Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/4.6
4.6 Gebreken in de samenstelling van een kamer
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174098:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Hof ’s-Hertogenbosch 8 november 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BB7403. In dezelfde zin: Hoge Raad 18 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2607 (Meavita); Hof Amsterdam 30 mei 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1928. De motivering en daaruit volgende beslissing van het Hof ’s-Hertogenbosch roepen de vraag op hoe groot het gebrek dat aan een kamer kleeft moet zijn voor de rechter oordeelt dat deze onbevoegd is en haar beslissing rechtskracht ontbeert. Zie ook Bovend’Eert m.m.v. Kortmann 2013, p. 67-68.
HR 14 juli 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1109, NJ 2006, 601 (Staat/Princeville), r.o. 3.2 en 4.
EHRM 7 juni 2001, NJ 2001, 592 (Kress). Overigens had het EHRM eerder geoordeeld dat het enkele feit dat een rechter al eerder betrokken was bij een zaak onvoldoende is om partijdigheid aan te nemen (EHRM 24 mei 1989, NJ 1990, 627 (Hauschildt)).
De wetgever geeft rechtbanken veel vrijheid om te bepalen of een zaak het beste in een meervoudige of in een enkelvoudige kamer kan worden behandeld. Bij kantonzaken en procedures in hoger beroep laat de wet minder ruimte. Waar de wet uitdrukkelijk het aantal rechtsprekers voorschrijft dat uitspraak moet doen, leidt overtreding van die bepaling tot nietigheid van de beslissing (art. 5, tweede en derde lid, Wet RO).
Hoe dit voorschrift wordt uitgelegd, bleek toen een meervoudige strafkamer van de Rechtbank ’s-Hertogenbosch vonnis had gewezen in veertien zaken, terwijl een van de leden van de kamer abusievelijk nog niet benoemd was tot rechter-plaatsvervanger en zij ook nog niet de eed of belofte als rechter-plaatsvervanger had afgelegd. Naar aanleiding hiervan vorderde het Openbaar Ministerie in hoger beroep vernietiging van een van de vonnissen. Het Hof oordeelde dat de onbevoegdheid van een van de leden van de strafkamer weliswaar een fundamenteel gebrek was in de samenstelling van het gerecht, maar dat het gebrek niet inhoudt dat de meervoudige kamer onbevoegd was om de zaak te berechten. Het vonnis van de betrokken meervoudige kamer moest evenmin als non-existent worden beschouwd. Het ging tenslotte om beslissingen van een meervoudige strafkamer, zij het dat er een gebrek aan kleefde, en daarvoor geldt in het algemeen dat zij alleen door vernietiging door een hogere rechter haar rechtskracht kan verliezen. Het belang van de rechtszekerheid en het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengen mee dat ook een gebrekkig vonnis rechtskracht heeft, tenzij het door een hogere rechter wordt vernietigd.1
In 2006 had de rechter zich ook gebogen over een kwestie omtrent het aantal rechters dat een zaak dient te behandelen. Hierin ging het om een klacht van de Staat die inhield dat verbetering van een door een meervoudige kamer gewezen vonnis niet door een enkelvoudige kamer kan plaatsvinden. De Staat beriep zich op een essentieel vormverzuim dat doorbreking van de rechtsmiddelenuitsluiting rechtvaardigde (art. 31, vierde lid, Rv). De Hoge Raad oordeelde dat verbetering van het door de meervoudige kamer gewezen vonnis inderdaad door de meervoudige kamer had moeten geschieden. Toch kon de klacht niet tot cassatie leiden, omdat niets erop wees dat de Staat er belang bij had dat de verbetering werd vernietigd en alsnog werd vervangen door een verbetering in dezelfde zin, maar dan gedaan door de meervoudige kamer.2
Over de vraag of deelname aan de raadkamer door anderen dan de bevoegde zaaksrechters rechtmatig is, heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in 2001 uitspraak gedaan. In de onderhavige zaak maakte een procespartij bezwaar tegen het feit dat een regeringscommissaris aanwezig was geweest in de raadkamer van de Franse Conseil d’Etat. Het EHRM erkende dat de aanwezigheid van de commissaris een doel diende – hij had als onafhankelijk lid van het gerecht eerder een conclusie in de zaak genomen –, maar het overwoog dat partijen de garantie moesten hebben dat de regeringscommissaris niet in staat zou zijn de beslissing te beïnvloeden. Alleen al zijn aanwezigheid in de raadkamer zou de schijn van beïnvloeding kunnen wekken.3