Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/5.2.3.4
5.2.3.4 Geen rol voor de schuldenaar
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186637:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Rank-Berenschot 1992, p. 207. Vgl. Verstijlen 1998 p. 105: “De aanspraak op (een uitkering uit) de boedel van elke schuldeiser in de gezamenlijkheid komt overeen met hetgeen waarop hij volgens zijn rang tegenover zijn medeschuldeisers aanspraak heeft.” [Onderstreping NP].
Dit kan in uitzonderingsgevallen anders zijn. Zie ook par. 5.5.2.4.
Zie over het belang van de schuldenaar bij de rangorde van de verhaalsrechten op zijn vermogen par. 5.5.2.4.
Artt. 480 lid 2, 490b lid 2, 551 lid 3 Rv en 3:270 lid 5 BW.
Zo ook Struycken 2007, p. 13 en Verstijlen 2006a, p. 1162. Vgl. Kisch 1932, p. 199 en over Belgisch recht Fransis 2017, nr. 217. Anders: Hof Amsterdam 14 maart 1935, NJ 1936/685 (Schielaar/Roeper Bosch q.q.). Zie ook Van Boom 2018, p. 17 en vgl. Snijders & Rank-Berenschot 2017, nr. 317 over de rang van strijdige rechten op levering.
Diephuis 1886a, p. 581-582.
Erasmus 1976, p. 27.
Verstijlen 1998, p. 19.
Fesevur 2017, p. 27.
Zie bijvoorbeeld artt. 1178, 1179 en 1181 BW (oud).
154. De verdeling van de executie-opbrengst is een conflict tussen de verschillende verhaalsrechten.1 Daarbij speelt de schuldenaar geen rol.
Het belang van de schuldenaar bestaat daarin dat zijn vermogen niet ten onrechte wordt uitgewonnen. Dat kan hij voorkomen door de schuld vrijwillig te voldoen of door zich te verzetten wanneer de verhaalsgerechtigde een executoriale titel probeert te verkrijgen of die ten uitvoer probeert te leggen. Daarbij kan de schuldenaar onder meer het bestaan en de hoogte van het verhaalsrecht betwisten. Wanneer eenmaal vaststaat dat alle gepretendeerde verhaalsrechten daadwerkelijk recht geven op uitwinning van het vermogen van de schuldenaar speelt de verdeling van de executie-opbrengst alleen tussen die verhaalsrechten. De schuldenaar heeft bij de verdeling in beginsel geen belang.2
De schuldenaar speelt bij de verdeling alleen een rol voor zover hem mogelijkerwijs een deel van de executie-opbrengst toekomt. Aan dat belang kan worden tegemoetgekomen door de schuldenaar te zien als een van de schuldeisers bij de verdeling van de executie-opbrengst.3 Dit verklaart dat voor de verdeling van een executie-opbrengst buiten faillissement bij overeenkomst tussen de verhaalsgerechtigden ook de instemming van de schuldenaar of de rechthebbende van het geëxecuteerde goed is vereist.4 Die instemming is vereist omdat de rechthebbende degene is aan wie een eventueel overschot van de executie-opbrengst toekomt. Hij is in zoverre een soort van verhaalsgerechtigde tot het overschot.
155. Omdat de rang van een vordering enkel de verdeling van de executie-opbrengst betreft speelt de rang van een verhaalsrecht niet in de verhouding tussen de verhaalsgerechtigde en de schuldenaar.5 De voorrechten, die bestaan om rangverschil te creëren, illustreren dit. In de woorden van Diephuis, Erasmus, Verstijlen en Fesevur:
“Het [voorregt, NP] geeft den schuldeischer geen meerder of krachtiger regt tegenover den schuldenaar; dezen gaat het voorregt niet aan, te zijnen aanzien werkt het niet, maar alleen tegenover andere inschulden of andere schuldeischers.”6
“Een privilege is een recht niet van een schuldenaar [bedoeld is schuldeiser, NP] tegenover zijn debiteur, maar van de crediteur tegenover zijn medeschuldeisers.”7
“Een voorrecht heeft slechts betekenis in de relatie tussen schuldeisers onderling.”8
“Aangezien voorrechten voorrang verlenen bij verhaalsuitoefening, werken zij in feite niet zozeer tegenover de schuldenaar, als wel tegen de mede-schuldeisers.”9
Bovendien kwam dit onderlinge karakter van rangorde in het oude Burgerlijk Wetboek tot uitdrukking doordat consequent gesproken werd van de voorrang ‘tusschen de schuldeisers’.10 Uit de woorden ‘onderling’ in artikel 3:277 lid 1 BW en ‘jegens’ in artikel 3:277 lid 2 BW blijkt dat de opvatting van de wetgever op dit vlak niet is veranderd.
Omdat de rang van een verhaalsrecht niet de relatie tussen de schuldeiser en de schuldenaar betreft maar de verhouding tussen de verschillende verhaalsrechten gaat elke uitspraak over de rang van een verhaalsrecht over de relatie tussen verschillende verhaalsrechten.