Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/5.6.0
5.6.0 Introductie
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS430533:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hierover: A. Burgstaller & M. Neumayr, `Beobachtungen zu Grenzfragen der intemationalen Zusdndigkeit: Vom forum non conveniens bis Notzusdndigkeit', in: B. Bachmann u.a. (hrs.), Grenziiberschreitungen, Beitrage zum Internationalen Verfahrensrecht unc 1 zur Scheidsgerichtsbarkeit, Festschrift fiir Peter Schlosser zum 70. Geburtstag, Tilbingen: Mohr Siebeck 2005, p. 119-134.
Verheul & Feteris, Rechtsmacht (II), p. 285 en p. 288, menen voor het 'oud' procesrecht dat voor deze vorm van forum necessitatis een zekere band met Nederland kan worden geëist, maar dat deze niet behoeft te bestaan in aanknopingspunten die in de normale bevoegdheidsregels gebruikt worden.
In deze zin Kamerstukken 111999/00, 26 855, nr. 3, p. 41 (MvT): 'Men kan iemand niet de toegang tot een rechter algeheel ontzeggen; dat zou waarschijnlijk ook op gespannen voet staan met artikel 6 EVRM.' Zie ook Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 5, p. 19 (Nota n.a.v. het verslag): 'Zolang er geen internationale afspraken bestaan tussen de landen wier rechters in aanmerking komen om als forum necessitatis te fungeren, is het niet mogelijk een beperking aan deze bevoegdheidsgrond te geven.'
H. van Loo, Verslag van discussies, in: D. Kokkini-Iatridou (red.), Schets van een algemene wet betreffende het internationaal privaatrecht: studiedag gehouden op 10 december 1993 in het Ministerie van Buitenlandse Zaken te 's-Gravenhage, 's-Gravenhage: T.M.C. Asser Instituut 1994 (N/PR-Speciale aflevering 1994), p. 100: 'Neem het volgende geval: een Iraniër botst in Pakistan tegen een Indiër aan, waarbij de rechters van India, Iran en Pakistan zich allen onbevoegd verklaren. Bij letterlijke lezing van art. 1.1.8 sub b [art. 9 sub b, Fl] zou je tot de conclusie kunnen komen dat de Nederlandse rechter zich bevoegd moet verklaren. Dat kan de bedoeling niet zijn en de heer Van Loo bepleit dan ook een toevoeging die dit soort zaken tegengaat.'
Vzngr. Rb. Rotterdam 4 november 2003, NIPR 2004, 161 (par. 5.6.7); Hof 's-Gravenhage 21 december 2005, NJF 2006, 154 (par. 6.4.3). In de volgende uitspraken wordt het beroep op art. 9 sub b Rv terecht afgewezen: Vzngr Rb Amsterdam 14 november 2002, te kennen uit NIPR 2004, 133; Rb. Rotterdam 4 februari 2004, NIPR 2005, 65; Hof Arnhem 13 juli 2004, NIPR 2004, 362; Rb. Zutphen 10 november 2004, NIPR 2005, 173; Hof Amsterdam 9 juni 2005, NIPR 2005, 344; Rb. Almelo 27 juli 2005, n.n.g. (rolnr. 67514); Rb. Rotterdam 10 mei 2006, L1N AX2190.
Voor het absolute forum necessitatis van art. 9 sub b Rv is het element van de volstrekte onmogelijkheid om in het buitenland te kunnen procederen doorslaggevend. De bepaling maakt geen onderscheid tussen dagvaardings- en verzoekschriftprocedures, en evenmin tussen zaken die wel en zaken die niet ter vrije bepaling van partijen staan. Als een procedure buiten Nederland onmogelijk blijkt, moet de Nederlandse rechter zich als een noodforum bevoegd verklaren zonder het stellen van nadere vereisten. Voor de toepassing van art. 9 sub b Rv geldt niet als voorwaarde dat de zaak op enige wijze is verbonden met de Nederlandse rechtssfeer. Dat is anders in bijvoorbeeld art. 11 van de Belgische IPR-Wet, waarin de Belgische gerechten in noodgevallen bevoegdheid kunnen aannemen 'wanneer de zaak nauwe banden met België heeft'. Art. 3 van de Zwitserse IPR-Wet verleent `NotzustUndigkeie aan 'die schweizerischen Gerichte oder Behbrden am Ort (...), mit dem der Sachverhalt einen genUgenden Zusammenhang aufweist.' Terwijl het Oostenrijkse recht een noodforum biedt alleen indien 'der KlUger bsterreichischer StaatsbUrger ist oder seinen Wohnsitz, gewbhnlichen Aufenthalt oder Sitz im Inland hat (...).’1
De vraag kan worden gesteld of de bevoegdheidsgrond in art. 9 sub b Rv niet te ruim is. De grenzen van de zuivere vorm van forum necessitatis zijn onbeperkt. Waarom, zo zou men kunnen betogen, moet het uit belastinggelden gefinancierde rechterlijke apparaat, waar de werkdruk al zo hoog is, opengesteld worden voor partijen die op geen enkele wijze verbonden zijn met de Nederlandse rechtssfeer? Zou voor de uitoefening van noodbevoegdheid niet een licht verbondenheidsvereiste met de Nederlandse rechtssfeer moeten worden gesteld?2 Het is moeilijk voor te stellen dat een dergelijke voorwaarde in strijd is met art. 6 EVRM.3 Er is wel eens opgemerkt dat het ontbreken van het vereiste van enige binding met Nederland bij het absolute forum necessitatis van art. 9 sub b Rv, ertoe zou kunnen leiden dat de Nederlandse rechter 'de processuele afvalbak van de wereld' wordt.4 Of deze vrees gegrond is, moet nog blijken. Uit de tot nu toe gepubliceerde uitspraken blijkt in ieder geval niet dat Nederlandse gerechten overspoeld worden met zaken waarin zij als noodforum moeten optreden. Voorzover ik kan nagaan heeft art. 9 sub b Rv tot nu toe slechts in twee gevallen als basis voor een noodbevoegdheid van de Nederlandse rechter gediend.5