Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/4.4.14
4.4.14 Samenvatting en conclusie
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS297065:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Voetnoten
Voetnoten
Cf. Midland Bank.
Cf. SKF.
Cf. Abbey National I.
Cf. Cibo Participations.
Cf. Kretztechnik.
Dit hoofdstuk sluit ik af in onderdeel 4.5 met een schematische indeling van alle mogelijke uitgaven in 10 verschillende categorieën. De hier besproken eerste soort algemene kosten omvat in de schematische indeling de categorieën 2, 4 en 6; de tweede soort algemene kosten is in de schematische indeling categorie 8; tot de derde soort algemene kosten behoren de categorieën 7 en 10 in de schematische indeling.
Cf. Securenta.
Cf. VNLTO.
Zie het Abbey National I-arrest en H.W.M. van Kesteren, Directe en algemene kosten in de btw, WFR 2008/318.
Uit het hiervoor besprokene blijkt dat het Hof van Justitie EU aan de belastingplichtige geleverde goederen en verrichte diensten, die hij gebruikt voor belaste of vrijgestelde handelingen of voor handelingen buiten de werkingssfeer van de btw, onder bepaalde voorwaarden aanmerkt als ‘algemene kosten’. Het begrip ‘algemene kosten’ omvat alle kosten die geen directe en onmiddellijke samenhang hebben met economische activiteiten (belaste of vrijgestelde handelingen) of met niet-economische activiteiten. Dit kunnen de volgende kosten zijn:
kosten die als algemene kosten bestanddelen van de prijs van de producten van de belastingplichtige zijn, omdat er uitsluitend een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang is tussen dergelijke kosten en de gehele bedrijfsactiviteit van de belastingplichtige; dit zijn bijvoorbeeld:
kosten, die weliswaar gemaakt worden wegens belaste of vrijgestelde uitgaande handelingen maar zijn opgekomen nadat de handelingen waarin zij hun oorzaak vinden zijn verricht, zodat de kosten geen bestanddeel kunnen zijn van de prijs van die handelingen1;
kosten, die weliswaar gemaakt worden wegens belaste of vrijgestelde uitgaande handelingen maar niet zijn opgenomen in de prijs van de belaste of vrijgestelde handelingen, doch uitsluitend deel uitmaken van de bestanddelen van de prijs van handelingen die tot de economische activiteiten van de belastingplichtige behoren2;
kosten, die gemaakt worden ten behoeve van buiten de werkingssfeer van de btw vallende handelingen (zoals de overdracht van een – zelfstandig deel van een – onderneming3, de aankoop4 en uitgifte van aandelen5)6;
kosten ten behoeve van buiten de werkingssfeer van de btw vallende handelingen, zoals de uitgifte van aandelen, als zij worden gemaakt door een belastingplichtige zowel ten behoeve van economische als ten behoeve van niet-economische activiteiten en deze kosten daarom niet uitsluitend zijn toe te rekenen aan economische activiteiten die de belastingplichtige in een later stadium verricht en dus niet uitsluitend zijn opgenomen in de prijs van de economische activiteiten7;
overheadkosten die met geen enkele specifieke handeling samenhangen (zoals accountants- administratie- en huisvestingskosten) en zowel samenhangen met de economische als de niet-economische activiteiten.8
Met betrekking tot de hiervoor onder punt 1 bedoelde kosten geldt het volgende. Als de economische activiteiten uitsluitend bestaan uit belaste activiteiten is de op deze kosten drukkende btw volledig aftrekbaar; als de economische activiteiten uitsluitend bestaan uit vrijgestelde activiteiten is de op deze kosten drukkende btw in het geheel niet aftrekbaar; als de economische activiteiten bestaan uit zowel belaste als vrijgestelde activiteiten is de op deze kosten drukkende btw aftrekbaar op basis van de voor de betreffende belastingplichtige (resp. zelfstandig onderdeel daarvan9) geldende pro rata op de voet van art. 173 t/m 175 btw-richtlijn (voorheen art. 17, lid 5, Zesde richtlijn). Naar mijn mening vallen alle kosten die een ondernemer maakt en die niet (mede) betrekking hebben op niet-economische activiteiten in deze categorie, tenzij ze rechtstreeks en onmiddellijk samenhangen met belaste of vrijgestelde prestaties.
