Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/4.4.12
4.4.12 VNLTO-arrest
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS297050:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Voetnoten
Voetnoten
De Hoge Raad zegt in onderdeel 3.3.3. van HR 2 november 2007, nr. 42415, V-N 2007/51.24: ‘Vooropgesteld moet worden dat het in deze zaak gaat om de aftrek van btw die aan belanghebbende in rekening is gebracht ter zake van algemene kosten, dat wil zeggen uitgaven voor aan haar geleverde goederen en aan haar verrichte diensten, die zij gebruikt voor zowel economische activiteiten die op grond van artikel 2 van de Zesde richtlijn aan heffing van btw zijn onderworpen als voor andere handelingen (de algemene belangenbehartiging) die niet aan vorengenoemde activiteiten dienstbaar zijn.’
Afgezien van de voorbelasting toerekenbaar aan de vrijgestelde prestaties die VNLTO ook verrichtte.
In het VNLTO-arrest gaat het Hof van Justitie EU door op de in het Securentaarrest ingeslagen weg. Evenals Securenta kende VNLTO een ondernemers- en een niet-ondernemerssfeer1 en evenals Securenta deed VNLTO een poging om in aanmerking te komen voor volledige aftrek van voorbelasting.2 Evenals bij Securenta strandde deze poging.
VNLTO bevordert de belangen van de agrarische sector in de provincies Groningen, Friesland, Drenthe en Flevoland. Haar leden, ondernemers uit de agrarische sector, betalen haar contributies, die grotendeels worden uitgegeven voor de algemene belangenbehartiging. Naast die belangenbehartiging verricht VNLTO enkele individuele diensten ten behoeve van haar leden, waarvoor zij een vergoeding in rekening brengt. Zij biedt deze diensten ook aan derden aan. De met deze commerciële activiteiten behaalde overschotten worden aangewend voor de behartiging van de algemene belangen van genoemde leden. VNLTO schaft goederen en diensten aan die zij gebruikt zowel voor aan btw onderworpen activiteiten als voor andere activiteiten, die geen verband houden met de eerste. VNLTO heeft verzocht om volledige aftrek van voorbelasting, waaronder die welke betrekking had op haar activiteiten op het gebied van de algemene belangenbehartiging voor haar leden. De inspecteur weigerde aftrek voor zover deze betrekking had op de algemene belangenbehartiging. Het Hof Leeuwarden was, met de inspecteur, van oordeel dat de werkzaamheden verband houdend met de algemene belangenbehartiging geen rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk vormden van de economische activiteiten van VNLTO en dat deze laatste de aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting niet in aftrek kan brengen voor zover de verworven goederen en diensten in het kader van de behartiging van de algemene belangen van haar leden waren gebezigd.
De Hoge Raad was evenals het hof van mening dat er sprake is van een ondernemers- en een niet-ondernemerssfeer, maar hij meende ook dat het hof het leerstuk van de vermogensetikettering uit het oog was verloren, in ieder geval voor de door VNLTO aangeschafte investeringsgoederen, maar wellicht ook voor de andere goederen en de diensten. Daarom vroeg de Hoge Raad aan het Hof van Justitie EU of de art. 6, lid 2, en art. 17, lid 1, 2 en 6, Zesde richtlijn zo dienen te worden uitgelegd dat het een belastingplichtige is toegestaan niet alleen investeringsgoederen, maar alle goederen en diensten die worden gebruikt voor zowel bedrijfsdoeleinden als voor andere dan bedrijfsdoeleinden, volledig voor zijn onderneming te bestemmen en ter zake van de aanschaf van die goederen en diensten in rekening gebrachte btw onmiddellijk en volledig af te trekken? Daarnaast stelde de Hoge Raad een vraag over de wijze van heffing, indien de eerste vraag bevestigend zou worden beantwoord.
Het Hof van Justitie EU maakt duidelijk dat het volledig bestemmen voor de onderneming (etikettering) van goederen en diensten, en daarmee het in aftrek kunnen brengen van de voorbelasting, alleen mogelijk is als het gebruik daarvan voor privédoeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel of voor andere dan bedrijfsdoeleinden wordt gelijkgesteld met een dienst verricht onder bezwarende titel. De fictieve dienst van art. 6 lid 2, onderdeel a, Zesde richtlijn is echter niet van toepasssing op het gebruik van goederen en diensten die door de ondernemer worden bestemd voor niet-economische activiteiten. Daarmee is het pleit beslecht in het nadeel van VNLTO: geen fictieve dienst, daarom geen etikettering mogelijk en daarom dus geen aftrek voor de op de goederen en diensten drukkende btw, voor zover die goederen en diensten worden gebruikt voor de niet-economische activiteiten (de algemene belangenbehartiging). De vraag of etikettering mogelijk is bij andere goederen dan investeringsgoederen en diensten behoeft het Hof van Justitie EU daarna niet meer te beantwoorden.