Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.5.4.4
4.5.4.4 Onderwijsbeleid gericht op deregulering en autonomie
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949542:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1983/84, 18 100 VIII, nr. 86.
Handelingen II 1983/84, 18 100 VIII, p. 2777.
Boekholt e.a. 2002, p. 23, Leune 2000, p. 29 en Nolen 2017, p. 37.
Kamerstukken II 1984/85, 19 132, nrs. 1-2.
Kamerstukken II 1985/86, 19 200 VII, nr. 63.
Kamerstukken II 1985/86, 19 253, nrs. 1-2.
Ministerie van O&W 1986.
Kamerstukken II 1988/89, 21 140, nr. 1.
Schevenings Beraad 1993.
Kamerstukken II 1985/86, 19 200 VII, nr. 63, p. 7.
Kamerstukken II 1985/86, 19 200 VII, nr. 63, p. 7 en Drop 1985, p. 149.
Kamerstukken II 1985/86, 19 200 VII, nr. 63, p. 8.
Kamerstukken II, 1985/86, 19 555, nr. 3, p. 25. Zie ook Onderwijsraad 2000b, p. 3 en Louw 2011, p. 8-9.
Ministerie van O&W 1986.
Ministerie van O&W 1986, p. 3
Ministerie van O&W 1986, p. 5.
Schevenings Beraad 1993. Zie ook Nolen 2017, p. 37.
Schevenings Beraad 1993, p. 13.
Schevenings Beraad 1993, p. 17-19.
Hoewel de achterliggende overheidsvisie op het maatschappelijke belang van onderwijs onveranderd bleef, verdween de constructieve onderwijspolitiek in de jaren 80 naar de achtergrond. De overheid ruilde haar sturende rol in voor een meer terughoudende. Die nieuwe benadering betrof niet alleen het onderwijs, maar zag op een bredere liberale visie om te komen tot minder en eenvoudige regelgeving. In het regeerakkoord van 1983 werd hier breed op ingezet, de Commissie Geelhoed heeft vervolgens onderzocht hoe deze ambitie verwezenlijkt kon worden.1 Ten aanzien van het onderwijs constateerde deze commissie dat drie oorzaken aan te wijzen zijn voor de omvang en complexiteit van de toenmalige onderwijsregelgeving:
De uitleg van artikel 23 Grondwet waaruit voortvloeit dat elke onderwijssector met een wet geregeld moet worden.
Het constructieve onderwijsbeleid waaruit voortvloeit dat de overheid verantwoordelijkheid neemt voor de implementatie van onderwijskundige en maatschappelijke vernieuwingen.
De financieel-economische toestand die noodzaakt tot financieel sober beleid.2
De eerste aanzet voor vermindering en vereenvoudiging van de regelgeving in het onderwijs kwam bij motie van het Kamerlid Franssen c.s.3 Zij vonden dat scholen zelf meer verantwoordelijkheden zouden moeten krijgen. Naast het stroomlijnen en vereenvoudigen van de regelgeving zou de rol van de Inspectie versterkt moeten worden.4 Bij toenemende verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag past volgens Franssen sterker toezicht om erop toe te zien dat aan de eisen die wel worden opgelegd wordt voldaan.
In de volgende tien jaar werd in toonaangevende beleidsnota’s de visie van een terughoudende overheid ten aanzien van het onderwijs nader uitgewerkt:5
Meer over management,6
Deregulering, autonomievergroting en personeelsreductie (DAP-notitie),7
Hoger onderwijs: autonomie en kwaliteit (HOAK-nota),8
De school op weg naar 2000,9
Hoofdlijnen Formatiebudgetsysteem,10 en
Het Schevenings Beraad.11
Het uitgangspunt in de DAP-notitie is dat waar de overheid stuurt, getracht moet worden om de eigen verantwoordelijkheid en beleidsruimte van het bevoegd gezag niet verder te beperken dan strikt noodzakelijk.12 Dit komt voort uit de gedachte dat de overheid niet beschikt over de benodigde expertise om tot in detail het onderwijsproces uit te werken. Anderzijds ziet de minister ook dat er grenzen zijn aan autonomievergroting en deregulering. Onder verwijzing naar Drop wordt vastgesteld dat de omvang en de opbouw van het onderwijsstelsel maakt dat regelgeving noodzakelijk is.13 Ook moet de autonomie van de onderwijsinstellingen begrensd worden door de maatschappelijke functie die het onderwijs dient. De overheid dient in dat licht de deugdelijkheid van het onderwijs te borgen.14
In de HOAK-nota wordt voor het hoger onderwijs een sturingsvisie uiteengezet die rust op autonomie en kwaliteit.15 De autonomie van de hogescholen en universiteiten moet worden vergroot gezien de toenemende vernieuwingsbehoefte. De minister erkent dat het vergroten van de autonomie niet direct leidt tot een verbetering van de kwaliteit, maar autonomie wordt hiervoor wel als een noodzakelijke voorwaarde gezien. Net als in de DAP-notitie constateert de minister in de HOAK-nota dat de overheid niet beschikt over de expertise om in detail uitspraken te doen over de gewenste ontwikkelingen, dit moet dan ook aan de instellingen overgelaten worden.
De noties uit onder meer de DAP-notitie en de HOAK-nota vonden hun weg naar het regeerakkoord van 1986.16 Daarin stond dat deregulering en versterking van de autonomie van scholen gerealiseerd moeten worden. Dit zou samen moeten gaan met het versterken van de schoolbesturen. Dit wordt in de nota ‘School op weg naar 2000’ verder uitgewerkt.17 In deze nota wordt een visie geschetst waarin de school autonoom is, zodat het bevoegd gezag zelf keuzes kan maken op grond van een eigen afweging van de maatschappelijke ontwikkelingen en de situatie binnen de eigen school.18 Dat de school autonomie verkrijgt, wil niet zeggen dat de school niet aan regels gebonden is, maar wel dat de school het merendeel van de beslissingen zelf kan nemen. Met meer autonomie kunnen scholen meer op kwaliteit sturen. Hiertoe moet de school onder meer de ruimte krijgen om zelf zijn budget te beheren. De overheid zal minder met regelgeving vooraf sturen, maar het zwaartepunt leggen op toetsing achteraf.19
In 1993 heeft het zogenaamde Schevenings Beraad, een overleg tussen de onderwijskoepels en de minister van Onderwijs en Wetenschap, een aantal richtinggevende uitspraken gedaan over de verhouding tussen de overheid en het onderwijs.20 Het uitgangspunt is dat de school, binnen het kader van wet- en regelgeving, verantwoordelijk is voor de kwaliteit van het onderwijs.21 De overheid draagt zorg voor zekerheid over de bekostiging van het onderwijs via lumpsumbekostiging. Dit draagt bij aan deregulering en vergroot de handelingsvrijheid van scholen.22 De school krijgt bestedingsvrijheid om binnen de grenzen van de wet de bekostiging te besteden. Het overheidsbeleid is verder gericht op het vergroten van de vrijheid van handelen door de school.