Einde inhoudsopgave
Grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen naar Nederlands recht (VDHI nr. 109) 2011/5.5.12
5.5.12 Aandeelhouders wier stemrecht is opgeschort
mr. H.J.M.M. van Boxel, datum 11-05-2011
- Datum
11-05-2011
- Auteur
mr. H.J.M.M. van Boxel
- JCDI
JCDI:ADS432018:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een uitgebreide analyse van deze artikelen, de toepassingsmogelijkheden en haar ontstaanswijze Schoonbrood in Bosse, Schoonbrood, Breeman, Ten Berg 2002, p. 74 e.v., Rensen 2005, p. 292-306, alsmede Dortmond 2007.
Wet van 22 juni 2000 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de herziening van het preventief toezicht bij oprichtingen en wijzigingen van statuten van naamloze en besloten vennootschappen, Stb. 283, in werking getreden 1 september 2001.
Bosse, Schoonbrood, Breeman, Ten Berg 2002, p. 86
Zie (meer uitgebreid) Schoonbrood, in Bosse, Schoonbrood, Breeman, Ten Berg 2002, p. 75.
Rensen 2005, p. 294.
Ten Berg 2007, p. 343.
Een laatste groep van stakeholders die buiten de boot dreigt te vallen op grond van de huidige wettelijke regeling wordt gevormd door aandeelhouders van wie het stemrecht is opgeschort.
De mogelijkheid het stemrecht van een aandeelhouder op te schorten geeft de wet in artikel 87a/195a en 87b/195b.1
Artikel 87a/195a lid 1 luidt:
`De statuten kunnen bepalen dat in gevallen, in de statuten omschreven, de aandeelhouder gehouden is zijn aandelen aan te bieden en over te dragen. De statuten kunnen daarbij bepalen dat zolang de aandeelhouder zijn verplichtingen tot aanbieding of overdracht niet nakomt, zijn stemrecht, zijn recht op deelname aan de algemene vergadering en zijn recht op uitkeringen is opgeschort.'
Artikel 87b/4195b lid 1 luidt:
`De statuten kunnen bepalen dat van de aandeelhouder die niet of niet langer aan in de statuten gestelde eisen voldoet het stemrecht, het recht op deelname aan de algemene vergadering en het recht op uitkeringen is opgeschort.'
Beide artikelen kent de wet sinds 2001.2 Het opschorten van het stemrecht is één van de drie sancties die onder omstandigheden aan aandeelhouders kunnen worden opgelegd. Naast het stemrecht kunnen ook het vergaderrecht en het recht op uitkeringen worden opgeschort. Niet vereist is dat alle drie de genoemde rechten worden opgeschort. Er kan een keuze gemaakt worden, zij het dat — zoals Schoonbrood terecht opmerkt -3 het vergaderrecht niet opgeschort kan worden zonder ook het stemrecht op te schorten.
De statuten zijn bepalend.
Zij bepalen in de eerste plaats in welke gevallen een aandeelhouder verplicht is zijn aandelen aan te bieden en over te dragen. Gedacht kan worden aan talrijke situaties. Feitelijk komt iedere denkbare situatie in aanmerking mits voldaan wordt aan de eis dat de omstandigheid die leidt tot de aanbiedingsverplichting objectief bepaalbaar moet zijn en nauwkeurig in de statuten moet zijn omschreven. Verwijtbaarheid aan de zijde van de aandeelhouder is geen voorwaarde. Vanzelfsprekend wordt het toepasbare gebied wel begrensd door de redelijkheid en billijkheid4
Voorbeelden waaraan gedacht kan worden zijn: het faillissement van een aandeelhouder, het overtreden van een x-procent regeling en een change of controlsituatie binnen een aandeelhouder rechtspersoon.
Ook bij de regeling rond de kwaliteitseis zijn de statuten leidend. De kwaliteitseis waaraan een aandeelhouder dient te voldoen moet in de statuten zijn omschreven.
Een voorbeeld hiervan is het hebben van een bepaalde functie of bepaald beroep; `aandeelhouder kan slechts zijn een notaris'.
De sancties die worden opgelegd worden ook in de statuten beschreven. De vraag welke rechten in de betreffende situaties worden opgeschort wordt door de statuten beantwoord.
Met name de keuze voor de toepasselijke sanctiebepalingen bij toepassing van (een van) de artikelen 87a/195a en 87b/195b zou gevolgen kunnen hebben voor de (toekomstige) aandeelhouder gedurende het proces rond een grensoverschrijdende fusie.
