Grondwet is opgenomen (p. 247-274).
Zijlstra, Inleiding tot de staatsinrichting van Nederland.21
In de derde klas is de leerstof – blijkens een aantekening in mijn exemplaar (1927) (p. 117) – behandeld tot de Vierde Afdeeling: De Staten-Generaal (Les 31): De Staten-Generaal-Volksvertegenwoordiging. Directe Volksregeering, Tweekamerstelsel. Beteekenis der Eerste Kamer (p. 118).22 De uitgave beslaat drie delen: I De staatsinrichting van het Koninkrijk der Nederlanden, II De internationale rechtsorde en III Overzicht van de geschiedenis van de staatsregeling in Nederland. Deel I telt 22 hoofdstukken, deel II 11 en deel III de Staatsregelingen en Grondwetten. De leer van de machtenscheiding is in H.5 van deel I staatkundig-historisch beschreven onder Parlementair stelsel/Staatkundige ministeriële verantwoordelijkheid. Deel III beschrijft de internationale politieke, economische en vredesorganisaties.
Diepenhorst, Onze staatsinrichting.23
Inleiding en De geschiedenis der Grondwet zijn samengevoegd in H.I (p. 7). Het boek kent XI hoofdstukken. Beumer (1e druk, 1920): het ‘onzuivere taalgebruik’ in geval van gelijke betekenis geven aan ‘het ministerie’ of ‘de regering’, is ‘een endemische kwaal in politieke kringen’ (p. 104/5, 117). Onderscheid tussen wetgevende en uitvoerende macht is niet helder: in H.VI de wetgevende macht (p. 163) en de rechterlijke macht staat in H. IX par. 2 Justitie (p. 169). De trias politica als term ontbreekt. Eerst in H.V staat: ’De Koning regeert met en door zijn ministerie. Men spreekt van het Ministerie Colijn als regeering - men bedoelt het Kabinet; (p. 95). Terzijde: ‘De vorming van een nieuw ministerie geschiedt door een kabinetsformeerder (curs.W) (p. 98). ‘Bij het ministerie Ruys de Beerenbrouck in 1918 is eene functie geschapen, n.l. die van secretaris-generaal in algemeenen dienst of staatssecretaris’ (sic. W) (p. 101).
Drost, Bouwstoffen, studie staats-, gemeente- en administratief recht.24
Ingeleid en aanbevolen door De Savornin Lohman die Onze Constitutie schrijft in 1901.25 De uitgave bevat recapitulerende schetsen van staatsinrichting met ‘inzichtelijke structuur’. Duyverman typeert dit als ‘behorende bij de visuele methoden, namelijk van inzicht door zien’.26
Hoogcarspel, De inrichting van het Nederlandse Staatsbestuur voor Hogere Burgerscholen.27
Het Voorwoord meldt dat ‘vooral bij de studie der Staatsinrichting in de 3e klasse ener H.B.S. het gevaar zeer groot is dat ze ontaardt in het plichtmatig met meer of minder tegenzin, uit het hoofd leren van onbegrepen grote-mensen-geleerdheid´. Zeker! Het is de taak van den leraar de stof op bevattelijke wijze te behandelen, maar och! Het gesproken woord vervliegt zo snel. De leraar Staatsinrichting komt eerst over een week een uurtje terug (p. III).28
De uitgave kent een Inleiding en 3 boeken. Boek I Rijksbestuur, Boek II De inrichting van het bestuur der onderdelen en Boek III De inrichting van het bestuur in de gebieden buiten Europa. Toegevoegd is: Overzicht van ontstaan en verandering der bepalingen in de Grondwet (p. 399-400). De trias politica komt uitgebreid aan bod: 50 p. ’De Koning en het tweede deel der wetgevende macht: De Staten-Generaal’ zijn nodig om de wetgevende macht te behandelen. De uitvoerende macht Het Centraal bestuur beslaat 13 en de rechterlijke macht 20 p.
Ook verschijnt in 1936 van het secretariaat van de R.K. Staatspartij Onze staatsinrichting.29
Lubberink, Elementaire Schets van het Nederlandsche Staatsrecht.30
De uitgave bevat IX hoofdstukken, alsmede Noten, aanvullingen en de Grondwet. Het Voorwoord luidt dat ‘Onder de leerlingen van Middelbare Scholen er mogen zijn, die de lessen in Staatsinrichting met belangstelling volgen, door de meesten wordt het -begrijpelijk!- beschouwd als bijvak. Op de boekenbeurs gaan de leerboeken Staatsinrichting willig van de hand. Bij de, na het eindexamen aangehouden boeken, treft men slechts zelden het leerboek staatsinrichting. In het dagelijksche leven ervaart de oud-H.B.S-er […] dat kennis van de hoofdzaken van het staatsrecht geen weelde is, maar behoort tot de geestelijke goederen van het bestaansminimum’.
Onderscheiden is tussen ius scriptum en ius non scriptum (p. 18). Wetsinterpretatie moet geleerd worden: legale, dogmatische en historisch-juridische interpretaties (p. 18-19). Lubberink spreekt over de monarchale staatsvorm (p. 11). De trias politica behelst vier hoofdstukken. De Grondwet 1922 is bijgevoegd. In de Noten is verwezen naar literatuur (p. 117-120).
VIa Leerboeken staatsinrichting vhmo 1946-1968VIb Mulo-uitgaven 1916-1968VIc Leerboeken staatsinrichting vwo/havo/mavo 1968-1990VId Leerboeken staatsinrichting vwo/havo/mavo 1990-…