Van deze kosten moet aangenomen worden dat ze ten minste een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang hebben met de algehele bedrijfsactiviteit.
Met betrekking tot de hiervoor onder de punt 2 bedoelde kosten zal eerst een toerekening moeten plaatsvinden aan economische respectievelijk niet-economische activiteiten à la Securenta en VNLTO, op basis van een door ieder van de lidstaten vast te stellen splitsingsmethode. De Nederlandse regelgeving kent hiervoor geen specifieke regels. In het algemeen redt de praktijk zich door op basis van de, op het moment dat het recht op aftrek ontstaat bekende, objectieve gegevens een schatting te maken. Nadat aldus de voorbelasting is gesplitst in een gedeelte dat toerekenbaar is aan de economische activiteiten en een gedeelte dat toerekenbaar is aan de niet-ondernemingsactiviteiten, zal voor het aan de economische activiteiten toerekenbare gedeelte de geldende pro rata nog vastgesteld moeten worden.
Voor de bepaling van de omvang van het aftrekrecht van de btw die drukt op de hiervoor onder de punt 3 bedoelde kosten zal eerst bepaald moeten worden of de ondernemer naast een ondernemerssfeer ook over een niet-ondernemerssfeer beschikt en of de kosten ook gemaakt zijn voor de niet-economische activiteiten. Als er ook sprake is van een niet-ondernemerssfeer en de kosten zowel betrekking hebben op de economische als de niet-economische activiteiten (denk bijvoorbeeld aan de accountantskosten van een gemeente) zal de omvang van het aftrekrecht bepaald moeten worden op dezelfde wijze als voor de onder punt 2 bedoelde kosten. Wanneer er naast de ondernemerssfeer geen niet-ondernemerssfeer bestaat zal de omvang van het aftrekrecht van de btw die drukt op deze categorie algemene kosten bepaald moeten worden op dezelfde wijze als voor de onder punt 1 bedoelde kosten.
Afsluitend kom ik tot de conclusie dat het Hof van Justitie EU door de uitleg die het geeft aan de woorden ‘gebruikt voor’ in art. 168, 169 en 170 btw-richtlijn het onder de Europese regelgeving geldende aftrekrecht zowel heeft beperkt als verruimd.
Enerzijds lijkt het door de uitleg die het Hof van Justitie EU geeft aan de woorden ‘gebruikt voor’ moeilijker geworden om voorbelasting volledig toe te rekenen aan handelingen waarvoor recht op aftrek bestaat. Kosten kunnen weliswaar gemaakt zijn wegens (‘as a consequence of’) een bepaalde aftrekgerechtigde handeling, zoals in het geval van Midland Bank, maar dat is niet voldoende om tot aftrek te komen. Voor een rechtstreeks en onmiddellijke samenhang met de uitgaande aftrekgerechtigde handeling moeten de kosten van de inkomende handelingen bestanddeel zijn van de prijs van de uitgaande handeling.
Anderzijds heeft het Hof van Justitie EU het mogelijk gemaakt dat kosten die niet rechtstreeks en onmiddellijk samenhangen met uitgaande aftrekgerechtigde handelingen als algemene kosten kunnen worden aangemerkt. Dit zal het geval zijn als deze kosten weliswaar gemaakt worden wegens vrijgestelde of buiten de werkingssfeer van de btw vallende handelingen, maar als algemene kosten een bestanddeel zijn van de prijs van de producten van de onderneming en de verworven goederen en diensten daarom rechtstreeks en onmiddellijk samenhangen met de gehele economische activiteit van de ondernemer. Op deze algemene kosten is de pro rata van art. 173 t/m 175 btw-richtlijn van toepassing. Aldus heeft het Hof van Justitie EU het recht op aftrek dat ogenschijnlijk strikt is gekoppeld aan het verrichten van belaste prestaties in de loop van de jaren heeft ‘opgerekt’. De strikte eis dat de aan de belastingplichtige geleverde goederen en diensten gebruikt moeten worden voor belaste prestaties blijkt toch iets minder strikt toegepast te mogen worden dan op het eerste gezicht lijkt.