Onder de huidige wettelijke regeling wordt een aandeelhouder wiens stemrecht is opgeschort geconfronteerd met de onmogelijkheid tegen een grensoverschrijdende fusie te stemmen. Daarmee zou hem het uittreedrecht worden ontnomen. Verdedigbaar is dat dit een bijkomende sanctie is die nu eenmaal het gevolg is van de regeling van de artikelen 87a/195a en 87b/195b. Anderzijds moet worden bedacht het in eerste instantie gaat om opschorting van aandeelhoudersrechten. Niet ondenkbaar is dat een aandeelhouder uiteindelijk niet zal uittreden en zijn aandeelhouderschap, onder ontheffmg van gestelde eisen, voortzet. Wanneer een aandeelhouder tijdsvolgordelijk geconfronteerd wordt met:
het opschorten van zijn aandeelhoudersrechten;
een (besluit tot) grensoverschrijdende fusie;
ontheffing van zijn aanbiedings-/overdrachtsverplichting casu quo de aan hem gestelde kwaliteitseis;
herleving van zijn aandeelhoudersrechten,
is het resultaat dat hij aandeelhouder is geworden in een buitenlandse rechtspersoon zonder dat hij gebruik heeft kunnen maken van het uittreedrecht dat aan zijn medeaandeelhouders wel is toegekomen.
Ik kan mij niet voorstellen dat het de expliciete bedoeling van de wetgever is geweest deze aandeelhouders zonder meer van het uittreedrecht uit te sluiten. Temeer het uittreedrecht door de Minister mede gemotiveerd is op het feit dat een aandeelhouder als gevolg van een grensoverschrijdende fusie het enquêterecht wel eens zou kunnen verliezen. Rechten die een aandeelhouder heeft op grond van het enquêterecht, de geschillenregeling en het voorkeursrecht, zijn rechten die -zoals Rensen refererend aan de Minister terecht constateert-, nu juist niet vallen onder de groep van aandeelhoudersrechten die kunnen worden opgeschort.5
Ten aanzien van de voorgestelde wettekst voor de flex-BV merkt Ten Berg op dat voor het agenderingsrecht, het recht om een algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen en het enquêterecht met zoveel woorden wordt bepaald dat in die gevallen rekening wordt gehouden 'met aandelen waarvan de statuten bepalen dat daarvoor geen stem kan worden uitgebracht' .6 Hieronder vallen volgens Ten Berg ook de aandelen waarvan het stemrecht is opgeschort. Ik sluit mij bij zijn visie aan. Met de invoering van de wet in deze voorgestelde vorm wordt expliciet een aantal rechten aan de aandeelhouder die gesanctioneerd wordt voorbehouden.
Een oplossing zie ik in een keuze voor de betrokken aandeelhouders vooraf. De wet geeft nu eenmaal de ruimte een aandeelhouder zeer specifieke, aan de wortel van het aandeelhouderschap verbonden rechten te ontnemen. Daarin past dat een aandeelhouder ook diens uittreedrecht bij een grensoverschrijdende fusie kan worden ontnomen. Anders is dat ten aanzien van bepaalde rechten die de aandeelhouder (kennelijk) niet kunnen worden ontnomen. Daarvan lijkt hier echter geen sprake.
Waar de wet de mogelijkheid biedt de 'zwaarte' van de sancties binnen bepaalde marges in te vullen door een statutaire keuze te maken voor de toepasselijke sancties past ook dat de keuzes die gemaakt worden, gebaseerd worden op de gevolgen van de keuzes.
Een van de vereisten voor de toepasselijkheid van het uittreedrecht is dat de betreffende stakeholder zich tegen de fusie verzet heeft. De aandeelhouder die geen stemrecht heeft maar wel vergaderrecht, heeft de mogelijkheid zich tegen de voorgenomen grensoverschrijdende fusie te verzetten. De aandeelhouder die geen vergaderrecht heeft, heeft die mogelijkheid niet.
Aldus bestaat er een zekere keuze voor de aandeelhouders. Door in de statuten van de vennootschap te kiezen voor het wel of niet opschorten van het vergaderrecht wordt de mogelijkheid gecreëerd om binnen het mij voor ogen staande systeem aandeelhouders wier stemrecht opgeschort is toch gebruik te kunnen laten maken van het uittreedrecht. Hoe dat feitelijk vorm kan worden gegeven behandel ik in § 5.7 waar ik een voorstel doe voor een nieuwe tekst van artikel 333h.